日蘭辭典+

30 resultaten voor ‘stemming’
日蘭辭典 (trefwoord)
ki
(気) zn. (1) [力] geest m.; hart o.; ziel v. (2) [質] karakter o. (3) [分] humeur o.; stemming v. (4) [傾向] neiging v.; geneigdheid v. (5) [注意] zorg v.; aandacht v. (6) [呼吸] adem m. (7) [空] lucht v.; atmosfeer v. (8) [蒸] damp m.; uitwaseming v.(9) [香] smaak m.; geur m. (10) [精] ether m. ¶ がある lust hebben; geneigd zijn. ¶ がさす ongerust zijn. ¶ が狂ふ gek worden. ¶ が違って居る niet goedwijs zijn. ¶ がふれる buiten zich zelven zijn; niet wel bij het hoofd zijn. ¶ が長い geduldig. ¶ が拔けた afgetrokken; verstrooid. ¶ が塞ぐ somber gestemd zijn; tobben; (俗) in de put zitten. ¶ が詰まる benauwd zijn. が進む volgaarne; van ganschen harte. ¶ が進まぬ geen zin hebben. ¶ が立って居る opgewonden zijn.¶ が向く geneigd zijn; lust hebben. ¶ が濟まぬ niet op zijn gemak zijn. ¶ が重くなる gedrukt zijn; somber zijn. ¶ が遠くなる bewusteloos worden; bezwijmen; flauw vallen. ¶ が咎める niet op zijn gemak zijn; zelfverwijt gevoelen. ¶ に病む ongerust zijn. ¶ ....... するになる er toe komen om; lust krijgen om. ¶ に障る hinderen; ergeren. ¶ の強い stoutmoedig; dapper. ¶ の弱い slap. ¶ の合った gelijkgezind; sympathiek. ¶ のない zouteloos; laf. ¶ の小さい kleinmoedig.¶ の狹い bekrompen; kleinzielig. ¶ 樹の大きい grootmoedig; edelmoedig (寬大); moedig. ¶ の早い driftig; opvliegend. ¶ の好い goedhartig. ¶ の利いた behendig; knap. ¶ 變り易い wispelturig. ¶ を揉む tobben; zich bezorgd maken.¶ をゆるす aandacht laten verslappen; niet goed opletten. ¶ を勵ます moedvatten. ¶ を晴らす zich ontspannen. ¶ を養ふ geest voedenを失ふ flauw vallen; bewusteloos worden; bezwijmen; bewustzijn verliezen. ¶ を探る polsen. ¶ を變へる van opinie veranderen. ¶ を配る zijn aandacht gevestigd houden op; (俗) in de gaten houden. ¶ を持つ (心をかける) zich wijden aan.¶ を長くする geduld oefenen. ¶ を拔く verslappen. ¶ を落ちつける zijn gedachten verzamelen; tot zich zelven komen. ¶ を落す den moed verliezen; den moed laten zinken. ¶ を負ふ zich laten voorstaan op; prat gaan op. ¶ を惡くする kwalijk nemen. ¶ 人のを惡くする iemand’s gevoelens kwetsen. ¶ を利かせる een wenk begrijpen. ¶ を廻す achterdocht koesteren. ¶ を附ける goed opletten; oppassen. ¶ を附け pas op !; geef acht ! (號令). ¶ は心 neem den wil voor de daad; waardeer de goede bedoeling. ¶ 何のもなしに zonder eenige (kwade) bedoeling. ¶ に懸けるな trek je er niets van aan ! ¶ あとでがついた later viel mij in ....... . ¶ が濟んだ het is mij een pak van het hart.
chōshi調子
zn. (1) [音調] toon m.; klank m. (2) [工合] manier van doen; conditie v.; toestand m.; stemming v. (3) [拍子] maat v. ¶ 調子を合はせる stemmen. ¶ 調子の合はぬ valsch. ¶ 此の調子で行けば年内に終へる op die manier komt het werk in een jaar gereed. ¶ 調子づく goed gestemd. ¶ 調子に乘る opgewonden door succes. ¶ 調子のいゝ人 iemand met tact; iemand, die gemakkelijk is in den omgang.
genki元氣
(元気) zn. energie v.; geestkracht v. ¶ 元氣がよい zich goed voelen; gezond zijn. ¶ 元氣がない zich onlekker gevoelen; niet in de stemming zijn; (俗) in de put zijn. ¶ 元氣づく moed vatten. ¶ 元氣をつける aanmoedigen; hart onder den riem steken.
kimochi氣持
(気持ち) gevoel o. ¶ 氣持がする voelen; het gevoel hebben. ¶ 氣持がよい zich lekker gevoelen; prettig gestemd zijn. ¶ 氣持を惡くする zich beleedigd gevoelen. ¶ 氣持が惡くなる zich niet lekker voelen. ¶ 氣持よく volgaarne; van harte; gaarne.
SUPPLEMENT (trefwoord)
shinkyō心境
zn. gemoedstoestand; mening; instelling; gedachten. ¶ 心境の変化 verandering van gedachten. ¶ 心境が変化する van gedachten veranderen. ¶ それまでに再度心境が変化して、急きょ欠席ということがなければいいのですが。 Maar als in de tussentijd het niet gebeurd dat [mensen] opnieuw van gedachten veranderen en opeens niet verschijnen komt het in orde.
sayūsuru左右する
(ww.) (1) [支配する] beheersen; macht hebben over; in de hand hebben. (2) [影響を与える] beïnvloeden; bepalen; een belangrijke factor zijn; een rol spelen. ¶ 天候が明日の試合を最も左右するだろう。 Tenkō ga ashita no shiai wo mottomo sayūsuru darō. Het weer zal de belangrijkste factor zijn in de wedstrijd van morgen. ¶ 音楽家としての成功を左右するのは、才能である。 Ongakuka to shite no seikō wo sayūsuru no wa, sainō de aru. De bepalende factor voor het succes van een musicus, is talent. ¶ 競馬は馬の能力だけでなく、ジョッキーの技術に左右される。 Keiba no uma no sairyoku dake de naku, jokkii no gijutsu ni sayūsareru. Bij paardenrennen speelt niet alleen de kracht van het paard een rol, maar ook de vaardigheid van de jockey. (yamasv) 彼の返事は彼の気分に左右される。 Kare no henji wa kare no kibun ni sayūsareru. Zijn antwoord wordt bepaald door zijn stemming. ¶ 大衆の意見が大統領の決定を左右するtaishū no iken ga daitōryō no kettei wo sayūsuru. De publieke opinie beïnvloed de beslissingen van de president. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <stemming>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
sora (1) onjuist …; verkeerd …; ten onrechte …; mis-; waan-; (2) geveinsd(e) …; gemaakt(e) …; voorgewend(e) …; gesimuleerd(e) …; quasi-; schijn-; pseudo-; nep-; (3) [~形容詞] danig …; behoorlijk …; zeer …; ; (1) lucht; luchtruim; (2) hemel; hemelruim; [form., lit.t.] firmament; [lit.t.] hemelen; (3) [meton.] streek; oord; (4) stemming; gevoel; geest; (5) [~で] van buiten; uit het hoofd; (6) leugen; onwaarheid; valsheid
天気 tenki (1) weer; (2) mooi weer; fraai weertje; helder weer; (3) humeur; stemming; bui; luim; (4) 's keizers humeur
勢い ikioi vanzelfsprekend; daaruit volgend; als natuurlijk gevolg; voortvloeiend; onvermijdelijk; noodzakelijk; volgens de natuurlijke gang der zaken; ; (1) kracht; (2) energie; vitaliteit; gezondheid; zwier; gedrevenheid; (3) macht; invloed; gezag; autoriteit; (4) drang; vaart; impuls; impetus; prikkel; (5) natuurlijke gang van zaken; loop der dingen; tendens; trend; (6) strekking; stemming; toon
ketsu (1) beslissing; (2) stemming
心境 shinkyou gemoedstoestand; gevoelstoestand; geestestoestand; gemoedsgesteldheid; zielsgesteldheid; gemoedsstemming; stemming; mentaliteit; gevoelens
心気 shinki irriterend; irritant; vervelend; ; (1) stemming; gemoed; humeur; mood; gevoel; sentiment; (2) irritatie; sombere stemming
情緒 jousho (1) sfeer; stemming; [i.h.b.] charme; (2) [psych.] gevoel; emotie; affect
心地 kokochi (1) gevoel; gewaarwording; sensatie; (2) stemming; mood
心持ち kokoromochi een beetje; iets; wat; een kleinigheid; ietsje; een stukje; ; (1) karakter; aard; mood; stemming; gemoedsgesteldheid; geestesgesteldheid; gemoedstoestand; houding; (2) gevoel; indruk
御機嫌 gokigen humeur; stemming; temperament; gemoedsgesteldheid
トーン toon (1) toon; sfeer; stemming; geest; (2) toon; tint; schakering; (3) toon; timbre; toonkleur
投票 touhyou (1) stemming; stemuitbrenging; stemronde; ballotage; (2) stem; votum
調律 chouritsu stemming; het op de juiste toon brengen
調音 chouon (1) articulatie; (2) het stemmen; stemming; het op de juiste toon brengen
調子 choushi (1) toon; toonhoogte; (2) tempo; ritme; (op) dreef; (op) gang; (3) stijl; [stelk.] register; manier; wijze; stemming; (4) conditie; vorm; staat (van gereedheid); toestand; (in; niet in zijn normale) doen
調 chou -stijl; -manier; -wijze; -register; ; (1) [ritsuryō] chō [= belasting in natura; bestaande uit handwerk; lokale producten e.d.]; (2) [muz.] toonaard; toonsoort; tonaliteit; (3) [gagaku] klanksoort; (4) [sugoroku] doublet [= gelijke ogen voor iedere steen]; ; (1) a. evenwicht; proportie; afstemmen; (2) b. tempo; stemming; (3) c. timbre; register; (4) d. [muz.] toonaard; (5) e. onderzoeken; (6) f. maken; bereiden; regelen; (7) g. [ritsuryō] chō-belasting
気息 kisoku (1) adem; ademhaling; ademtocht; [inform.] asem; (2) gevoel; stemming; karakter; aard; temperament
気色 kishoku (1) gezichtsuitdrukking; gezicht; gelaatsuitdrukking; gelaat; gelaatstrekken; trekken; uitdrukking; expressie; blik; uiterlijk; mimiek; (2) gevoel; gemoedstoestand; geestestoestand; stemming; mood; bui; humeur; luim; (3) conditie; staat van gezondheid; gezondheidstoestand; (4) intentie; voornemen; (5) omstandigheden; situatie; (6) vormelijkheid
機嫌 kigen humeur; gemoedstoestand; stemming
気分 kibun (1) gevoel; gemoedstoestand; humeur; stemming; (2) atmosfeer
雰囲気 funiki sfeer; stemming; geest; atmosfeer; [fig.] klimaat; ambiance; omgeving; milieu
okite (1) regel; voorschrift; wet; gebod; bepaling; verordening; statuut; (2) maatregel; beschikking; instructie; (3) regeling; behandeling; omgang; procedure; regelgeving; reglement; code; (4) overeenkomst; afspraak; (5) verwachting; plan; voornemen; (6) houding; stemming; instelling; gemoedsgesteldheid; (7) lot; bestemming
表決 hyouketsu stemming
足取り ashidori (1) manier van lopen; gang; pas; tred; (2) [sumō-jargon] beengreep [het onderuithalen of uit de ring stoten van de tegenstander na vastgrijpen van diens been]; (3) [犯人の] gangen; spoor; [i.h.b.] vluchtroute; (4) traject; proces; vorderingen; evolutie; ontwikkeling; (5) [econ.] trend; tendens; koersbeweging; activiteit; conjunctuur; stemming; markt; (6) [econ.] koersgrafiek; chart; (7) [shamisen-muz.] tempoverandering in het midden van een stuk
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.4 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 24 treffers (zoekopdracht: 'stemming', strategie: exact). 
2005-2020