日蘭辭典+

30 resultaten voor ‘stijl’
日蘭辭典 (trefwoord)
kamae
(構え) zn. (1) [結構] constructie v.; bouw m. (2) [姿勢] houding v. ¶ 大した構をして居る op grooten voet leven.
omomuki
(き) zn. (1) [旨] bedoeling v.; beteekenis v.; inhoud van een brief (手紙の).(2) [雅] smaak m.
fūryū風流
zn. smaak m.; kunstzin m. ¶ 風流な smaakvol; elegant; artistiek.
kofū古風
zn. oude stijl m. ¶ 古風な ouderwetsch; antiek.
kakiburi書き振り
(書き振り) schrijfwijze v.; stijl m.
ichiryū一流
zn. eerste rang m. ¶ 一流の eerste rangs-; toonaangevend. ¶ 一流の政治家 een staatsman van den eersten rang. ¶ 彼一流の策略 zijn geliefkoosde list. ¶ 彼一流の筆法 zijn speciale stijl.
SUPPLEMENT (trefwoord)
kanroku貫禄
De waardigheid, de stijl etc. die mensen van iemand ervaren door zijn of haar houding of figuur; het gezag of gewicht dat iemand heeft; prestige; status; autoriteit; overwicht; aanzien; tegenwoordigheid; voorkomen; ernst. ¶ 貫禄のある kanroku no aru gewichting; belangrijk; aanzienlijk; gerespecteerd; vooraanstaand; prominent; notabel. ¶ 貫禄がついた kanroku ga tsuita (idem.) ¶ 君は課長としての貫禄がないね。 Kimi wa kachō to shite no kanroku ga nai ne. Je mist de autoriteit van een afdelingshoofd.; Je hebt niet het gezag van een afdelingshoofd.; Je hebt voor een afdelingshoofd niet genoeg aanzien. (TTC)

NB het woord 貫禄 kanroku verwees oorspronkelijk naar (de omvang van) het salaris van een samurai in dienstbetrekking, en afgeleid daarvan zijn belangrijkheid.
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:Aozora Bunko╱Mori Ōgai╱De wilde gans 〈1:10-11〉〈青空文庫〉森鴎外『雁』
先ずざっとこう云う性の尊敬を受け、それに乗じて威福を擅にすると云うのが常である。然るに上条でを利かせている、の壁は頗るを殊にしていた。

Mazu zatto kō yū tachi no otoko ga sonkei wo uke, sore ni jōjite ifuku wo hoshiimama ni suru to yū no ga tsune de aru. Shikaru ni Kamijō de haba ga kikasete iru, boku no kabe tonari no otoko wa sukoburu omomuki wo koto ni shite ita.

Wel, het was normaal dat zo’n soort man respect kreeg en zich daarvan bediende om naar wens zijn invloed uit te oefenen. Echter, als ik het heb over de man die mijn buurman was in Kamijou en daar zijn invloed deed gelden, die had een uitzonderlijke stijl.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <stijl>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
体裁 teisai (1) schijn; voorkomen; uitzicht; uiterlijk; uiterlijkheid; (2) vorm; format; stijl; wijze; (3) (schone) schijn; fatsoen; (4) omhaal; woordenkraam; woordenkramerij
作り tsukuri (1) bouw; constructie; makelij; factuur; afwerking; uitvoering; (2) bouw; cultuur; teelt; kweek; [庭の] aanleg; (3) stijl; presentatie; toilet; [i.h.b.] kledingstijl; kleedstijl; (4) plakjes verse rauwe vis; sashimi
一家 ikka (1) familie; de gehele familie; (2) huis; huishouden; (3) stijl
一体 ittai (1) [in combinatie met een vraagwoord] in hemelsnaam; in godsnaam; verdorie; nu eigenlijk; (2) om de waarheid te zeggen; per slot van rekening; strikt genomen; ; (1) (één) lichaam; eenheid; (2) standbeeld; sculptuur; (3) stijl; vorm; trant
仕立て shitate (1) kleermakerij; snit; stijl; coupe; (2) toebereiding; het klaarmaken; toerusting; outillage
shiki (1) stijl; wijze; manier; vorm; trant; systeem; methode; (2) ceremonie; plechtigheid; (3) [wisk., chem.] formule; [wisk.] uitdrukking; [wisk., chem.] vergelijking
tai [maatwoord voor goden- en boeddhabeelden, lijken e.d.]; ; (1) a. lichaam; ledematen; (2) b. gedaante; vorm; (3) c. figuur; voorwerp; (4) d. wezen; essentie; substantie; (5) e. orgaan; organisatie; (6) f. lichamelijke opvoeding; ; (1) lichaam; lijf; (2) staat; toestand; gesteldheid; (3) vorm; voorkomen; gedaante; stijl; (4) wezen; essentie; substantie; aard; natuur; (5) [taalk.] substantief; substantivum; (6) sterkte; kloekheid; ruggengraat; (7) [ikebana] bovenste leidtak; (8) [wisk.] lichaam
伊達 date (1) stijlvol; elegant; verfijnd; chic; deftig; gedistingeerd; geraffineerd; (2) dandyachtig; fatterig; ; (1) vertoon; schijn; show; praal; bluf; affectatie; (2) smaak; verfijning; stijl; elegantie; sofisticatie; sophistication; (3) zwier; branie; (4) Date
調子 choushi (1) toon; toonhoogte; (2) tempo; ritme; (op) dreef; (op) gang; (3) stijl; [stelk.] register; manier; wijze; stemming; (4) conditie; vorm; staat (van gereedheid); toestand; (in; niet in zijn normale) doen
調 chou -stijl; -manier; -wijze; -register; ; (1) [ritsuryō] chō [= belasting in natura; bestaande uit handwerk; lokale producten e.d.]; (2) [muz.] toonaard; toonsoort; tonaliteit; (3) [gagaku] klanksoort; (4) [sugoroku] doublet [= gelijke ogen voor iedere steen]; ; (1) a. evenwicht; proportie; afstemmen; (2) b. tempo; stemming; (3) c. timbre; register; (4) d. [muz.] toonaard; (5) e. onderzoeken; (6) f. maken; bereiden; regelen; (7) g. [ritsuryō] chō-belasting
作風 sakufuu stijl; trant; manier; wijze
hashira [maatwoord voor boeddha's, kami; goden uit het Japanse pantheon, geesten der afgestorvenen e.d.]; ; (1) pijler; pilaar; zuil; kolom; stijl; schoor; paal; staak; mast; stut; lastdrager; draagzuil; steunpilaar; steunpijler; schoorzuil; schoorpaal; stutpaal; schoorpijler; [w.g.] schoorpilaar; (2) [fig.] steunpilaar; [fig.] ziel; steun; stut; [i.h.b.] kostwinner; [fig., veroud.] aspunt; (3) [dierk.; schelpenkunde; conchyliologie] adductor
風雅 fuuga (1) voornaam; chic; verfijnd; stijlvol; smaakvol; elegant; fraai; gedistingeerd; geraffineerd; (2) gecultiveerd; kunstzinnig; artistiek; ; (1) elegantie; élégance; verfijndheid; verfijning; chic; stijl; smaak; raffinement; (2) [Bashō-school] haiku-esthetiek; (3) [Chin.lit.] fēngyǎ [= wijzen en lofliederen in de Shījīng 詩経]
fuu zoals ~; op de manier van ~; in de stijl van ~; à la ~; naar ~; ; (1) gewoonte; gebruik; neiging; (2) manier; wijze; voege; trant; stijl; type; soort; (3) air; allure; voorkomen; uiterlijk; houding; aanzicht
fude (1) penseel; [i.h.b.] haarpenseel; schrijfpen; pen; kwastje; (2) trant; manier van schrijven; schilderen; penseelvoering; schildering; stijl; schrift; handschrift; [meton.] hand; [meton.] pen; [meton.] penseel
フォーム fuxoomu (1) vorm; stijl; trant; (2) formulier; (3) schuim
文体 buntai (1) register; stijlregister; taalregister; (2) stijl
bun [maatwoord voor zinnen]; ; (1) geschrift; opstel; tekst; stijl; (2) literatuur; letteren; [i.h.b.] de pen; (3) zin
文章 bunshou (1) zin; passage; locus; plaats; tekst; (2) opstel; artikel; schriftstuk; geschrift; [i.h.b.] stijl
奥床しさ okuyukashisa (1) elegantie; élégance; bevalligheid; gratie; sierlijkheid; stijl; charme; zwier; zwierigheid; (2) verfijning; verfijndheid; smaak; raffinement
kata (1) gietvorm; vorm; smeltvorm; matrijs; mal; matrix; (2) model; toonbeeld; voorbeeld; (3) stijl; vorm; mode; (4) patroon; tekening; (5) kata [van judo of karate]; de zuiverste vorm van budo-technieken uitgevoerd volgens vaste regels; (6) traditie; basis; vaste regel; formaliteit
品格 hinkaku waardigheid; gratie; bevalligheid; klasse; stijl; cachet; distinctie; allure
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.46 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 22 treffers (zoekopdracht: 'stijl', strategie: exact). 
2005-2020