日蘭辭典+

29 resultaten voor ‘stoppen’
日蘭辭典 (trefwoord)
ana
zn. (1) [孔] gat o.; opening. (2) [針の] oog v. (3) [氣孔] porie v. (4) [巢] hol o.; leger o. (5) [洞穴] grot v. (6) [坑] put v. (7) [間隙] reet v.; spleet v. ¶ あける een gat boren; een gat graven; een kuil graven. ¶ を埋める een kuil dichtgooien. ¶ 缺損填補 een gat stoppen. ¶ にも入りたい in (又は door) den grond zinken van schaamte.
yame止め
zn. (1) [終り] einde v.; conclusie v. (2) [中止] ophouding v.; stoppen o. (3) [廢止] afschaffing v. (4) [斷念] onthouding v.; opgeving v. ¶ 止める doen ophouden; afschaffen; uitscheiden met; stoppen; opgeven; afzien van; een einde maken aan. ¶ 仕事止める uitscheiden met werken. ¶ 學問を廢める de studie opgeven. ¶ 新聞取るのを廢める voor een krant bedanken. ¶ を廢める den drank afzweren; geheelonthouder worden.
yamu止む
(已む、罷む) i.w. ophouden; stoppen; uitscheiden; eindigen; afgeloopen zijn; stilstaan. ¶ が止んだ de regen is opgehouden. ¶ が止んだ de wind is gaan liggen.
geri下痢
zn. diarrhee v. ¶ 下痢をする diarrhee hebben; het in de buik hebben. ¶ 下痢さす purgeeren; laxeeren. ¶ 下痢を止める stoppen.
tomaru止る
i.w. ophouden; stoppen; eindigen; verblijven; logeeren (泊る). ¶ 止まれ halt! stop! ¶ 兒がとまる zwanger worden. ¶ が止まる zijn stem kwijt zijn. ¶ に留まる de aandacht trekken. ¶ 停まらず zonder te stoppen.
shimau仕舞ふ
(仕舞う、終う、了う、藏ふ、蔵う) t.w. [終る] eindigen; ten einde brengen; i.w. een eind maken aan. t.w. (2) [藏する] wegbergen; opbergen. ¶ を讀んで了ふ een boek uitlezen. ¶ 試驗を仕舞ひました het examen is afgeloopen.
SUPPLEMENT (trefwoord)
misuteriiミステリー
(tevens: ミステリ;ミステリイ) (1) raadsel; mysterie; puzzel; onbegrijpelijke of wonderlijke zaak. (2) detective verhaal of roman. ¶ ミステリー・サークル een graancirkel. ¶ ミステリー小説 detectiveroman (推理小説). ¶ ミステリアス mysterieus. ¶ ビッグミステリー een groot raadsel. [2ch] ¶ 面白そうと思って一度は読み始めたものの、それぞれの理由で途中で読むのをやめてしまったミステリー作品挙げるスレです。 Een thread met mystery romans waarvan je dacht dat ze interessant zouden zijn en een keer in bent begonnen te lezen, [maar] om uiteenlopende redenen halverwege gestopt bent met lezen. [2ch]
pittariぴったり
(1) zonder tussenruimte; strak; nauw; naadloos; hermetisch. ¶ 全部ぴったり閉まってたのにどうやってそのに入ったんだろうMado wa zenbu pittari shimatte ta no ni, dō yatte sono neko wa ie no naka ni haittan darō. Dat ondanks dat alle ramen potdicht waren die kat toch is binnengekomen. Ik vraag me af hoe. ¶ はぴったりしたジーンズが好きですWatashi wa pittarishita jīnzu ga suki desu. Ik houd van strakke spijkerbroeken. (yamasv) (2) precies; exact. ¶ 2つの指紋がぴったり一致した。つまりが殺人犯だ。 Futatsu no simon ga pittari itchishita. Tsumari kare ga satsujinhan da. De twee vingerafdrukken zijn een exacte match. Dat betekent dat hij de moordenaar is. ¶ 日本電車いつもぴったりの時間来るNihon no densha wa itsu mo pittari no jikan ni kuru. Treinen in Japan zijn altijd precies op tijd. (yamasv) (3) past; past goed bij; geschikt [voor, om]. ¶ この料理はこのワインにぴったりだ。 Kono Ryōri wa kono wain ni pittari da. Dit gerecht past goed bij deze wijn. ¶ 温泉はリラックスするのにぴったりの場所だ。 Onsen wa rirakkususuru no ni pittari no basho da. Hete (natuur)baden zijn heel geschikte plaatsen om te ontspannen. (yamasv) ¶ その帽子彼女にぴったりだ。 Sono bōshi wa kanojo ni pittari da. Die hoed [muts, pet] staat haar precies goed. ¶ ぴったり合うどうか、この新調のを着てみなさいPittari au ka dō ka, kono shinchō no fuku wo kite minasai. Probeer eens of dit nieuwe pak goed past. (TTC) (4) opeens; plotsklaps (stoppen).
battariばったり
(bw, to-bw) (1) plotsklaps; opeens; plotseling. ¶ 雨がばったりやんだ。 Ame ga battari yanda. De regen stopte opeens. (yamasv) (2) stoppen of eindigen na lange tijd ¶ 彼は長年毎日のようにこのカフェに来ていたが、先月からばったり来なくなった。 Kare wa naganen mainichi no yō ni kono kafe ni kite ita ga, sengetsu battari konaku natta. Jarenlang kwam hij vrijwel elke dag naar dit [het] café, maar sinds vorige maand niet meer. (yamasv) (3) iemand onverwacht ontmoeten; iemand tegen het lijf lopen. ¶ 高校の先生と今日10年ぶりにばったり会った。 Kōkō no sensei to kyō jūnenburi ni battari atta. Ik kwam vandaag opeens na tien jaar een docent van de middelbare school tegen. (yamasv) (4) opeens neervallen; in elkaar storten. ¶ 彼はばったり倒れて、二度と立ち上がらなかった。 Kare wa battari taorete, nido to tachiagaranakatta. Hij viel opeens om en kwam niet meer overeind. (yamasv) (5) met een smak; met een plof. (ばったりと)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <stoppen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
阻止する soshisuru stoppen; tegenhouden; blokkeren; verhinderen; weerhouden; in de weg staan; beletten; stuiten
停車する teishasuru (1) [m.b.t. wagen; spoorwagen] stoppen; tot stilstand komen; een stop maken; halt houden; maken; aandoen; (2) [m.b.t. verkeersreglement] stilstaan; ; [m.b.t. wagen; spoorwagen] tot stilstand brengen; (doen) stoppen; halt doen houden
停止する teishisuru (1) stoppen; stopzetten; een einde maken aan; opschorten; (tijdelijk) verbieden; [営業; 支払いを] staken; onderbreken; buiten werking stellen; schorsen; suspenderen; [i.h.b.] onder embargo leggen; (2) stoppen; tot stilstand komen; een stop maken; halt houden; maken; [エンジンが] afslaan
繕う tsukurou (1) herstellen; repareren; maken; verstellen; oplappen; lappen; stoppen; opkalefateren; (2) in orde brengen; rechttrekken; fatsoeneren; (3) verbloemen; verdoezelen; [体裁を; 手前を] redden
着ける tsukeru (1) aanleggen; [scheepv.] (af)meren; (aan de wal) vastleggen; vastmaken; stilhouden; stoppen; parkeren; [aan de kant enz.] zetten; [i.h.b.] voorrijden (tot aan ~); (2) doen raken; ertegenaan brengen; in aanraking brengen met; [de eerste hand enz.] leggen aan; (3) [iem. in een bep. positie] brengen; plaatsen; zetten; doen zitten; doen plaatsnemen; zitting doen nemen in; (4) aantrekken; aandoen; zich [in het zwart enz.] steken; zich kleden; [een lint in het haar enz.] steken; [een broche enz.] opsteken; [m.b.t. masker] opzetten; aanbrengen; (5) zich eigen maken; zich verwerven; aanleren
詰める tsumeru (1) vullen (met); [koffers enz.] pakken; opvullen (met); stoppen; volstoppen; dichtstoppen; proppen; toeproppen; stouwen; [tandh.] plomberen; (2) (nauwer) doen aansluiten; dicht(er) opeen doen staan; zitten; dichter bij elkaar plaatsen; doen aanschikken; doen opeenpakken; aanhalen; (3) inkorten; verkorten; korter maken; bekorten; korten (met); afkorten; [m.b.t. kledingstuk] inleggen; [m.b.t. voorsprong; afstand] verkleinen; verminderen; [op de uitgaven enz.] besnoeien; bezuinigen; [de uitgaven enz.] beperken; inperken; [m.b.t. adem] inhouden; [m.b.t. vinger] knotten; (4) een eind maken aan [een discussie enz.]; beëindigen; afwikkelen; afronden; z'n beslag geven; ten einde brengen; de laatste hand leggen aan; (5) (onverdroten; onafgebroken; ononderbroken; continu; doorlopend; non-stop; de hele tijd; aanhoudend; constant) blijven ~; (geconcentreerd; ingespannen; intensief; intens) bezig zijn met ~; (6) schaak geven; schaak zetten; (schaak)mat zetten; (schaak)mat geven; ; [op zijn post] blijven; zich paraat houden; op wacht staan; posten
売り付ける uritsukeru aansmeren; aanlappen; aanplakken; [Belg.N.] opsolferen; tot aankopen dwingen; in de hand duwen; stoppen; in de maag splitsen; opschepen met; slijten aan
受け止める uketomeru (1) [ボールを] vangen; opvangen; onderscheppen; (2) [攻撃を] stuiten; tegenhouden; stoppen; afwenden; afweren; afslaan; weren; pareren; (3) [問題を] aanpakken; tegemoet treden; behandelen; reageren op; (4) [批判を] opnemen; opvatten; beschouwen
句切る kugiru (1) verdelen; indelen; (2) interpuncteren; leestekens plaatsen; in zinnen verdelen; (3) afscheiden; afzonderen; (4) stoppen
途絶える todaeru ophouden; tot een eind komen; stoppen; tot stilstand komen; stilvallen
止まる tomaru (1) stoppen; tot stilstand komen; tot staan komen; stilhouden; blijven stilstaan; halt houden; stilvallen; zich inhouden; ophouden; tot een eind komen; (2) uitvallen; verbroken worden; [m.b.t. motor] afslaan; [m.b.t. motor] stokken; het begeven; het laten afweten; ophouden; (3) [m.b.t. vogels] roesten; pleisteren; zich ophouden; aanleggen; neerstrijken; neerkomen; landen; gaan zitten
止める tomeru (1) stoppen; stopzetten; stilleggen; stilhouden; laten stilstaan; stillen; stuiten; tot stilstand brengen; stilzetten; tot staan brengen; parkeren; stallen; [aan de kant enz.] zetten; neerzetten; arrêteren; [de dief enz.] houden; een halt toeroepen; een punt zetten achter ~; een einde maken aan [een ruzie enz.]; ophouden; stremmen; [de aanvoer enz.] staken; afbreken; afsnijden; [een paard enz.] tegenhouden; vasthouden; aanhouden; inhouden; keren; [fig.] afdammen; [m.b.t. geluid, pijn] weren; ophouden; stelpen; (2) [het licht enz.] uitdoen; uitschakelen; [m.b.t. gas, water, radio] uitdraaien; dichtdraaien; afsluiten; uitzetten; afzetten; [de stroom] afbreken; afsnijden; (3) [m.b.t. inflatie enz.] bedwingen; beheersen; afremmen; beteugelen; breidelen; in toom houden; in bedwang houden; intomen; [de groei enz.] belemmeren; (4) beletten; verhinderen; verbieden; voorkomen; ontzeggen; verhoeden
立ち止まる tachidomaru blijven stilstaan; blijven staan; halt houden; stoppen; tot stilstand komen; tot staan komen; stilhouden
切る kiru (1) knippen; afsnijden; afknippen; [先端を] afknotten; [アキレス腱を] scheuren; (2) fijnhakken; in stukjes snijden; (3) omhakken; (4) (een relatie) afbreken; (5) bekritiseren; (6) pauseren; stoppen; afbreken; (7) kaarten mengen; (8) de weg oversteken; (9) (het licht) uitdraaien; (de tv) uitzetten; (10) 10. (een kraan) dichtdraaien; (11) 11. (aan een stuur) draaien; (12) 12. (de telefoon) ophangen
休む yasumu (1) uitrusten; rusten; pauzeren; pauze houden; uitblazen; uitpuffen; op adem komen; rust houden; pozen; verpozen; er [een uurtje] uit breken; (2) slapen; gaan slapen; naar bed gaan; zich ter ruste begeven; zich te bed begeven; zich te bed leggen; zich ter ruste leggen; onder de wol kruipen; zijn bed opzoeken; het bed in rollen; erin duiken; erin gaan; [veroud., bijbelt.] zich bedden; (3) wegblijven van; niet aanwezig zijn; niet verschijnen; niet bijwonen; afwezig zijn; absent zijn; niet opdagen; [m.b.t. een les] laten vallen; [m.b.t. een college] missen; [m.b.t. een les] overslaan; ontbreken [op de vergadering]; thuis blijven; vrijaf nemen; vrij nemen; een vrije dag opnemen; er even tussenuit gaan; [gezegd van winkel] gesloten zijn; [学校を] de school verzuimen; van school wegblijven; niet naar school gaan; zijn kat sturen; spijbelen; flansen; [Belg.N.] brossen; (4) [werk] onderbreken; [zijn werk] afbreken; neerleggen; ophouden [met werken]; stoppen; uitscheiden met; (af)nokken met; beëindigen; kappen; [zijn activiteiten tijdelijk] staken; tijdelijk een eind maken aan; (5) tot stilstand komen; ophouden; stilstaan [b.v. machines]; braak liggen; buiten bedrijf zijn; (6) herstellen [van een ziekte]; genezen; er weer bovenop komen; herstellen; weer bijkomen; de oude worden; weer gezond worden; aansterken
止む; 已む; 罷む yamu ophouden; tot een eind komen; stoppen; ten einde lopen; aflopen; er komt een einde aan ~; het loopt af met ~; [m.b.t. vuur] uitgaan; [m.b.t. wind] luwen; gaan liggen; [m.b.t. klanken] wegsterven; wegvallen; [m.b.t. pijn] overgaan; weggaan; over zijn; een einde vinden
塞ぐ fusagu (1) afsluiten; dichten; dichtmaken; afdichten; afstoppen; dichtgooien; toegooien; stoppen; vullen; dempen; plempen; dichtstoppen; verstoppen; toestoppen; toedammen; opvullen; opstoppen; opproppen; stremmen; versperren; [veroud.] sperren; blokkeren; belemmeren; obstrueren; (2) de handen voor [z'n ogen, oren, mond enz.] houden; met z'n handen afdekken; bedekken; (3) [de deur e.d.] sluiten; dichtdoen; toedoen; toesluiten; (4) [plicht e.d.] vervullen; doen; voldoen; volbrengen; betrachten; (5) [tijd, plaats e.d.] in beslag nemen; innemen; beslaan; bezetten; ; versomberen; in de put raken; zich depri gaan voelen; depressief worden; ontmoedigd raken; mismoedig worden; terneergedrukt raken; gedeprimeerd raken; down raken
終える oeru eindigen; aflopen; ophouden; stoppen; ; beëindigen; ten einde brengen; eindigen; afmaken; afdoen; afwerken; voltooien; voleinden; completeren; een einde maken aan; volbrengen
足を止める ashiwotomeru (1) halt houden; halt maken; stilstaan; stoppen; blijven staan; [gew.] arrêteren; (2) pauzeren; pauze; rust houden
上がる agaru 26. [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; ; (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙; 花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂から] uit bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価; 血圧; 気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) 10. [成績; 腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) 11. [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) 12. [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) 13. [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) 14. teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) 15. [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) 16. [双六; トランプ; マージャンで] winnen; uit zijn; (17) 17. [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈; 月経; つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [バッテリーが] het laten afweten; leeglopen; (18) 18. [魚; 貝; 虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) 19. [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) 20. [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) 21. [領地; 役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) 22. [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) 23. [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) 24. [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) 25. [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; ; (1) 27. […~] klaar-; af-; gereed-; (2) 28. […~] hevig …; intens …; compleet …; (3) 29. […~] [krachtterm]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.85 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 20 treffers (zoekopdracht: 'stoppen', strategie: exact). 
2005-2019