日蘭辭典+

26 resultaten voor ‘strijd’
日蘭辭典 (trefwoord)
arasoi
(争い) zn. (1) [喧嘩] twist m.; strijd m.; kwestie v.; herrie v. (2) [論爭] dispuut o.; woordenwisseling v. (3) [爭訟] proces o.; rechtszaak v. (4) [競爭] wedstrijd m. (5) [不和] oneenigheid v. ¶ 競爭tegenstander; mededinger; concurrent.
mukō
(向こう、向う) zn. (1) [向側] overzijde v.; overkant m. (2) [先方] de andere partij v. ¶ 向うを張る den strijd opnemen. ¶ 向うを張って in oppositie tegen. ¶ 向う一年間 voor het eerstvolgende jaar. ¶ 向うの gindsch; aan de overzijde. ¶ 向うに ginds; aan den overkant; daar. ¶ 海の向うに aan gene zijde van den oceaan.
sensō戰爭
(戦争) zn. (1) [戰亂] oorlog m.; strijd m. (2) [戰鬪] slag m.; gevecht o. ¶ 戰爭する oorlog voeren; strijden; vechten; slag leveren. ¶ 戰爭中に in den oorlog; gedurende den strijd; al vechtende. ¶ 戰爭準備 toerusting tot den strijd; bewapening; voorbereiding tot den oorlog. ¶ 戰爭利益 oorlogswinst. ¶ 戰爭出る ten strijde trekken. ¶ 戰爭狂 oorlogspsychose. ¶ 戰爭好き oorlogszuchtig; krijgslustig.
shussei出征
zn. expeditie v.; vertrek naar het front. ¶ 出征する naar het front gaan; deelnemen aan den strijd. ¶ 出征中である aan het front zijn; deelnemen aan een expeditie.
shōbu勝負
zn. (1) [勝敗] overwinning of nederlaag; beslissing v. (2) [競技] wedkamp v.; wedstrijd m. ¶ 面白い勝負 spannende strijd. ¶ 勝負する zich met elkaar meten; wedstrijd houden. ¶ 勝負表 het aantal punten; de score (英語). ¶ 勝負なし onbesliste strijd. ¶ 勝負spel; wedstrijd; weddenschap.
tōsō鬪爭
(闘争) zn. strijd m.; gevecht o. ¶ 鬪爭する strijden; vechten.
kōsan降參

zn. (1) [降服] overgave v.; onderwerping v. (2) [閉口] stomheid v.; mond vol tanden. ¶ 降參する zich overgeven; zich gewonnen geven; den strijd opgeven. ¶ 閉口する met stomheid geslagen zijn; niets weten te antwoorden; met den mond vol tanden staan; geen uitweg weten.

SUPPLEMENT (trefwoord)
tachiuchi太刀打ち
(1) de zwaarden kruisen; vechten met zwaarden; elkaar met zwaarden bevechten. ¶ 太刀打ちする tachiuchi suru te zwaard de strijd aangaan (met iemand). ¶ 太刀打ちの技 tachiuchi no waza de kunst van het zwaardvechten. (2) (fig.) oppositie; tegenstand. ¶ 太刀打ちする tachiuchi suru tegenstand bieden; wedijveren met; mededingen; de krachten meten; pareren. ¶ 太刀打できる tachiuchi dekiru opgewassen zijn (tegen); iemand de baas zijn. ¶ 太刀打できない tachiuchi dekinai niet opgewassen zijn (tegen); niet kunnen evenaren; het onderspit delven. ¶ 警察はそういう暴力と太刀打ち出来なかった。 Keisatsu wa sō yū bōryoku to tachiuchidekinakatta. De politie was niet in staat om dergelijk geweld het hoofd te bieden. (TTC) ¶ 来週から中間テストだ。一夜漬けじゃ、太刀打ちできない問題ばかりだぞ。今日から始めろよ。♂ Raishū kara chūkan tesuto da. Ichiya tsuke ja, tachiuchidekinai mondai bakari da zo. Kyō kara hajimeru yo. Vanaf volgende week zijn er tussentijdse examens. Die hebben alleen maar vragen die je echt niet de baas kunt met een enkel nachtje blokken! Je moet nu beginnen! (TTC) ¶ 良質のぶどうではフランス太刀打ちできるないRyōshitsu no budō sake de wa Furansu ni tachi uchidekiru kuni wa nai. Waar het kwaliteitswijn betreft is er geen land dat Frankrijk kan evenaren. (TTC) (3) een benaming voor het deel van een lans of een speer onder de punt; specifiek het bovendeel tussen de onderzijde van de punt (口金 kuchigane) en het iets lager gelegen deel, in het Japans aangeduidt als 血溜まり chidamari - ‘het verzamelpunt van het bloed’. Niet zelden is dit deel bekleed met stof.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <strijd>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
gun (1) leger; legermacht; gewapende macht; landmacht; troepen; troepenmacht; (2) oorlog; krijg; veldslag; strijd; (3) militaire autoriteiten; militaire overheid; militaire apparaat; landsverdediging; defensie; (4) (sport)ploeg; team; equipe; groep sportlieden; groep spelers
喧嘩 kenka (1) ruzie; twist; onenigheid; gehakketak; gekibbel; gekrakeel; geharrewar; (2) redetwist; dispuut; kwestie; onenigheid; woordenstrijd; woordentwist; woordenwisseling; (3) handgemeen; gevecht; strijd; worsteling; kamp
内紛 naifun interne twisten; onenigheid; strijd; broederstrijd; infighting
勝負 shoubu (1) overwinning of nederlaag; zege of nederlaag; winst of verlies; (2) wedstrijd; partij; spel; kamp; match; strijd; wedkamp
試合 shiai [maatwoord voor wedstrijden]; ; (1) wedstrijd; partij; match; spel; potje; [sportt.] nummer; treffen; [i.h.b.] concours; toernooi; (2) [fig.] strijd; worsteling; gevecht
sen (1) -gevecht; -oorlog; -oorlogvoering; -strijd; (2) -competitie; -wedstrijd; (3) -campagne
戦争する sensousuru strijd; oorlog voeren; oorlogen; strijden; [lit.t.] krijg voeren; [lit.t., w.g.] krijgen
戦争 sensou (1) oorlog; gewapende strijd; vijandelijkheden; [lit.t.] krijg; [euf.] conflict; (2) [fig.] strijd
戦闘 sentou slag; veldslag; strijd; gevecht; vijandelijkheden; actie; [veroud.] kamp
取り組み torikumi (1) [sportt.] wedstrijd; match; kamp; partij; strijd; gevecht; (2) aanpak; benadering; insteek; (3) [hand.] koop en verkoop op markt; beurs; omzet; (4) [hand.] wisseltrekking
闘争 tousou strijd; gevecht; worsteling; kamp
戦い tatakai (1) strijd; gevecht; vechtpartij; kamp; oorlog; treffen; worsteling; bestrijding; (2) slag; veldslag; (3) competitie; wedstrijd; match; partij; [i.h.b.] duel
バトル batoru (1) slag; veldslag; strijd; gevecht; treffen; (2) Battle
ファイト fuxaito (1) [bokssp.] doorvechten!; (2) [als aanmoedigingskreet] hup!; zet 'm op!; aanvalluh!; ; (1) gevecht; strijd; [veroud.] kamp; [i.h.b.] boksgevecht; bokswedstrijd; (2) strijdlust; vechtlust; weerbaarheid; moreel
紛争 funsou geschil; conflict; twist; strijd; onenigheid
会戦 kaisen slag; strijd; gevecht; treffen; vijandelijke ontmoeting; rencontre; vijandelijkheden; schermutseling
足掻き agaki (1) [馬の] getrappel; gestampvoet; [w.g.] trappeling; (2) beweging met handen en voeten; sparteling; gespartel; gewriemel; gekronkel; (3) gewoel; drukte; (4) worsteling; gevecht; strijd
争い arasoi (1) wedijver; competitie; rivaliteit; strijd; concurrentie; mededinging; wedloop; worsteling; (2) ruzie; onenigheid; twist; geschil; conflict; tweedracht; vete; [inform.] bonje; onmin; controverse; dispuut; kibbelarij; schermutseling; polemiek
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.63 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 18 treffers (zoekopdracht: 'strijd', strategie: exact). 
2005-2019