日蘭辭典+

33 resultaten voor ‘tegen’
日蘭辭典 (trefwoord)
amaru餘る
(余る) i.w. (1) [殘る] overblijven; te boven gaan; overschieten; resteeren. (2) [目に餘る] te groot om te overzien (餘り大きい); niet om aan te zien (餘りひどい). ¶ 力に餘る boven zijn krachten; boven zijn macht. ¶ 手に餘る niet te bedwingen; niet aankunnen; niet opgewassen zijn tegen.
amayadori雨宿り
amayoke雨除け
(雨避け) zn. afdak o.; schuilplaats tegen den regen.
asa
zn. morgen m.; ochtend m. ¶ から晚迄 van den morgen tot den avond. ¶ 方に tegen den morgen. ¶ は ’s morgens; des ochtends. ¶ morgen.
aihansuru相反する
i.w. zich verzetten tegen; opponeeren tegen. ¶ 相反せる tegengesteld.
akegata明方
(明け方) zn. dageraad m.; morgen. m. ¶ 明方に tegen den morgen.
de
vz. (1) [時間の場合] in; over; op. (2) [場所の場合] in; op; te. (3) [手段の場合] door; door middel van; per; met. (4) [年齡の場合] op. (5) [材料の場合] van. (6) [乘物の場合] per; met. (7) [價格の場合] voor; tegen. (8) [原因の場合] door; in verband met; naar aanleiding van; wegens. (9) [用語の場合] in. ¶ 一箇月で出來ます het is over een maand klaar. ¶ 銀座で逢ふ in de Ginza elkaar ontmoeten. ¶ 東京in Tokyo. ¶ バタビヤで op Batavia. ¶ の前で voor. ¶ の外で buiten. ¶ ひきで door protectie. ¶ 手紙per brief. ¶ 時間で借りる per uur huren. ¶ 斤で賣る per pond verkoopen. ¶ 廿歳で op zijn twintigste jaar. ¶ 作る van hout maken. ¶ 汽車で per spoor; met den trein. ¶ 一圓で賣る voor een yen verkoopen. tegen een yen verkoopen. ¶ 氣で缺席する wegens ziekte afwezig zijn. ¶ 肺病で死ぬ aan tering sterven. ¶ 蘭語in het Hollandsch.
batō罵倒
zn. afkeurende kritiek o; afbreken o.; geschetter o,; uitschelden o. ¶ 罵倒する schelden op; uitschelden; afbreken; schetteren tegen.
bōkan防寒
yōjin用心

zn. bedachtzaamheid v.; zorgzaamheid v.; behoedzaamheid v.; voorzichtigheid v. ¶ 用心深い behoedzaam; bedachtzaam; voorzichtig; zorgzaam; ¶ 用心する behoedzaam zijn; waken tegen; zorgen; op zijn hoede zijn. ¶ 用心knuppel als voorzorg; persoon in reserve. ¶ 用心reserve fonds; fonds voor onvoorziene uitgaven.

SUPPLEMENT (trefwoord)
kuroguro黒々
(黒黒) (meest bv of bw gebruikt) 黒々と kuroguro to; 黒々とした kuroguro to shita (zelden: 黒々の kuroguro no) pikzwart; diepzwart. ¶ 島は月光の中に黒々と見えた。 Shima wa gekkō no naka ni kuroguro to mieta. Het eiland stak diepzwart af tegen het maanlicht.
sūnin数人
zn, no-adj. meerdere mensen; een aantal mensen. ¶ 部屋には数人の学生がいた。 Heya ni wa sūnin no gakusei ga ita. Er waren een aantal studenten in de kamer. (TTC) ¶ 彼らうち数人がその法案に反対である。 Karera no uchi sūnin ga sono hōan ni hantai de aru. Een aantal van hen was tegen het wetsvoorstel. (TTC) ¶ 数人の人たちが負傷して横たわっていた。 Sūnin no hitotachi ga fushōshite yokotawatte ita. Meerdere mensen lagen gewond neer. (TTC) ¶ 数人の若い技師が雇われ、彼ら新しいコンピューターの開発に専念した。 Sūnin no wakai gishi ga yatoware, karera wa atarashii konpyūtā no kaihatsu ni sennenshita. Er waren een aantal jonge ingenieurs te werk gesteld, en ze waren totaal toegewijd aan het ontwikkelen van een nieuwe computer. (TTC) ¶ この夏休みに数人の友達と、伊豆半島を歩いて一周するのを楽しみにしています。 Boku wa kono natsuyasumi ni sūnen no tomodatchi to, Izu hantō wo aruite isshūsuru no wo tanoshimi ni shite imasu. Ik kijk er naar uit om deze zomervakantie met een aantal vrienden te voet het schiereiland Izu te gaan verkennen. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <tegen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
向こうの mukouno (1) ginds; [arch.] gene; het; de … daarginder; (2) tegenoverliggend; tegenoverstaand; tegen-; over-; (3) zijn; haar; hun; … van de wederpartij; tegenpartij
jiki (1) zo; dadelijk; meteen; direct; onmiddellijk; gelijk; in een ogenblik; strakjes; gauw; binnen korte tijd; spoedig; binnenkort; [pred.] op handen; (2) dichtbij; nabij; kortbij; vlakbij; dicht in de buurt; vlak naast; bijna; welhaast; tegen
締める (bet. 1, 3-5) shimeru (1) [帯を] aanhalen; omdoen; omgorden; strak trekken; verstrakken; gespannen maken; aanspannen; opspannen; spannen; aanzetten; aansnoeren; vastsnoeren; [栓を] vastdraaien; aandraaien; dichtdraaien; [ねじで] aanschroeven; (2) wurgen; kelen; doen stikken; verwurgen; smoren; verstikken; de strot dichtknijpen; de keel toeknijpen; [w.g.] stranguleren; [m.b.t. pluimvee] de nek omdraaien; [euf.] slachten; [arch.] worgen; (3) afronden; sluiten; [勘定を] afsluiten; [i.h.b.] (alles) bij elkaar optellen; rekenen; nemen; [i.h.b.] sommeren; (4) streng zijn voor; tegen; goed in bedwang hebben; kort houden; [uitdr.] de teugels aanhalen; [uitdr.] de schroeven wat aandraaien; (5) bezuinigen (op); besparen (op); besnoeien (op); zuinig; spaarzaam zijn (met); matigen; economiseren; [m.b.t. uitgaven] inperken; beperken; inkrimpen; bekrimpen; terugbrengen; [uitdr.] de buikriem; broekriem aanhalen; versoberen; [m.b.t. overheid, fig., euf.] ombuigen; (6) [cul.] met zout of azijn behandelen (zodat het (vis)vlees stevig wordt); [i.h.b.] pekelen; [i.h.b.] marineren; [塩で] zouten; [酢で] met azijn behandelen
goro omstreeks; tegen; omtrent; ongeveer; rond; om en bij de; het; naar ~ toe
前後 zengo tegen; rond; omstreeks; omtrent; om en (na)bij; circa; (zo) ongeveer; zo'n; zowat; in de buurt van; ; (1) voor- en achterkant; voor- en achterzijde; [loc.] voor en achter; [loc.] voor- en achteraan; [loc.] ervoor en erachter; [loc.] voor- en achterwaarts; (2) voor en na; tevoren en daarna; ervoor en erna; voor- en achteraf; [i.h.b.] consequenties
短所 tansho gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; fout; mankement; tekort; behepsel; euvel; zwakke plek; plaats; zijde; zwak punt; zwakte; zwakheid; nadeel; ongunstige factor; min(punt); tegen; deficiëntie; imperfectie; onvolmaaktheid; manco; defect; [form.] feil
tai (1) tegen; versus; vs.; contra; anti-; tegenover; jegens; ten opzichte van; vis-à-vis; [wedstrijd enz.] tussen [x] en [y]; [uitvoer enz.] naar; [onderhandelingen enz.] met; (2) [een verhouding van x] tegen [y]; bij; (3) voet van gelijkheid; gelijke voet; (4) tegengestelde; tegenovergestelde; tegendeel; omgekeerde; convers
対する taisuru (1) staan; liggen tegenover; uitzien op; uitkijken op; zich gesteld; geplaatst zien voor; zich in tegenwoordigheid bevinden van; bejegenen; omgaan met; [m.b.t. klanten] bedienen; [i.h.b. meetk.] onderspannen; (2) daartegenover; daarentegen; vergeleken met; [i.h.b.] in tegenstelling tot; (3) jegens; tegen; tegenover; ten aanzien van; naar (~ toe); voor; tot; (4) het opnemen tegen; tegenstreven
迄に madeni tegen; tegen dat ~; zo tegen ~
mae (1) 11. [wordt gevoegd achter een meishi of een dōshi in de ren'yōkei; geeft een zekere portie aan]; (2) 12. -heid [suffix dat de hoedanigheid van het grondwoord (steeds een menselijke eigenschap) benadrukt]; ; (1) voor; voren; (2) voorkant; front; voorzijde (van een lichaam); [i.h.b.] borststuk; (3) voorstuk; voorste deel; kop; hoofd; (4) confrontatie; het onder ogen hebben; (5) [in] aanwezigheid [van]; [in het] bijzijn [van]; [in het] aanschijn [van]; [in het] aangezicht [van]; [ten] overstaan [van]; tegenover ~; tegen ~; (6) geleden; tevoren; terug; voor; voorheen; vroeger; voordien; (7) (onmiddellijk) voorafgaand (aan); voor; vorig; voormalig; voorgaand; bovenstaand; eerder; eerstgenoemd (van twee); (8) eerdere veroordeling; (9) in overeenstemming met; zoals ~ [(arch.) in de constructie ~ no mae ~の前]; (10) 10. Vrouwe ~ [(arch.) in de constructie ~ no mae ~の前; suffix ter betiteling van een adellijke dame]
gyaku tegenovergesteld; tegen; ; het tegenovergestelde
逆起電力 gyakukidenryoku [elektr.] tegen-elektromotorische kracht
寄り添う yorisou aan gaan liggen; zitten; staan tegen; zich nestelen bij; tegen; dicht aankruipen tegen; zich aanvlijen tegen; kroelen
反対 hantai anti-; tegen-; contra-; ; (1) tegenovergestelde; tegendeel; omgekeerde; tegengestelde; (2) verzet; tegenstand; oppositie; weerstand; het tegen; tegenwerping; bedenking
を相手取って woaitedotte tegen; contra; versus; [afk.] v.; [afk.] vs.
当てる ateru (1) [ガーゼを] aanbrengen; [体温計を] aanleggen; zetten; leggen; opleggen; houden aan; tegen; plaatsen; drukken; (2) treffen; slaan tegen; inslaan in; raken; (3) raden; gokken op; oplossen; (4) winnen; succes behalen; boeken; het maken; z'n slag slaan; (5) blootstellen; in contact brengen met; onderwerpen aan; (6) gaan zitten op; plaatsnemen op; (7) [生徒に] het woord geven aan; de beurt geven; om antwoord vragen
当たる ataru (1) raken; treffen; slaan; botsen tegen; stoten op; [gew.] hitten; itten; (2) [的に] raak zijn; doel treffen; aankomen; (3) [光; 雨; 風が] reiken; inwerken; vallen in; invallen; (4) pijn doen aan; deren; schrijnen; [果物は] gekneusd raken; bruine plekken krijgen; (5) [宝くじで] prijs hebben; in de prijzen vallen; [一等に] winnen; (6) [予測が] uitkomen; kloppen; (7) [批判が] terecht zijn; opgaan; (8) [芝居は] een succes zijn; (9) [果物が] goed vrucht dragen; (10) 10. [フグに] vergiftigd raken; (11) 11. [敵に] het opnemen tegen; ertegenaan gaan; bevechten; (12) 12. [日曜日に] vallen op; overeenkomen met; [百円に] overeenstemmen met; corresponderen met; [東に] liggen; (13) 13. [難局に] aanpakken; bij de hoorns vatten; pakken; (14) 14. uithalen naar; tegen; zich afreageren op; (15) 15. [辞書; 出典に] raadplegen; naslaan; [本人に] aftoetsen; (16) 16. [課題が] toegewezen; toebedeeld krijgen; belast worden met; op z'n bord krijgen; opdraaien voor; aan bod komen; aan de beurt komen; (17) 17. [任に] zich bezighouden met; waarnemen; op zich nemen; (18) 18. [honkb.] vaak hits of homeruns scoren; (19) 19. [mahjong] promoveren; (20) 20. [ゴマを] fijnmalen; fijnstampen; vijzelen; (21) 21. [ひげを] scheren; (22) 22. [魚が] in het aas bijten; aanbijten
仰ぐ aogu (1) opkijken; de ogen opslaan; omhoogzien; (2) opzien tegen; opkijken naar; tegen; bewonderen; hoogachten; eerbiedigen; respecteren; (3) [助言を] vragen; verzoeken om; inwinnen; (4) rekenen op; zich wenden tot; steunen op; afhangen van; afhankelijk zijn van; (5) [毒を] innemen
に対し nitaishi tegen; tegenover; [afk.] tgov.; jegens; bij; in tegenstelling tot; met; [afk.] i.t.t.; onderscheiden van; [m.b.t. evenredigheid] op; per
に対して nitaishite tegen; tegenover; [afk.] tgov.; jegens; in tegenstelling tot; met; [afk.] i.t.t.; onderscheiden van; [m.b.t. evenredigheid] op; per
に対する nitaisuru tegen; tegenover; [afk.] tgov.; jegens; in tegenstelling tot; met; [afk.] i.t.t.; onderscheiden van; [m.b.t. evenredigheid] op; per
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.38 sec. jiten.nl: 12 treffers, warandict: 21 treffers (zoekopdracht: 'tegen', strategie: exact). 
2005-2019