日蘭辭典+

18 resultaten voor ‘tekort’
日蘭辭典 (trefwoord)
ashi
zn. (1) [] voet m. (2) [脚] been o. (3) [動物の] poot m. (4) [器物の支へ] voet m.; poot m.; voetstuk. (5) [步調] stap m.; pas m. (6) [不金] tekort o. ¶ が出る het geld is niet voldoende. ¶ を出す tekort komen. ¶ を揃へる in den pas loopen;
kesson缺損
(欠損) zn. nadeel o.; schade v.; tekort缺損する schade lijden; tekort komen.
tenpo填補
zn. aanvulling v.; (填充) opvulling v.; vulling v. ¶ 填補する aanvullen. ¶ 缺損を填補する tekort aanvullen; verlies dekken. Noot: 填充 = 充填.
kakeru缺ける
(欠ける) i.w. (1) [怠る] tekort schieten in; nalatig zijn in; in gebreke blijven; t.w. veronachtzamen; verzuimen. i.w. (2) [破損] beschadigd zijn. (3) [不足] ontbreken. ¶ が虧けて行く de maan is aan het afnemen.
kyōkyū供給

zn. voorziening v.; levering v. ¶ 供給過多 te groote voorraad. ¶ 供給不足 tekort. ¶ 供給する leveren. ¶ 供給物 geleverde goederen; voorraad. ¶ 需要供給 vraag en aanbod.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <tekort>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ketsu (1) gebrek; tekort; (2) absentie; afwezigheid; no-show; ; (1) a. missen; ontbreken; schorten; (2) b. absentie; afwezigheid; lege; opengevallen plaats
欠陥 kekkan (1) gebrek; fout; tekortkoming; onvolmaaktheid; lichamelijk gebrek; karakteriële onvolmaaktheid; karakterieel gebrek; vervelende karaktertrek; (2) tekort; schaarste; gebrek; toestand van onvoldoende beschikbaarheid van iets
欠如 ketsujo gebrek; tekort; gemis; afwezigheid; manco; ontstentenis; ontbering; behoefte
欠乏 ketsubou tekort; gebrek; gemis; behoefte; schaarste; ontbering; deficiëntie
tan kort; kortstondig; ; (1) gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; fout; mankement; tekort; behepsel; euvel; zwakke plek; plaats; zijde; zwak punt; manco; defect; [form.] feil; (2) [muz.] mineur; (3) tanka [verkorting van tanka 短歌]
短所 tansho gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; fout; mankement; tekort; behepsel; euvel; zwakke plek; plaats; zijde; zwak punt; zwakte; zwakheid; nadeel; ongunstige factor; min(punt); tegen; deficiëntie; imperfectie; onvolmaaktheid; manco; defect; [form.] feil
マイナス mainasu (1) [wisk.] min; minus; [i.h.b.] minteken; aftrekking; [i.h.b.] subtractie; (2) negatief; [meteorologie] onder nul; onder het vriespunt; (3) nadeel; minpunt; min; (4) deficit; tekort; manco; verlies; passief (saldo); rode cijfers; (5) minuspool; minpool; kathode; elektronegatief ~
不足 fusoku (1) ontoereikend; insuffisant; onvoldoend; ongenoegzaam; inadequaat; deficiënt; (2) ontevreden; onvoldaan; misnoegd; ; (1) gebrek; ontoereikendheid; ongenoegzaamheid; inadequatie; inadequaatheid; tekort; nood; behoefte; deficiëntie; schaarste; krapte; (2) ontevredenheid; ongenoegen; onvrede; misnoegdheid; onvoldaanheid; misnoegen; mishagen; [veroud.] ongeneugte
不備 fubi (1) gebrek; onvolkomenheid; ontoereikendheid; tekort; gebrekkigheid; leemte; deficiëntie; defect; tekortkoming; imperfectie; onvolmaaktheid; mankement; inadequatie; inadequaatheid; lacune; [fig.] maas; (2) [aan het einde van een brief; bericht] met haastige groet
ashi 31. circa …; ongeveer …; ; (1) [anat.] been; poot; [inform.] stelt; [烏賊; 蛸の] arm; tentakel; (2) [anat.] voet; (3) mannelijk geslachtsdeel; derde been; (4) [fig.] poot; onderstel; stut; [山の] voet; [旗の] vlucht; (5) [wisk.] voet; voetpunt; (6) onderste gedeelte van een Chinees karakter; (7) ashikanamono [= metalen ringen aan een zwaardschede ter bevestiging van rijgsnoeren]; (8) stap; tred; schrede; pas; gang; loop; tempo; (9) [paardensport] [馬の] gang; snelheid; (10) 10. [scheepv.] vaart; snelheid; (11) 11. [scheepv.] levend werk [= deel van een schip dat zich in het water bevindt]; diepgang; (12) 12. [scheepv.] stabiliteit; stijfheid; (13) 13. [客の] bezoek; aanloop; opkomst; klandizie; (14) 14. [犯人の] gangen; spoor; [i.h.b.] vluchtroute; (15) 15. aanwijzing; spoor; aanknopingspunt; (16) 16. [雨; 雲; 風の] drift; gesteldheid; (17) 17. vervoer; transport; vervoermiddel; transportmiddel; [meton.] gelegenheid; (18) 18. transportkosten; vervoerkosten; vervoerprijs; reiskosten; (19) 19. geld; geldmiddelen; middelen; (20) 20. [武士の] dotatie; apanage; toelage; (21) 21. rente; interest; intrest; (22) 22. verlies; derving; tekort; gebrek; [i.h.b.] schuld; (23) 23. [beurst.] koers; marktbeweging; trend; tendens; (24) 24. [食べ物の] houdbaarheid; (25) 25. [餅の] kleverigheid; plakkerigheid; (26) 26. [酒の] kwaliteit; karakter; (27) 27. [網目の] maaswijdte; (28) 28. [柿葺きで] overstek [= afstand waarmee de ene dakspaan over de andere uitsteekt]; (29) 29. poppenspeler die het voetenwerk van een marionet bedient; (30) 30. prostituee; liefje
aka 22. volkomen …; op-en-top …; geheel en al …; ; (1) rood [= de kleur █]; (2) roodbruin [= de kleur █]; (3) [hofdamesjargon] azuki; adukiboon; (4) baby; kindje; (5) rode rijst; (6) roodkoper; (7) sake; (8) [cul.] roodbruine miso; (9) tekort; deficit; rode cijfers; roodstand; rood; (10) 10. laatste tram; laatste trein; (11) 11. laatste bus; (12) 12. rood licht; rood verkeerslicht; stoplicht; (13) 13. [sportt.] rode ploeg; (14) 14. [pol.] rood; [i.h.b.] een rooie; (15) 15. [kaartsp.] twaalf rode kaarten in het mekuri-kaartspel; (16) 16. [kaartsp.] aka [= naam van elk van de drie vijfpuntenkaarten in het hanafuda-kaartspel; voorgesteld door een rode papierstrook over een patroon van resp. pijnboomen; pruimenbomen en sierkersen]; [meton.] stel van drie aka-kaarten; (17) 17. [Barg.] brand; vuur; [i.h.b.] vuurtje; lucifer; (18) 18. [Barg.] inbraak na het openbranden van het slot; (19) 19. [Barg.] bloed; [i.h.b.] menstruatie; [vulg.] de rooie loop; (20) 20. [Barg.] diefstal van metaalgeld; (21) 21. [krantenjargon] kosteloze advertentie; gratis krant
赤字 akaji (1) tekort; deficit; nadelig saldo; negatieve balans; minus; verlies; rode cijfers; roodstand; rood; passief; [w.g.] negatief; [Belg.N., fin.] mali; (2) rode letter; rood teken
ana (1) gat; opening; holte; spleet; bres; perforatie; porie; [針の] oog; (2) holte; kuil; put; uitholling; (3) hol; grot; spelonk; nis; [dierk.] leger; kuil; burcht; (4) [mijnb.] schacht; (5) [fin.] put; verlies; deficit; tekort; derving; (6) leemte; hiaat; lacune; gebrek; gemis; defect; euvel; onvolkomenheid; het ontbrekende; mankement; tekortkoming; zwak punt; zwakke plek; (7) schuilplaats; stek; stekkie; wijkplaats; (8) aanrader voor insiders; weinig bekende toplocatie; verborgen parel; (9) [paardenrennen; keirin] verrassende uitslag; (10) 10. [paardenrennen; keirin] dark horse; outsider; niet-favoriete mededinger; (11) 11. [ton.] zitplaatsen gelijkvloers; parterre; (12) 12. graf; (13) 13. [Edo-Barg.] inside-information
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.66 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 13 treffers (zoekopdracht: 'tekort', strategie: exact). 
2005-2019