日蘭辭典+

16 resultaten voor ‘toegeven’
日蘭辭典 (trefwoord)
makeru負ける
i.w. (1) [敗北する] verslagen zijn; nederlaag lijden; overwonnen worden; t.w. het verliezen. i.w. (2) [屈服する] zich gewonnen geven; toegeven. t.w. (3) [を] laten afdingen; verlagen; reduceeren; verminderen. ¶ 負ける tien cent laten afdingen; het een dubbeltje goedkooper geven. ¶ 五に負ける vijf yen laten.
nabiku靡く
i.w. buigen; zich buigen; toegeven (服從). ¶ に靡く bukken voor de macht van het geld. ¶ 稻がに靡いてゐる de rijsthalmen golven in den wind.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <toegeven>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
退く shirizoku (1) zich terugtrekken; zich verwijderen; aftrekken; zich retireren; verlaten; (2) teruggaan; achteruitgaan; wijken; [fig.] toegeven
ju [boeddh.] vedanā [= waarneming]; ; (1) a. ontvangen; krijgen; (2) b. gehoor geven; toegeven; (3) c. ondergaan; incasseren
自白する jihakusuru bekennen; toegeven; belijden; avoueren; opbiechten
自供する jikyousuru bekennen; erkennen; toegeven; getuigen; getuigenis afleggen; verklaren
認める mitomeru (1) opmerken; zien; bespeuren; bekennen; waarnemen; in de gaten hebben; getuige zijn van; (2) [schuldig enz.] bevinden; vinden; achten; menen; oordelen; beschouwen; aanzien; houden voor; van mening zijn dat; (3) toegeven; erkennen; inzien; aanvaarden; accepteren; aannemen; honoreren; goedkeuren; toelaten; toestaan; sanctioneren; (4) erkennen; waarderen; appreciëren
告白する kokuhakusuru (1) bekennen; erkennen; toegeven; belijden; avoueren; [愛を] verklaren; (2) biechten; opbiechten
参る mairu (1) komen; gaan; (2) ter kerke gaan; naar [de tempel, het heiligdom, een graf] gaan; een eredienst bijwonen; (3) zich gewonnen geven; zich overgeven; het afleggen; zich verloren geven; kamp geven; zwichten; het opgeven; toegeven; [pregn.] inleveren; verslagen zijn; de handdoek in de ring gooien; de handdoek in de ring gooien; aan het kortste eind trekken; onder het juk door gaan; [Barg.] het laten afknappen; (4) [m.b.t. probleem] er niet met zijn pet bijkunnen; niet op kunnen tegen; er geen raad mee weten; niet de baas kunnen; niet opgewassen zijn tegen; ergens niet van terug hebben; ergens niet tegen kunnen; niet uit de voeten kunnen met; (5) weg zijn van; [uitdr.] plat gaan voor; smoor zijn op; gek zijn op; aan iemands voeten liggen; zich laten inpakken; weglopen met; vallen voor; verkikkerd raken op; verkocht zijn; (6) verzwakken; achteruitgaan; [i.h.b.] uitgeput zijn; uitgeteld zijn; afgemat zijn; het loodje leggen; in het voetzand geraken; de pijp aan Maarten geven; sterven; (7) [beleefdheidsvorm in het adres van een brief]; ; gaan …; komen …
負ける makeru (1) afprijzen; de prijs verminderen; in prijs verlagen; korting geven; reductie geven; goedkoper geven; er wat afdoen; [x% van de prijs enz.] aftrekken; in mindering brengen; [i.h.b.] toegeven; extra geven; (2) door de vingers zien; oogluikend toelaten; over zijn kant laten gaan; ; (1) verliezen; [sportt.] onderuitgaan (tegen); het afleggen tegen; een nederlaag lijden; klop krijgen; [i.h.b.] succumberen; [Belg.N.] de duimen leggen; het onderspit delven; in het stof bijten; in het zand bijten; aan het kortste eind trekken; [uitdr.] voorgaats gaan; [uitdr., volkst.] de vellen krijgen; (2) zwichten; bezwijken voor; onderdoen voor; de mindere zijn van; achterstaan bij; toegeven aan; de wijste zijn; wijken voor; buigen; opzij gaan voor; zich onderwerpen; zich overgeven aan; zich neerleggen; (3) [vol uitslag enz.] komen te zitten; [uitslag e.d.] krijgen; reageren op; een fysieke reactie vertonen op
吐く haku (1) spuwen; [spreekt.] spugen; opgeven; opspuwen; ophoesten; uitkotsen; (2) braken; overgeven; opgeven; [inform.] kotsen; vomeren; [uitdr., volkst.] over zijn nek gaan; [uitdr., volkst.] rendez-vous houden; spelen; [uitdr.] aan Neptunus offeren; (3) uiten; zeggen; uiting geven aan; luchten; slaken; uitdrukken; laten zien; uitspreken; [fig.] spuien; (4) uitstoten; uitwerpen; uitbraken; uitspuwen; [rook enz.] uitademen; [spreekt.] uitspugen; afgeven; afscheiden; van zich doen uitgaan; (5) [泥を] bekennen; opbiechten; toegeven; doorslaan; [Barg.] kotsen; [Barg.] poekelen; [Barg., uitdr.] poep van zeike gaan
白状する hakujousuru bekennen; toegeven; erkennen; opbiechten
プラスする purasusuru optellen; toegeven; erbij doen; bijvoegen; toevoegen; bijdragen
折れる oreru (1) plooien; [i.h.b.] dubbelplooien; (2) breken; afbreken; knappen; [ぽきっと] afknappen; knakken; het begeven; (3) zwenken; afbuigen; afdraaien; afslaan; draaien; een bocht; draai maken; (4) plooien; bijdraaien; tegemoetkomingen doen; toegeven; inbinden; door de bocht gaan; wijken; zwichten; zich gewonnen geven; zich onderwerpen; zich neerleggen; (5) [腰句が] haperen; niet lopen; (6) [Barg.] sterven; doodgaan
我を折る gawooru toegeven; inleveren; zich matigen; water in z'n wijn doen; water bij de wijn doen; een minder hoge toon aanslaan; z'n eisen verminderen; terugkrabbelen; achteruitkrabbelen; bakzeil halen
譲る yuzuru (1) afstaan; [zijn ambt] overdragen; overlaten; uit handen geven; overleveren; overgeven; overhandigen; [eigendom] vervreemden; [onroerend goed] vermaken; nalaten; legateren; legeren; (2) verkopen; (3) wijken; toegeven; opgeven; zwichten; (4) [de bal] afgeven; [voorrang] geven; [van plaats] wisselen; verruilen; laten voorgaan; (5) uitstellen; opschorten; verschuiven (tot later); wegleggen; sparen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.37 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 14 treffers (zoekopdracht: 'toegeven', strategie: exact). 
2005-2019