日蘭辭典+

45 resultaten voor ‘toestand’
日蘭辭典 (trefwoord)
anbai鹽梅
(塩梅) zn. (1) [調味] smaak m. (2) [狀態] toestand m. (3) [手段] manier v.; wijze v. (4) [配列] orde v. ¶ 鹽梅する (配列) arrangeeren; groepeeren; sorteeren. ¶ 味を附ける kruiden. ¶ の鹽梅 temperatuur van het bad. ¶ 鹽梅は如何ですか hoe gaat het er mee? hoe staat het er mee?
arisama有樣
(有り様・有様) zn. toestand m.; omstandigheiden v.mv.; situatie v.; staat m.; staat van zaken.
jitai事態
zn. staat van zaken; toestand m.; omstandigheiden v.mv.; de tijden m.mv.
jitsu
() zn. (1) [眞實] waarheid v.; werkelijkheid v.; ware toestand m. (2) [誠意] oprechtheid v. (3) [割算] factor m.; getal dat gedeeld kan worden op. ¶ を明かす de waarheid aan het licht brengen. ¶ を盡す oprechtheid toonen; vriendelijkheid bewijzen. ¶ は inderaad; feitelijk. ¶ を言へば om de waarheid te zeggen; ronduit gezegd; openhartig gesproken. ¶ werkelijk; waar; feitelijk. ¶ inderdaad; zeer (甚だ).. ¶ らしい aannemelijk; plausibel.
chōshi調子
zn. (1) [音調] toon m.; klank m. (2) [工合] manier van doen; conditie v.; toestand m.; stemming v. (3) [拍子] maat v. ¶ 調子を合はせる stemmen. ¶ 調子の合はぬ valsch. ¶ 此の調子で行けば年内に終へる op die manier komt het werk in een jaar gereed. ¶ 調子づく goed gestemd. ¶ 調子に乘る opgewonden door succes. ¶ 調子のいゝ人 iemand met tact; iemand, die gemakkelijk is in den omgang.
sama
(様) zn. (1) [有樣] toestand m. (2) [體裁] uiterlijk o.; vorm m. (3) [敬稱] (男) heer m.; mijnheer m.; mevrouw (夫人) v.; jongeheer (十六歳以下の男) m.; (お孃さん) juffrouw v.; mejuffrouw v.; jongejuffrouw (十六歳以下の) v.
kyōgū境遇
zn. omstandigheden v.mv.; toestand m.; omgeving v. ¶ 境遇は人を造る de mensch is het product van zijne omgeving. ¶ 境遇に適應する zich aan de gelegenheid passen.
kyoku
zn. (1) [官衙] bureau o.; kantoor v. (2) [碁局] schaakspel o. (3) [時局] toestand m.; situatie v. (4) [結局] einde v.; conclusie v. (5) [當局] autoriteit v. ¶ 局に當たる een zaak ter hand nemen. ¶ 局を結ぶ tot een einde komen; afloopen.
shūtai醜態
zn. ergerlijke toestand m.; onbetamelijkheid v.; onfatsoenlijk gedrag o. ¶ 醜態を顯はす zich aanstootelijk vertoonen.
mama
(まま) bw. (1) [其の儘] zooals het is; in den tegenwoordigen toestand. (2) [意の] naar verkiezen; zoals men wil. ¶ で met zijn schoenen aan. ¶ 聞いた話す vertellen zooals men het gehoord heeft. ¶ もとのである hetzelfde gebleven zijn; onveranderd zijn. ¶ 何卒其 derangeer u niet; blijft toch zitten. ¶ 思ふする doen wat men wil; zijn eigen zin doen. ¶ なるなら als ik mijn zin kreeg. ¶ そのにして置く het erbij laten; geen moeite doen het te veranderen.
suitai醉態

(酔態) zn. dronkenschap v.; beschonken toestand m.; kennelijke staat van dronkenschap.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <toestand>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
模様 moyou (1) patroon; dessin; tekening; motief; (2) aanzicht; voorkomen; aanblik; indruk; teken; toestand; gesteldheid; omstandigheden; stand van zaken
ステート suteeto (1) staat; natie; rijk; (2) deelstaat; (3) toestand; staat; (4) stand; rang
ステイタス suteitasu (1) status; standing; sociale; maatschappelijke positie; (2) stand; toestand; (3) [ホテル; レストランの] aantal reserveringen
姿 sugata gekleed als ~; gestoken in ~; ; (1) figuur; gedaante; gestalte; vorm; [arch.] gestaltenis; (2) voorkomen; verschijning; (3) toestand; staat; gesteldheid
具合 guai (1) staat; toestand; situatie; (2) gezondheidstoestand; (3) gelegenheid; goede gelegenheid; gepastheid; geschiktheid; (4) fatsoen; goede manieren; (5) manier; methode; wijze van doen; wijze van handelen
景気 keiki (1) wereld; dingen; zaken; tijden; (2) conjunctuur; toestand; gesteldheid van de economie; omstandigheden van de handel; marktsituatie; (3) welvaart; bloei; voorspoed
気色 keshiki (1) uitdrukking; humeur; (2) teken; indicatie; aanwijzing; (3) toestand; aanblik; uitzicht; (4) allusie; zinspeling; suggestie; voorafschaduwing; (5) zweem; vage aankondiging; (6) gunst; begunstiging; gratie
内情 naijou interne aangelegenheden; toestand; situatie; inside informatie; fijne van de zaak
事態 jitai situatie; toestand; de dingen; de zaak; de (stand van) zaken; omstandigheden
時局 jikyoku situatie; toestand; stand van zaken
情勢 jousei toestand; stand van zaken; situatie; omstandigheden; constellatie
状態 joutai toestand; gesteldheid; staat; stand (van zaken); status; omstandigheden; gebeuren; situatie; gelegenheid; conditie; constellatie; [inform.] bedoening
jou (1) gevoel; emotie; (2) menselijkheid; inleving; betrokkenheid; attentheid; mededogen; medeleven; (3) liefde; gehechtheid; affectie; genegenheid; hart; (4) lust; begeerte; (5) smaak; charme; karakter; (6) toestand; gesteldheid; situatie; (7) reden; grond
状況 joukyou omstandigheden; situatie; toestand; staat; stand van zaken; gebeuren
jou (1) -brief; (2) -achtig; -ig; -(ge)lijk; als (van) een ~; gelijkend op ~; -vormig; in de vorm van ~; ; (1) omstandigheden; situatie; toestand; staat; gesteldheid; (2) voorkomen; uitzicht; schijn; (3) brief; schrijven; [scherts.] epistel; [i.h.b.] verslag; bericht; kennisgeving; rapport
情景 joukei (1) stemming en natuurschoon; gemoeds- en natuurgesteldheid; (2) tafereel; schouwspel; gezicht; toestand; omstandigheid; situatie
実際 jissai (1) [boeddh.] bhūtakoṭi [= ultieme realiteit]; (2) realiteit; werkelijkheid; (bestaande) situatie; toestand; ware toedracht; feitelijkheid; (3) praktijk; praktische kant; ; (1) echt; inderdaad; werkelijk; waarlijk; (2) eigenlijk; feitelijk; in wezen; in feite; in werkelijkheid; in praktijk; daadwerkelijk
事情 jijou omstandigheden; toestand; situatie; stand van zaken; zaken; [i.h.b.] redenen
koshi (1) middel; taille; lende; heup; (2) taille; taille van een kledingstuk; deel van een kledingstuk dat het middel omgeeft; (3) de voet van een glas; (4) houding; toestand
koto (1) ding; voorwerp; zaak; (2) zaak; aangelegenheid; affaire; omstandigheid; belang; (3) probleem; vraagstuk; kwestie; vraag; (4) feit; feitelijkheid; (5) omstandigheid; omstandigheden; toestand van een zaak; staat van zaken; toestand; situatie; (6) geval; (7) voorval; incident; onverwachte gebeurtenis; ongewone gebeurtenis; (8) ongeluk; ongeval; tegenspoed; pech; onheil; moeilijkheid; verwikkeling; (9) werk; werkzaamheid; ambtelijke werkzaamheid; functie; taak; opdracht; plicht; wat van iemand geëist wordt; (10) 10. oorzaak; motief; reden; beweeggrond; (11) 11. ervaring; ondervinding
光景 koukei (1) zicht; gezicht; schouwspel; tafereel; aanblik; (2) toestand; conditie; situatie; (3) landschap; uitzicht; zicht
対局 taikyoku (1) partijtje go; shogi; (2) confrontatie met de situatie; toestand
体調 taichou lichamelijke gesteldheid; conditie; toestand; fysieke conditie; lichaamsconditie; lichaamsgesteldheid
tai [maatwoord voor goden- en boeddhabeelden, lijken e.d.]; ; (1) a. lichaam; ledematen; (2) b. gedaante; vorm; (3) c. figuur; voorwerp; (4) d. wezen; essentie; substantie; (5) e. orgaan; organisatie; (6) f. lichamelijke opvoeding; ; (1) lichaam; lijf; (2) staat; toestand; gesteldheid; (3) vorm; voorkomen; gedaante; stijl; (4) wezen; essentie; substantie; aard; natuur; (5) [taalk.] substantief; substantivum; (6) sterkte; kloekheid; ruggengraat; (7) [ikebana] bovenste leidtak; (8) [wisk.] lichaam
調子 choushi (1) toon; toonhoogte; (2) tempo; ritme; (op) dreef; (op) gang; (3) stijl; [stelk.] register; manier; wijze; stemming; (4) conditie; vorm; staat (van gereedheid); toestand; (in; niet in zijn normale) doen
sama (1) -elings; -waarts [drukt een richting, oriëntatie uit]; (2) meneer; mijnheer; [afk.] m.; de heer; [afk.] dhr.; mevrouw; [afk.] Mw.; [afk.] Mevr.; madame; [afk.] Mme.; [afk.] Mad.; juffrouw; mejuffrouw; [afk.] Mej. [eerbetonend suffix; voorafgegaan door een naam; titel; status e.d.]; (3) [vaak i.c.m. het prefix o お of go ご een kwalificatie inklemmend]; (4) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de handeling die iem. net op het punt staat te doen]; (5) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de wijze of manier waarop een handeling zich voltrekt]; ; voorkomen; aanblik; uitzicht; aanzien; schijn; gezicht; air; toestand; staat; gesteldheid; situatie; omstandigheden
騒ぎ sawagi (1) lawaai; leven; rumoer; kabaal; tumult; gedruis; geraas; misbaar; geroezemoes; [fig.] pandemonium; (2) drukte; gewoel; beweging; [fig.] gewriemel; vertier; omhaal; omslag; [uitdr., gew.] een hele begankenis; [gew.] beslag; bedoening; bereddering; soesa; [fig.] poespas; spats; [volkst.] gedoe; [fig.] kermis; [fig.] circus; gejaagdheid; jachtigheid; gejakker; gejacht; opwinding; excitatie; agitatie; (3) heisa; herrie; toestand; commotie; rel; onrust; opschudding; alteratie; consternatie; beroering; roering; roerigheid; [oneig.] oproer; [arch. of gew.] laweit; [fig.] fermentatie; deining; alarm; ophef; sensatie; stampij; heibel; gemaal; poeha; stennis; keet; tamtam; [fig.] fanfare; [inform.] bombarie; spektakel; [inform.] beestenboel; gekrakeel; [i.h.b.] ruzie; [i.h.b.] twist; [i.h.b.] gekijf; [i.h.b.] onenigheid; (4) woeling; rustverstoring; ordeverstoring; rel; perturbatie; onrust; opstootje; onlusten; beroering; troebelen; [fig.] gisting; [hist.] beroerten
境遇 kyouguu (1) milieu; omgeving; leefwereld; (2) (materiële) positie; situatie; staat; conditie; omstandigheden; toestand; lot; (3) maatschappelijke positie; rang; stand
様子 yousu (1) toestand; situatie; staat; omstandigheden; stand van zaken; gesteldheid; het hoe; (2) schijn; voorkomen; uiterlijk; aanblik; aanzien; karakter; air; uitzicht; indruk; habitus; (3) reden; grond; (4) teken; blijk; aanwijzing; symptomen
bun (1) 13. tiende; tiende deel; gedeelte; tien procent; (2) 14. [oude lengtemaat] 0; 1 sun 寸 [= ca. 3,03 mm]; ; (1) deel; part; portie; (2) gedeelte; segment; (3) status; positie; plaats; stand; standing; hoedanigheid; capaciteit; (4) plicht; taak; (5) staat; omstandigheden; (6) veronderstelling; (7) soort; allooi; (8) enkel dat; ; (1) a. verdeling; opdeling; scheiding; (2) b. verduidelijking; (3) c. aftakking; apart deel; (4) d. bestanddeel; element; (5) e. tijdsgewricht; (6) f. attributie; plicht; (7) g. kwalificatie; hoedanigheid; positie; (8) h. staat; toestand; mate; ; (1) portie; dosis; hoeveelheid; (2) 10. hoedanigheid; (3) 11. -gehalte; (4) 12. -tijd
塩梅 anbai (1) [cul.] smaak; kruiding; (2) toestand; mate; manier; wijze; (3) conditie; gezondheidstoestand; vorm; (4) regeling; schikking; arrangement; ordening
在り方 arikata zijnswijze; vorm; toestand; hoedanigheid; conditie
有り様 ariyou (1) waarheid; ware toedracht; (2) toestand; staat; gesteldheid; conditie; (3) ideaal; ideale toestand; staat; (4) bestaanbaarheid; mogelijkheid
有様 arisama (1) toestand; staat; gesteldheid; conditie; (2) aanblik; gezicht; uitzicht; schouwspel; spektakel
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.38 sec. jiten.nl: 11 treffers, warandict: 34 treffers (zoekopdracht: 'toestand', strategie: exact). 
2005-2019