日蘭辭典+

22 resultaten voor ‘toon’
日蘭辭典 (trefwoord)
aichō哀調
zn. droevige toon m.; treurzang.
chōshi調子
zn. (1) [音調] toon m.; klank m. (2) [工合] manier van doen; conditie v.; toestand m.; stemming v. (3) [拍子] maat v. ¶ 調子を合はせる stemmen. ¶ 調子の合はぬ valsch. ¶ 此の調子で行けば年内に終へる op die manier komt het werk in een jaar gereed. ¶ 調子づく goed gestemd. ¶ 調子に乘る opgewonden door succes. ¶ 調子のいゝ人 iemand met tact; iemand, die gemakkelijk is in den omgang.
kuchō口調
zn. toon m. ¶ 口調がよい melodieus.
kyoku
zn. (1) [音曲の] muziek v.; melodie v.; wijs v.; toon m. (2) [不正] ongelijk o.; fout v.; verkeerdheid v. (3) [興味] aardigheid v. (4) [藝] kunstgreep m. ¶ 曲彼にあり hij heeft ongelijk. ¶ 曲もなし in ’t geheel niet vermakelijk; niet interessant.
chō調
zn. toonhoogte v,; sleutel v.; klank v.; toon m. ¶ 調の惡い onstemd; valsch.
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:Kōtetsu toshi 〈11:9-10〉『鋼鉄都市』
「座りたまえ、ライジ。座りたまえ」と、そういった口調の、 あまり親しいげな調子が異様だった。 ‘Suwaritamae, Raiji. Suwaritamae’ to, sō itta kuchō no, amari shitashiige na chōshi ga iyō datta. ‘Ga zitten, Lije. Ga zitten.’ De toon waarop hij dat zei, overdreven familiair van aard, was ongewoon.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <toon>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
チューンchuun (1) [muz.] melodie; wijsje; deuntje; liedje; toon; (2) Choong
トーンtoon (1) toon; sfeer; stemming; geest; (2) toon; tint; schakering; (3) toon; timbre; toonkleur
ト音toon [muz.] sol; g
ノートnooto (1) notitie; aantekening; (2) noot; annotatie; aantekening; (3) geluid; toon; teneur; (4) notitieboekje; aantekenboekje; zakboekje; schrift
勢いikioi (1) kracht; (2) energie; vitaliteit; gezondheid; zwier; gedrevenheid; (3) macht; invloed; gezag; autoriteit; (4) drang; vaart; impuls; impetus; prikkel; (5) natuurlijke gang van zaken; loop der dingen; tendens; trend; (6) strekking; stemming; toon; (7) vanzelfsprekend; daaruit volgend; als natuurlijk gevolg; voortvloeiend; onvermijdelijk; noodzakelijk; volgens de natuurlijke gang der zaken
口調kuchou toon; wijze van praten; manier van spreken; taaltje
sei (1) [Chin.taalk.] toon; (a) stem; geluid; klank; (b) weergave in klank; (c) faam; (d) [Chin.taalk.] toon
iki (1) adem; het ademen; ademhaling; [inform.] asem; (2) energie; kracht; (3) toon
振りburi (1) -toon; -intonatie; (2) manier van ~; -wijze; met de allure van ~; op zijn ~; -lijk; (3) [geeft een zekere afmeting aan]; (4) na een onderbreking van ~; voor het eerst in ~; pas na ~
fushi (1) [plantk.] knoop; nodus; [i.h.b.] stengelknoop; knorf; kwast; knoest; war; noest; kwar; knobbel; gewricht; gewrichtsknobbel; geleding; kneukel; knokkel; knokel; kluwen; knot; knoedel; (2) punt; plek; plaats; passage; locus; (3) moment; gewichtige gebeurtenis; tijdsgewricht; overgangspunt; sluitstuk; (4) [muz.] melodie; toon; noot; [muz.] passage; (5) intonatie; klemtoon; accent; (6) gedroogde bonito (Katsuwonus pelamis); (7) [maatwoord voor knopen; kneukels]
色合いiroai kleurschakering; schakering; tint; toon; coloriet
色目irome (1) tint; schakering; kleurschakering; toon; coloriet; (2) [襲の] kleurencombinatie; (3) verliefde; smachtende blik; gelonk; (4) gelaatsuitdrukking; expressie; gezicht; voorkomen; uiterlijk; air
色調shikichou kleurschakering; schakering; tint; toon; kleur
調子choushi (1) toon; toonhoogte; (2) tempo; ritme; (op) dreef; (op) gang; (3) stijl; [stelk.] register; manier; wijze; stemming; (4) conditie; vorm; staat (van gereedheid); toestand; (in; niet in zijn normale) doen
音調onchou [muz.] toon; intonatie
oto (1) geluid; klank; (2) toon; (3) lawaai; straatlawaai; rumoer; kabaal; ruis; brom; gekletter; herrie; geraas; wanklank; (4) faam; reputatie; roem; naam; vermaardheid
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.49 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 16 treffers (zoekopdracht: 'toon', strategie: exact). 
2005-2022