日蘭辭典+

43 resultaten voor ‘trekken’
日蘭辭典 (trefwoord)
arakataあらかた
(粗方) bw. (1) [大部分] voor het grootste deel; grootendeels. (2) [殆ど] vrijwel; bijna. (3) [大略] in hoofdzaak; in groote trekken.
aramashiあらまし
zn. hoofdinhoud m.; dat, waar het op neerkomt. ¶ あらましを語る vertellen, waar het op neerkomt; in groote trekken mededeelen. ¶ 大部分 voor het grootste gedeelte. ¶ あらましの algemeen; ruw. ¶ あらましの見積 ruwe schatting; schatting in ronde getallen; globale schatting.
yamagoshi o suru山越をする
i.w. over een berg trekken.
kuji
zn. lot o. ¶ 引 loterij; loting. ¶ 決める bij loting beslissen. ¶ 引く loten.
sen
zn. lijn v. ¶ 引く lijn trekken; streep trekken. ¶ 幹 hoofdlijn. ¶ 支 zijlijn. ¶ 引く onderstrepen. ¶ を引いて消す doorhalen; doorstrepen.
mata
zn. heup v.; kruis o. ¶ 股を擴げる de beenen strekken. ¶ 日本中を股にかける door heel Japan trekken.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <trekken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
持つ motsu (1) (bij zich) hebben; houden; dragen; nemen; (2) bezitten; beschikken over; eigenaar zijn van; in eigendom hebben; toegerust zijn met; (3) koesteren; voelen; toedragen; (4) zich belasten met; verantwoordelijk zijn voor; (5) voor zijn rekening nemen; betalen; [de kosten] dragen; (6) meegaan; duren; bruikbaar blijven; duurzaam zijn; houdbaar zijn; aanhouden; (7) volhouden; [het niet lang meer] trekken; uithouden; (ver)dragen; verduren; velen
促進する sokushinsuru bevorderen; promoten; stimuleren; bespoedigen; verhaasten; versnellen; doen opschieten; vooruithelpen; behartigen; ontwikkelen; in de hand werken; aansporen; aanwakkeren; activeren; aanmoedigen; opvoeren; pousseren; een duwtje in de rug geven; een stimulans geven aan; een zetje geven; voortgang maken met; [植物の成長を] forceren; trekken
促成する sokuseisuru [植物を] trekken; forceren; vervroegd tot ontwikkeling brengen
出る deru (1) naar buiten gaan; naar buiten komen; zich vertonen; uitbreken; uitgaan; uitkomen; verlaten; vandaan gaan (bij); vertrekken; [m.b.t. boot] afvaren; [i.h.b.] afstuderen (aan); [i.h.b.] aftrek vinden; weggaan; (2) verschijnen; opkomen; voor de dag komen; opduiken; te voorschijn komen; zich voordoen; rijzen; voorkomen; [aan de telefoon enz.] komen; [m.b.t. zon] opgaan; rijzen; doorkomen; [m.b.t. bloemknoppen enz.] uitkomen; uitlopen; [i.h.b.] ontdekt worden; [m.b.t. geesten, spoken] waren; (3) uitsteken; naar buiten steken; opsteken; uitspringen; oprijzen; (4) bijwonen; aanwezig zijn bij; gaan naar; deelnemen aan; meedoen aan; [voor het gerecht enz.] verschijnen; in [zaken; het bedrijfsleven; de politiek enz.] gaan; (5) [m.b.t. wegen] leiden naar; voeren naar; uitkomen op; tegenkomen; bereiken; aantreffen; vinden; stuiten op; (6) te buiten gaan; overschrijden; gaan over; passeren; (7) ontspruiten (aan); komen uit; voortkomen (uit); voortspringen uit; ontstaan uit; beginnen; ontspringen; ontsnappen; [fig.] opwellen; [lit.t.] ontwellen; zijn oorsprong ontlenen aan; zijn oorsprong vinden in; teruggaan op; afstammen van; afkomen van; stammen uit; voortspruiten uit; (8) verschijnen; uitkomen; uitgegeven worden; gepubliceerd worden; [i.h.b. de pers enz.] halen; (9) krijgen; verkrijgen; [arch.] bekomen; [m.b.t. gerecht] opgediend worden; geserveerd worden; [m.b.t. bedrag, premie] uitgekeerd worden; (10) 10. toenemen; rijzen; [m.b.t. wind] opsteken; aanwakkeren; [m.b.t. snelheid] optrekken; (11) 11. zich … gedragen; een … houding nemen; (12) 12. [m.b.t. thee] trekken
出掛ける dekakeru (1) uitgaan; naar buiten gaan; van [huis enz.] gaan; verlaten; weggaan; (2) vertrekken (naar); op weg gaan (naar); afreizen; wegreizen; erop uit gaan; trekken; ervandoor gaan; (3) op bezoek komen; komen opzoeken
抜く nuku (1) dringen in; doordringen; penetreren; (2) inhalen; voorbijstevenen; achter zich laten; het verder brengen dan; overtreffen; voorbijstreven; te boven gaan; de loef afsteken; uitsteken boven; overvleugelen; [i.h.b. sportt.] verslaan; (3) uittrekken; trekken; [een fles enz.] opentrekken; (4) eruit halen; te voorschijn halen; uitlichten; uitpikken; uitkiezen; selecteren; uitzoeken; [i.h.b.] pikken; [i.h.b.] stelen; (5) verwijderen; wegnemen; lichten; uithalen; [i.h.b. van bad, ballon enz.] laten leeglopen; lozen; (6) besparen; daarlaten; overslaan; weglaten; achterwege laten; (7) [een blanco plek enz.] uitsparen; openlaten; (8) innemen; veroveren; (9) ten einde toe ~; uit-; af-; ~ tot de lust daartoe voorbij is [gebruikt als werkwoordelijk suffix]; (10) 10. overslaan; (11) 11. masturberen
吸う suu (1) ademen; inademen; inhaleren; opsnuiven; snuiven; een teug nemen; [pregn.] roken; trekken; paffen; smoken; (2) zuigen; opzuigen; inzuigen; aanzuigen; absorberen; opslorpen; (in zich) opnemen; (3) kussen; zoenen; [slang] likken
面付き tsuratsuki (1) wang; koon; [Belg.N.] kaak; (2) blik; gelaatsuitdrukking; gezichtsuitdrukking; uitdrukking; gezicht; expressie; gelaat; trekken; gelaatstrekken
摘む tsumu plukken; afplukken; trekken; oogsten; lezen; [gew.] afdoen; [gew.] plokken; [gew.] roppen; [gew.] tinsen
漬かる tsukaru (1) weken; gedrenkt; doordrenkt worden; ondergedompeld worden; onder water komen te staan; onderlopen; (2) [漬け物が] trekken; op smaak komen
毟しる mushiru plukken; trekken; [veroud.] pullen; [gew.] pluisteren; [gew.] tinsen
下す kudasu (1) neerlaten; laten zakken; strijken; (2) geven; schenken; verlenen; toekennen; (3) [命令を] uitvaardigen; [判決を] uitspreken; vellen; strijken; [結論を] trekken; (4) [自ら手を] doen; uitvoeren; verrichten; (5) [おなかを] buikloop; diarree hebben; [虫を] wormen hebben; (6) [敵を] verslaan; winnen van; overwinnen; kloppen
渡る wataru (1) oversteken; overgaan; overtrekken; [国を] doortrekken; doorwaden; overreizen; overlopen; overkomen; (2) trekken; gaan langs; overtrekken; bewegen langs; (3) verhuizen naar; heentrekken; migreren; (4) zich in het (maatschappelijk) leven bewegen; zijn weg in de wereld gaan; (5) strekken (van … tot …); zich uitstrekken over; beslaan; bestrijken; reiken; lopen (van … tot …); [音が] dragen; duren; omvatten; innemen; in beslag nemen; overspannen; overbruggen; belopen; (6) overgaan; vervallen aan; van eigenaar veranderen; van hand verwisselen; ; [RYK~] [geeft aan dat de werking van het werkwoord alom; over de hele omgeving geldt]
出征 shussei het naar het front gaan; trekken; frontgang; het ten strijde trekken
出征する shusseisuru naar het front gaan; trekken; het slagveld betreden; ten strijde trekken
受給する jukyuusuru ontvangen; krijgen; trekken; genieten
絞る (alle bet.) shiboru (1) persen; pijnen; pressen; uitpersen; uitknijpen; wringen; uitwringen; [牛乳; 乳を] melken; [涙を] trekken; (2) inspannen; forceren; [智恵を] afpijnigen; pijnigen; [弓を] opspannen; spannen; [従業員を] zwaar drillen; zwaar trainen; (3) afdwingen; afzetten; afpersen; uitzuigen; knevelen; plukken; uitbuiten; exploiteren; (4) berispen; een uitbrander; schrobbering; standje geven; onder handen nemen; ernstig onderhouden; duchtig doorhalen; flink aanpakken; ervan langs geven; uitfoeteren; scherp terechtwijzen; [uitdr.] de mantel uitvegen; [uitdr.] de oren wassen; [uitdr.] het vuur na aan de schenen leggen; [uitdr.] door de wringer halen; (5) samentrekken; dichtrijgen; [レンズを] sluiten; diafragmeren; (6) lager; zachter zetten; minderen; verminderen; reduceren; doen afnemen; [エンジンを] smoren; knijpen; (7) beperken; limiteren; terugbrengen; verengen; verfijnen; (8) [sumō-jargon] in bedwang houden; eronder houden; inklemmen; zijn bewegingsvrijheid ontnemen
sen [maatwoord voor lijnen, sporen]; ; (1) lijn; streep; [i.h.b.] grens; niveau; (2) lijn; [i.h.b.] omtrek; trekken; contour; beloop; (3) [spoorw.] spoor; perron; [luchtv.; scheepv.] lijn; route; vaart; [telef.] lijn; (4) [meetk.] lijn; (5) [pol.] lijn; koers; politiek; spoor; (6) aard; karakter
撮る toru [写真を] nemen; schieten; [Belg.N.] trekken; [映画を] opnemen; vastleggen; [シーンを] (weten te) vangen; [pregn.] kieken
通る tooru (1) passeren; erdoorheen geraken; erdoor raken; erdoor(heen) komen; erdoor(heen) gaan; erdoor(heen) dringen; doorbreken; doordringen; doorgaan; doorkomen; doortrekken; doorsteken; doorlopen; lopen over; [lit.t.] doorvaren; penetreren; [m.b.t. stem] dragen; [m.b.t. schoorsteen] trekken; (2) passeren; gaan via; voorbijtrekken; langskomen; langsgaan; langslopen; langstrekken; voorbijgaan; voorbijkomen; voorbijlopen; voorbijstromen; circuleren; (3) doorgaan voor; passeren voor; gangbaar zijn; bekend staan (als; onder de naam van enz.); gelden als; (4) door de beugel kunnen; slagen; [m.b.t. wetsvoorstel] aangenomen worden; aanvaard worden; aanvaardbaar zijn; steek houden
道具 dougu (1) werktuig; gereedschap; instrument; [form.] utensiliën; gerei; gerief; [m.b.t. sportlui] uitrusting; tuig; (2) gelaatstrekken; trekken; (3) rekwisiet; attribuut; decorstuk; accessoires; parafernalia; toebehoren; (4) [fig.] werktuig; hulpmiddel; instrument; vehikel; medium
立ち出づ tachiizu (1) vertrekken; weggaan; opstappen; eropuit gaan; trekken; naar buiten komen; (2) langskomen; bezoeken; aankomen; arriveren; (3) zich mengen in; zich bemoeien met; (4) verschijnen; voor de dag komen; opduiken; zich vertonen; tevoorschijn komen; komen opdagen
大抵 taitei (1) iets gewoons; iets banaals; iets eenvoudigs [gevolgd door no koto のこと + negatie]; (2) nagenoeg; vrijwel; zogoed als; praktisch; zogezegd; ; (1) doorgaans; gewoonlijk; normaal (gesproken); meestal; over het algemeen; in de regel; in usu; onder normale omstandigheden; door de band; normaliter; meest(en)tijds; veelal; in de meeste gevallen; (2) waarschijnlijk; vermoedelijk; ; grote lijnen; trekken; hoofdzaken; kern; essentie; hoofdgedachte; teneur; strekking; draad; hoofdlijnen; hoofdtrekken; hoofdpunten; grondtrekken; globaliteit; algemeenheid; algemeniteit
大体 daitai (1) zogoed als; vrijwel; nagenoeg; praktisch; zogezegd; (2) over 't algemeen; globaal genomen; ruwweg; grofweg; over het geheel genomen; alles bij elkaar; globaliter; in grote lijnen; trekken; grotendeels; min of meer; (3) in se; als zodanig; in feite; eigenlijk; au fond; in de grond; (4) volslagen; volkomen; op-en-top; ; (1) grote lijnen; trekken; hoofdzaken; kern; essentie; hoofdgedachte; teneur; strekking; draad; hoofdlijnen; hoofdtrekken; hoofdpunten; grondtrekken; globaliteit; algemeenheid; algemeniteit; (2) gros; hoofdmoot; meerderheid; het meeste; grootste deel; grootste gedeelte; merendeel; leeuwendeel
撮影する satsueisuru (1) een foto nemen; maken; fotograferen; op de foto zetten; plaatjes schieten; [Belg.N.] trekken; (2) filmen; een filmopname maken; opnemen
切り出す kiridasu (1) [年貢として] opbrengen; (2) [木材を] rooien; uitkappen; [石材を] delven; uitdelven; uitgraven; (3) beginnen te spreken over; aansnijden; ter sprake brengen; het ijs breken; (4) [手形を] trekken; afgeven; [小切手を] uitschrijven; uitgeven
気色 kishoku (1) gezichtsuitdrukking; gezicht; gelaatsuitdrukking; gelaat; gelaatstrekken; trekken; uitdrukking; expressie; blik; uiterlijk; mimiek; (2) gevoel; gemoedstoestand; geestestoestand; stemming; mood; bui; humeur; luim; (3) conditie; staat van gezondheid; gezondheidstoestand; (4) intentie; voornemen; (5) omstandigheden; situatie; (6) vormelijkheid
容貌 youbou uiterlijk; voorkomen; gelaatstrekken; trekken
面相 mensou (1) gelaatsuitdrukking; gezichtsuitdrukking; uitdrukking; gelaatsexpressie; expressie; gelaatstrekken; trekken; (2) schilderspenseel voor het uitwerken van gezichtsdetails
ハイキングする haikingusuru een trektocht houden; trekken; wandelen
概ね oomune hoofdzaak; hoofdinhoud; waar het op neerkomt; resumé; ; over 't algemeen; globaal genomen; ruwweg; grofweg; over het geheel genomen; alles bij elkaar; globaliter; in grote lijnen; trekken; grotendeels; min of meer
kaku [maatwoord om het aantal halen; trekken; streken; strepen te tellen waarmee een karakter is gevormd]; ; (1) horizontale hele of onderbroken lijn [vormt samen met twee andere lijnen een trigram]; (2) streepje als onderdeel van een kanji; streek; pennenstreek; trek; pennentrek; haal
顔付き kaotsuki (1) gelaatstrekken; gelaat; gezicht; gezichtje; trekken; [veroud., form.] aanschijn; (2) blik; gelaatsuitdrukking; gezichtsuitdrukking; uitdrukking; expressie
引っ越す hikkosu verhuizen; [van een kamer, woning enz.] afgaan; wegtrekken (naar); opbreken; betrekken; intrekken bij; (bij iem.) zijn intrek nemen; [in een nieuw huis] trekken; [inform.] verkassen
引く hiku (1) 16. achteruitgaan; teruggaan; terugtrekken; afgaan (van); terugwijken; (2) 17. zich retireren; zich terugtrekken; verlaten; [veroud.] resigneren; (3) 18. afnemen; zakken; dalen; wijken; wegtrekken; teruglopen; ; (1) trekken (aan); halen; [een hendel, de trekker enz.] overhalen; [naar zich] toetrekken; aanhalen; [een boog] spannen; opspannen; (2) [de aandacht] trekken; [klanten] aantrekken; [sympathie] winnen; [belangstelling] wekken; (3) [een vaartuig] jagen; slepen; [een schip] treilen; [een trekdier] geleiden; leiden; (4) citeren; aanhalen; (5) stammen uit; afstammen van; [系統を] afkomen van; spruiten uit; [i.h.b.] aarden naar; (6) [hout] zagen; [op een pottenbakkersschijf] draaien; (7) malen; vermalen; fijnmalen; (8) [een lijn, een draad] trekken; lijnen; spinnen; [een rechte] beschrijven; (9) aanhouden; rekken; (10) 10. [gordijnen] dichttrekken; dichtdoen; (11) 11. aanbrengen; besmeren; bedekken; bestrijken; (12) 12. [elektriciteit] aanleggen; installeren; aansluiten; [water (door buizen enz.)] aanvoeren; [veroud.] aanleiden; (13) 13. [een getal] aftrekken; [een bedrag] afhouden; in mindering brengen; afnemen; [iets in prijs] verlagen; afdoen; verminderen; reduceren; terugbrengen; [i.h.b.] korting geven; (14) 14. [de troepen] terugtrekken; intrekken; [visnetten] ophalen; [de handen (van iets)] aftrekken; (15) 15. overrijden; omrijden; omverrijden; aanrijden
引き出す hikidasu (1) te voorschijn halen; naar buiten brengen; eruit halen; eruit trekken; uittrekken; uithalen; uitschuiven; [m.b.t. gegevens uit een databank] opvragen; [m.b.t. conclusie; les] trekken; (2) duidelijk doen uitkomen; naar voren halen; brengen; releveren; (3) [m.b.t. bankrekening] opnemen; opvragen; van de bank halen; afhalen; uit de muur trekken; [i.h.b.] pinnen; [jeugdt.] downloaden; [Barg.] flappen tappen; (4) oproepen; ontbieden; lokken; (5) [m.b.t. geld] loskrijgen; uit iem. krijgen; weten te verwerven; lospeuteren; [Barg.] pienefen; [aan geld] komen; onttrekken; ontfutselen; ontlokken; voor de dag doen komen met; doen ophoesten
行く yuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid, schoonzoon, adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst., m.b.t. mannen] schieten; ; 10. blijven ~ [drukt voortduring, voortgang van een handeling of toestand uit]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.43 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 37 treffers (zoekopdracht: 'trekken', strategie: exact). 
2005-2020