日蘭辭典+

9 resultaten voor ‘trouwen’
日蘭辭典 (trefwoord)
kekkon結婚
zn. huwelijk v. ¶ 結婚さす uithuwelijken. ¶ 結婚する huwen; trouwen. ¶ 結婚披露 huwelijksreceptie; bruiloft. ¶ 婚約 verloving; engagement. ¶ 結婚huwbare leeftijd. ¶ 結婚申込 huwelijksaanzoek. ¶ 結婚式 trouwplechtigheid. ¶ 結婚指環 trouwring.
morau貰ふ
t.w. (1) [受ける] ontvangen; krijgen. (2) [......して貰ふ] gedaan krijgen; i.w. behandeld worden. ¶ 妻を貰ふ een vrouw krijgen; trouwen. ¶ 養子を貰ふ een kind adopteeren. ¶ 病氣貰ふ ziek worden. ¶ 靴を修繕して貰ふ schoenen laten repareeren. ¶ 選擧して貰ふ gekozen worden. ¶ 醫者に見て貰ふ dokter consulteeren.
issho ni一緖に
(一緒に) bw. (1) [共に] tezamen met; met. (2) [同時に] tegelijkertijd. ¶ 一緖に住む samenwonen. ¶ 一緖になる zich vereenigen; trouwen (夫妻になる). ¶ 一緖にする mengen; vereenigen; huwen (結婚).
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <trouwen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
添う sou (1) begeleiden; vergezellen; meegaan; [w.g.] accompagneren; (2) zich schikken naar; zich voegen naar; gehoorzamen; voldoen aan; gehoor geven aan; vervullen; bevredigen; beantwoorden aan; handelen overeenkomstig ~; tegemoet komen aan; waarmaken; tevredenstellen; (3) huwen; trouwen; in de echt treden; gaan; in het huwelijk treden; een echtpaar; koppel worden
結婚する kekkonsuru huwen; trouwen; in het huwelijk treden; in de echt treden; in het huwelijksbootje stappen; elkaar het jawoord geven; [uitdr.] een boterbriefje halen; [uitdr.] de huwelijkshaven binnenlopen; [uitdr.] in de huwelijkshaven aanlanden
婚姻する koninsuru trouwen; huwen; in het huwelijk treden; in de echt treden; zich in de echt begeven; een huwelijk aangaan
性交する seikousuru geslachtsgemeenschap hebben; geslachtelijke; echtelijke; [arch.] vleselijke; seksuele gemeenschap hebben; lijfsgemeenschap hebben; huwelijksgemeenschap hebben; geslachtelijke; echtelijke; [arch.] vleselijke; seksuele; intieme omgang hebben; geslachtsverkeer hebben; seksueel verkeer hebben; seks hebben; bedrijven; seksen; seksueel contact hebben; copuleren; de liefde bedrijven; paren; de geslachtsdaad verrichten; bedrijven; de liefdesdaad verrichten; bedrijven; de paringsdaad verrichten; bedrijven; de huwelijksdaad verrichten; bedrijven; de echtelijke; huwelijkse plicht(en) vervullen; vrijen; coïteren; cohabiteren; naar bed gaan; kroelen; krollen; uitwonen; [euf.] slapen; [euf.] de daad verrichten; bedrijven; [euf., scherts.] voetjes warmen (met); [euf.] trouwen; [euf., veroud.] naderen; [pregn.] aanraken; [pregn.] aanliggen; [form.] coïre; [form.] zonam solvere; [form.] samenkomen; [bijb.] bekennen; [bijb., ♂] (in)komen tot; [w.g.] bijslapen; [w.g.] bijwonen; [veroud.] zich te vleze begeven; [veroud.] elkaar gerieven; [arch.] (zich) verenigen; [arch.] zich vleselijk vermengen; [inform.] neuken; [inform.] rampetampen; [inform.] bonken; [inform.] vozen; [inform.] pezen; [inform.] platgaan; [inform., ♂] punten; [inform., ♂] rammen; [inform.] pielen; [inform.] afschroeven; [inform.] krikken; [inform.] wielen; [inform.] strijken; [inform., Ind.N.] fieken; [inform.] doppen; [inform.] een dopje; doppie maken; [inform.] de koffer in duiken; kruipen; [inform.] voor Kaap Kont liggen; [inform.] een kind maken; [inform.] binnenbeens spelen; [inform.] een kransje breien; [inform.] de hongersnood verdrijven; [inform., Belg.N.] het beest met de twee ruggen maken; [inform., scherts.] het plafond witten; [inform., scherts., niet alg.] de koffie opschenken; [volkst.] een kunstje; wip(je); wippertje; nummertje maken; [volkst., ♂] een punt zetten; [volkst., ♂] op de veter nemen; [volkst.] wippen; [volkst.] van Wippenstein gaan; [volkst.] nummeren; [volkst.] pompen; [volkst.] schroeven; [volkst.] palen; [volkst.] palen laaien; [volkst.] potloden; [volkst.] tampen; [volkst., ♂] z'n platte tampie uitgooien; [volkst.] pennen; [volkst.] prikken; [volkst.] stiften; [volkst.] hompiekurken; [volkst.] sodemieteren; [volkst.] raggen; [volkst.] afraggen; [volkst.] kezen; [volkst.] kienen; [volkst.] jenzen; [volkst.] votsen; [volkst.] joekelen; joekeren; [volkst.] dreutelen; [volkst.] flensen; [volkst.] fleppen; [volkst.] piepjanknor gaan; [volkst.] de pijp uitkloppen; [gew., inform.] strietsen; [gew., inform.] vossen; [gew., inform.] ketsen; [gew., inform., ♂] vogelen; [gew., inform., ♂] bedvogelen; [gew., volkst.] kleunen; [gew.] meteen gaan; [gew.] vazelen; [gew.] haspelen; [vulg.] naaien; [vulg., Belg.N.] poepen; [vulg.] emmeren; [vulg.] geilpompen; [vulg.] soppen; [vulg.] poken; [vulg.] kieren; [vulg.] afhakken; [vulg.] eiers in de pan slaan; [vulg.] op de muts; dot; stoffer; schroef gaan; [vulg.] van preut trekken; [vulg., ♂] een veeg geven; [vulg., ♂] vegen; [vulg., ♂] eroverheen gaan; [vulg., ♂] op z'n staart gaan staan; [Barg.] van bil gaan; [Barg.] op de kruk gaan; [Barg.] stoten; [Barg.] fikken; [Barg.] fietsen; [Barg.] piepelen; [Barg.] bibberen; [Barg.] latten; [Barg.] fluiten; [Barg., volkst.] peunen; [Barg., volkst.] pandoeren; [Barg., volkst.] tokkelen
嫁入りする yomeirisuru trouwen; in het huwelijk treden; huwen
片付く katazuku (1) in orde gebracht worden; opgeruimd worden; (2) opgelost worden; tot een einde gebracht worden; (3) trouwen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.43 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 6 treffers (zoekopdracht: 'trouwen', strategie: exact). 
2005-2020