日蘭辭典+

37 resultaten voor ‘uit’
日蘭辭典 (trefwoord)
karaから
vz. (1) [分離] van; uit. (2) [より] van. (3) [出所] van; uit. (4) [起源] met; van. (5) [通過の意] langs (bw.); door; via. (6) [原料, 材料] van; uit; met. (7) [時] sinds; sedert; van; om. (8) [方角] in. (9) [原據] van uit. (10) [から] door; van. vw. (11) [原因] omdat; vz. door; ten gevolge van. (12) [距離] van. ¶ 上から van boven. ¶ から van den morgen tot den avond; den geheelen dag. ¶ 此の見地からすれば van dit standpunt bezien. ¶ 病氣だから wegens ziekte. ¶ 子供の時から sinds zijn jeugd. ¶ 九時から始まります het begint om negen uur. ¶ それはから出來てゐる dit is van ijzer gemaakt. ¶ 火事はどこから出たのか waar is de brand begonnen?
shiru知る
t.w. weten; kennen; i.w. op de hoogte zijn van; t.w. (解る) begrijpen; inzien. ¶ 知る限りでは voor zoover ik weet; ¶ 手紙知る uit een brief te weten komen.
wataru渡る
t.w. (1) [越えて行く] overtrekken; oversteken. i.w. (2) [渡來する] ingevoerd worden. t.w. (3) [及ぶ] bereiken; i.w. zich uitstrekken. i.w. (4) [繼續] duren. (5) [通ずる] goed op de hoogte zijn van; zich thuisvoelen in. (6) [暮す] leven; t.w. doorbrengen. t.w. (7) [を] oversteken; doorwaden. ¶ 他人渡る in andere handen overgaan. ¶ 二時間に亙る twee uur duren. ¶ 河を渡る rivier oversteken. ¶ 支那から渡った品 een artikel, dat uit China komt.
itazuraいたづら
(いたずら, 悪戯, 惡戲, 徒, 徒ら) zn. (1) [惡戲] ondeugendheid v.; kwajongensstreek m. (2) [徒爲] nutteloosheid v. (3) [淫蕩] geiligheid v.; gemeenigheid v.; wulpschheid v. ¶ いたづらな (惡戲な) ondeugend; kwajongensachtig; (徒爲な) nutteloos; noodeloos; (淫蕩な) geil; onzedelijk. ¶ いたづらに (面白半分に) voor de grap; uit gekheid; zoo maar; (徒爲に) vergeefs; nutteloos. ¶ いたづらをする (わるさする) gekheid maken; kwajongensstreek uithalen; stoeien; spelen. ¶ いたづら者 ondeugd; vrouw van losse zeden (不品行な) ¶ 徒になる op niets uitloopen. ¶ いたづら盛り de ondeugende leeftijd. ¶ いたづら兒 ondeugd; kwajongen.
hatato礑と

bw. (1) [音] met een klap. (2) [突然] plotseling. [全然] geheel. ¶ 礑と實感する niet weten, wat te doen; uit het veld geslagen zijn.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <uit>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
あらゆる面でarayurumende in alle opzichten; in ieder opzicht; op alle fronten; alom; geheel en al; uit-en-te-na; uit-en-ter-na; [veroud.] gans en al; voor honderd procent; [gew.] rondomrond
からkara (1) [partikel dat een vertrekpunt in tijd of ruimte; of bron aanduidt] vanaf; per; met ingang van; uit; (2) [partikel dat een punt van passage aanduidt] door; via; (3) [partikel dat een oorzaak of reden aangeeft] door; wegens; vanwege; (4) [partikel dat grondstof; materiaal aanduidt] uit; (5) [partikel dat in een passieve constructie de door-bepaling (handelende persoon) aangeeft] door; (6) [partikel dat een hoeveelheid beklemtoont of ondergrens aanduidt] vanaf; (7) [drukt als eindpartikel een bepaald gevoel (o.a. kritiek; ontevredenheid; geruststelling) uit]
de (1) […~] [duidt de plaats van handeling aan] in; te; op; (2) […~] [duidt een tijd; leeftijd aan] om; in; op; (3) […~] [duidt een collectief onderwerp aan]; (4) […~] [duidt een limiet; maatstaf aan] à; (5) […~] [duidt een gesteldheid aan] in; op z'n; met; al …de; (6) […~] [duidt een middel; methode; grondstof aan] met; per; door; door middel van; via; middels; (7) […~] [duidt een oorzaak; reden aan] door; wegens; vanwege; uit
にてnite (1) […~] [duidt een plaats aan] in; te; op; (2) […~] [duidt een tijd; leeftijd aan] om; in; (3) […~] [duidt een middel; methode; grondstof aan] met; per; door; door middel van; via; middels; (4) […~] [duidt een oorzaak; reden aan] door; wegens; vanwege; uit; (5) […~] [duidt een hoedanigheid; omstandigheid aan] als
ni (1) […~] [duidt tijdstip; plaats van handeling aan] om; in; te; op; aan; bij; (2) […~] [duidt de plaats aan waar iets; iem. zich bevindt of zich vertoont] in; te; op; (3) […~] [duidt een bestemming; richting aan] naar; (4) […~] [duidt het resultaat van een handeling; verandering aan] tot; (5) […~] [duidt een doel aan] naar; (6) […~] [duidt het meewerkend voorwerp aan] naar; (7) […~] [duidt reden; oorzaak of aanleiding aan] door; wegens; uit; van; (8) […~] [duidt een wijze; toestand aan]; (9) […~] [duidt een hoedanigheid; positie aan] als; in z'n hoedanigheid van; (10) […~] [duidt het geïmpliceerd of logisch onderwerp van een passief; causatief aan]; (11) […~] [duidt de basis van vergelijking of verhouding aan] op; per; voor elk; elke; (12) […~は] [honoratief onderwerpspartikel]; (13) […~…] [nadrukpartikel]; (14) […~思う; 聞く; 見る; 知る] [duidt een toestand; inhoud aan]; (15) […~] [duidt overdrachtelijkheid aan]
のでnode […~] [geeft een reden; oorzaak; grond; beweegreden] doordat; door; omdat; om; aangezien; daar; nu; om reden van; vanwege; wegens; uit; als gevolg van; tengevolge van; op grond van (het feit dat); [arch.] dewijl; [arch.] wijl; [arch.] naardien; [arch.] doordien; [arch.] nademaal
の為にnotameni (1) voor; om; in het belang van; ten bate van; [afk.] t.b.v.; tot profijt van; ten voordele van; ten behoeve van; ten dienste van; ten gerieve van; ter wille van; -halve; ter benefice van; om bestwil van; om het belang van; ten faveure van; [i.h.b.] ter ere van; (2) voor; om; tot; opdat; ter wille van; omwille van; teneinde; met het oog op; met het doel; het idee; de bedoeling; het oogmerk om; (3) wegens; door; bij; vanwege; uit; -halve; om reden dat; om redenen van; aangezien; omdat; tengevolge van; ingevolge; als gevolg van; krachtens; op grond van; uit hoofde van; doordat; [veroud.] alzo; [arch.] doordien; [i.h.b.] dankzij; [i.h.b.] te wijten aan; (4) voor; met betrekking tot; in verband met
ばらばらbarabara (1) uit; van elkaar; in; aan stukken; uiteen; stuk; (2) verspreid; uiteen; verstrooid; in het rond; her en der; hier en daar; sporadisch; aan; naar alle kanten; in alle richtingen; uiteengevallen; (3) onsamenhangend; inconsistent; incoherent; divers; uiteenlopend; warrig; verward; (4) [fig.] als een regen; hagel van ~; [m.b.t. regen] pletsend; [m.b.t. regen] kletterend; (5) [m.b.t. personen] wanordelijk te voorschijn komend
ba (1) […~] [drukt een veronderstelling uit zonder meer] als; indien; ingeval; zo; gesteld dat; wanneer; mocht; (2) […~] [drukt een veronderstelling die als voorwaarde bedoeld is of een algemene geldigheid uit] als; op voorwaarde dat; indien; wanneer; mits; (3) […~] [drukt de aanleiding tot een waarneming; constatering uit] als; wanneer; (4) […~] [drukt een nevenschikking of opsomming uit] en … en …; (5) […~] [drukt de premisse van een onderwerp uit]; (6) […ば…ほど] [drukt proportionaliteit uit] hoe … des te …; (7) […~] [drukt een veronderstelling uit zonder meer] als; indien; ingeval; zo; gesteld dat; wanneer; mocht; (8) […~] [drukt een veronderstelling die als voorwaarde bedoeld is of een algemene geldigheid uit] als; op voorwaarde dat; indien; wanneer; mits; (9) […~] [drukt de aanleiding tot een waarneming; constatering uit] als; wanneer; (10) […~] [drukt reden; oorzaak uit] doordat; door; omdat; om; aangezien; daar; nu; om reden van; vanwege; wegens; uit; als gevolg van; tengevolge van; op grond van; [Belg.N.] vermits; (11) […~] [drukt een contrast uit] maar; daar waar; terwijl; (12) […ね~] [drukt toegeving uit] hoewel; alhoewel; ofschoon
よりyori (1) [form. partikel dat een beginpunt aanduidt] van; vanaf; vanwege; van … af (aan); met ingang van; uit; vanuit; sinds; sedert; (2) [partikel dat een referentiepunt aanduidt waarmee vergeleken wordt] dan; behalve; buiten
アウェーawee [voetb.] uitwedstrijd; uit-
アウツautsu uit; buiten
アウトauto (1) [(tafel)tennis] out geslagen bal; uitbal; (2) [honkb.] out; uitspel; uitgetikte speler; (3) [golf] out course [= eerste negen holes van een golfbaan]; (4) uit z'n normale doen; ontregeld; niet in orde; (5) uit-; buiten-; af-; (6) [sportt.] [maatwoord voor outs]
アラビアのarabiano Arabisch; uit; van Arabië
アラビアンarabian (1) Arabier; (2) Arabisch; uit; van Arabië
オフofu (1) uit-stand; uitgeschakeld; buiten werking; niet aan; afgesloten; (2) laagseizoen; kalme periode; stille; slappe tijd; (3) vrijaf; (4) [sportt.] start; begin; af; (5) afslag; korting; vermindering; (6) [drukk.] offsetdruk; offset
一再ならずissainarazu herhaalde malen; meermaals; telkenmale; telkens; steeds opnieuw; iedere keer; bij herhaling; strijk-en-zet; uit-en-ter-na
上がるagaru (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙; 花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂; 湯から] uit (het) bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価; 血圧; 気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) [成績; 腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) [双六; トランプ; マージャンで] winnen; uit zijn; (17) [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈; 月経; つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [バッテリーが] het laten afweten; leeglopen; (18) [魚; 貝; 虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) [領地; 役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; (26) [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; (27) […~] klaar-; af-; gereed-; (28) […~] hevig …; intens …; compleet …; (29) […~] [krachtterm]
仕舞う (bet. 1-3) ; 終う (bet. 1-3) ; 了う (bet. 4)shimau (1) sluiten; dichtdoen; [i.h.b.] voorgoed sluiten; stopzetten; opdoeken; opheffen; [met de zaak enz.] ophouden; (2) opbergen; bergen; wegbergen; wegdoen; wegleggen; wegzetten; wegstoppen; [i.h.b.] terugleggen; [i.h.b.] terugzetten; [i.h.b.] terugplaatsen; [i.h.b.] weer op zijn plaats zetten; leggen; [~ている ; ておく] bewaren; opzijleggen; opslaan; (3) beëindigen; afmaken; eindigen; tot een eind brengen; een einde maken (aan); afsluiten; afronden; (4) uit-; af-; ten einde (toe) …; geheel en al … [aangesloten op de constructie RYK + て; duidt aan dat de in het grondwoord genoemde handeling ten einde gevoerd; voltooid; tot het einde toe verricht wordt; signaleert vaak spijt of onwenselijkheid van het eindresultaat]
再三saisan herhaaldelijk; telkens; steeds opnieuw; strijk-en-zet; telkenmale; herhaalde malen; telkens; steeds weer; uit-en-ter-na; bij herhaling
出すdasu (1) te voorschijn halen; uithalen; eruit halen; [gew.; お酒を〜] ophalen; naar buiten brengen; uitnemen; [トランプの札を〜] uitspelen; opspelen; zetten; [外に] uitlaten; buitenlaten; [水を〜] openzetten; laten lopen; lozen; (2) uitsteken; [旗を〜] uithangen; (3) uiten; slaken; [音; サインを〜] geven; maken; produceren; (4) publiceren; uitgeven; uitbrengen; op de markt brengen; uitvaardigen; openbaren; tonen; [i.h.b.] onthullen; ontbloten; laten blijken; aan de dag leggen; tentoonspreiden; uitstallen; etaleren; (5) serveren; [料理を〜] opdienen; voorschotelen; te berde brengen; aankomen met; komen aanzetten met; leveren; afleveren; verschaffen; opgeven; verstrekken; aanbieden; presenteren; uitreiken; [証を〜] aanvoeren; (6) insturen; inzenden; inleveren; indienen; [新人選手を〜] inzetten; (7) sturen; zenden; afvaardigen; verzenden; opsturen; versturen; (8) uitsturen; uitzenden; [ガスを〜] uitstoten; emitteren; [熱を〜] ontwikkelen; (9) doen vertrekken; [船を〜] uitzetten; [列車を〜] inleggen; (10) betalen; opbrengen; (11) veroorzaken; opleveren; voortbrengen; geven; [スピードを〜] halen; opdrijven; (12) [店; 支店を〜] openen; beginnen; (13) […~] naar buiten …; uit-; (14) […~] beginnen te …; het op een … zetten
因って ; 仍ってyotte (1) daarom; bijgevolg; om die reden; vandaar; dus; op grond daarvan; zodoende; derhalve; dientengevolge; dienovereenkomstig; (2) op grond van; krachtens; uit hoofde van; uit kracht van; ingevolge; overeenkomstig; in conformiteit; overeenstemming met; volgens; naar (gelang van); conform; als; in antwoord op; onder; wegens; uitgaand van; vertrouwend op; door; uit; vanwege; tengevolge van; als gevolg van; omwille van; ter wille van; door middel van
gai buiten; uit
尽すtsukusu (1) uitputten; ten einde toe voeren; (2) moeite doen; z'n best doen; al het mogelijke doen; zich uiterste moeite geven; zich inspannen; zich beijveren; zich bevlijtigen; [全力を] z'n uiterste best doen; z'n beste beentje voorzetten; (3) af-; uit-
抜くnuku (1) dringen in; doordringen; penetreren; (2) inhalen; voorbijstevenen; achter zich laten; het verder brengen dan; overtreffen; voorbijstreven; te boven gaan; de loef afsteken; uitsteken boven; overvleugelen; [i.h.b. sportt.] verslaan; (3) uittrekken; trekken; [een fles enz.] opentrekken; (4) eruit halen; te voorschijn halen; uitlichten; uitpikken; uitkiezen; selecteren; uitzoeken; [i.h.b.] pikken; [i.h.b.] stelen; (5) verwijderen; wegnemen; lichten; uithalen; [i.h.b. van bad; ballon enz.] laten leeglopen; lozen; (6) besparen; daarlaten; overslaan; weglaten; achterwege laten; (7) [een blanco plek enz.] uitsparen; openlaten; (8) innemen; veroveren; (9) ten einde toe ~; uit-; af-; ~ tot de lust daartoe voorbij is [gebruikt als werkwoordelijk suffix]; (10) overslaan; (11) masturberen
果せるooseru (1) [RYK + ~] uit-; af- [de met de RYK genoemde handeling geheel ten einde voeren]; (2) [RYK + ~] weten te …; erin slagen te …; het voor elkaar krijgen te … [de met de RYK genoemde handeling op schitterende wijze vervullen]
根本的konponteki (1) fundamenteel; principieel; grond-; basis-; au fond; in de grond; in principe; in wezen; (2) radicaal; drastisch; grondig; ingrijpend; diepgaand; uit-en-ter-na; met wortel en tak
tame (1) belang; behoeve; bestwil; voordeel; profijt; (2) voor; ten behoeve van; ten dienste van; ten gerieve van; ten voordele van; -halve; [i.h.b.] ter ere van [meestal voorafgegaan door een taigen + の; が; of volgend op een yōgen in de rentaikei]; (3) voor; om; tot; opdat; ter wille van; omwille van; teneinde; met het oog op; met het doel; het idee; de bedoeling; het oogmerk om [meestal voorafgegaan door een taigen + の; が; of volgend op een yōgen in de rentaikei]; (4) wegens; door; bij; vanwege; uit; om reden dat; aangezien; omdat; tengevolge van; ingevolge; als gevolg van; krachtens; op grond van; uit hoofde van; doordat; [veroud.] alzo; [arch.] doordien; [i.h.b.] dankzij; [i.h.b.] te wijten aan [meestal voorafgegaan door een taigen + の; が; of volgend op een yōgen in de rentaikei]; (5) voor; met betrekking tot; in verband met [meestal voorafgegaan door een taigen + の; が; of volgend op een yōgen in de rentaikei]
san (1) het baren; het bevallen; bevalling; baring; partus; verlossing; geboorte; [fig.] kraambed [doorgaans door o お voorafgegaan]; (2) bakermat; geboorteplaats; origine; afkomst; afstamming; [fig.] wieg; (3) product; [m.b.t. personen] een geboren ~; [fig.; m.b.t. personen] zoon; dochter van ~; ingeborene van ~; (4) fortuin; vermogen; rijkdom; bezit; middelen; (5) made in ~; vervaardigd in ~; afkomstig uit ~; uit ~; van ~ afkomst; van ~; ~ van geboorte; geboortig van; uit; ~ van origine; van ~ bodem
hatsu (1) van; uit; vanaf; vanuit [gevoegd achter een vertrekpunt; verzendingsdatum enz.]; (2) [maatwoord voor kogels; granaten; raketten; schoten; slagen; klappen; motoren e.d.]
終了するshyuuryousuru (1) aflopen; er komt een einde aan ~; ten einde lopen; tot een einde komen; een einde nemen; eindigen; ophouden; over; uit; voorbij; gedaan zijn; [i.h.b.] expireren; (2) afsluiten; een eind maken aan; tot een einde brengen; afmaken; eindigen; besluiten; beëindigen; termineren; voltooien; afwerken; zijn; haar beslag geven
遊び心asobigokoro (1) speellust; [~で] uit; voor z'n liefhebberij; (2) speelsheid; dartelheid; gevoel voor humor; (3) muzieklust
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.67 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 32 treffers (zoekopdracht: 'uit', strategie: exact). 
2005-2021