日蘭辭典+

49 resultaten voor ‘uiterlijk’
日蘭辭典 (trefwoord)
akusō惡相
(悪相) zn. ongunstig uiterlijk o.
kao
(顔) zn. (1) [] gezicht o.; gelaat o.; uiterlijk o. (2) [面目] eer v. (3) [面附] gelaatstrekken m. ¶ 知らない iemand, dien men niet kent; onbekende. ¶ 知らないをする doen alsof men iemand niet kent; doen alsof men van niets weet. ¶ が廣い veel kennissen hebben. ¶ 合はすがない niet onder de oogen durven komen. ¶ と相談する in den spiegel kijken. ¶ を洗ふ het gezicht wasschen. ¶ を出す zich vertoonen; tegenwoordig zijn. ¶ 顰める zuur gezicht trekken. ¶ 人のを立てる iemands goede naamredden. ¶ 判る ik zie het aan je gezicht!
iyō異樣
(異様) zn. zonderling uiterlijk o.; vreemde vorm m. ¶ 異樣vreemd; zonderling; ongewoon.
sama
(様) zn. (1) [有樣] toestand m. (2) [體裁] uiterlijk o.; vorm m. (3) [敬稱] (男) heer m.; mijnheer m.; mevrouw (夫人) v.; jongeheer (十六歳以下の男) m.; (お孃さん) juffrouw v.; mejuffrouw v.; jongejuffrouw (十六歳以下の) v.
kensō險相
(険相) zn. sinister uiterlijk o.
fūsai風采
zn. uiterlijk o.; optreden o.
(様) bn. (1) [式] manier v.; wijze v.; methode v. (2) [種類] soort v. (3) [外觀] uiterlijk o.; voorkomen o. ¶ 此zoo; op deze wijze. ¶ 同じに op dezelfde wijze. ¶ ……のals; gelijk; alsof. ¶ 狂人のals een krankzinnige. ¶ いつzooals gewoonlijk; als altijd.
ganbō顏貌
(顔貌) zn. uiterlijk o.; gezicht.
shisō死相
zn. uiterlijk van een stervende.
gomensō御面相
(ご面相) zn. uiterlijk o.; gezicht o.
furi
(振り) (1) [ぶらぶらすること] schommeling v.; slingering v.; trilling v. (2) [仕振] manier van doen; wijze v. (3) [態度] gedrag o.; optreden o. (4) [姿] uiterlijk o. (5) [見せかけ] mom o.; schijn m. ¶ 風をする voorgeven; doen alsof. ¶ 知らぬ振りをする zich van den domme houden. ¶ 一振り een zwaardslag.
SUPPLEMENT (trefwoord)
nan to ka何とか
(frase) (1) op de een of andere wijze; op een of andere manier; enigerlei wijze; het een of ander; dit of dat; zus of zo. ¶ なんとかそのテストに受かった。 Nan to ka sono tesuto ni ukatta. Op een of andere manier ben ik geslaagd voor de test. ¶ なんとか日曜日までに家賃を払わないといけない。 Nan to ka nichiyōbi made ni yachin wo harawanai to ikenai. Op een of andere manier moet ik uiterlijk zondag de huur betalen. ¶ はなんとか時間までそこに着いた。 Boku wa nan to ka jikan made ni soko ni tsuita. Op een of andere manier lukte het me om er op tijd te komen. ¶ 彼女はなんとかして世間体をつくろった。 Kanojo wa nan to ka shite sekentei wo tsukurotta. Op een of andere wijze wist ze haar gezicht te bewaren. (2) (in plaats van de naam van iets of iemand) zus of zo; je-weet-wel; nog wat; hoe-heet-hij [zij, het]-ook al weer; ding; dinges. ¶ 田中なんとかというから電話がありました。 Tanaka nan to ka to iu hito kara denwa ga arimashita. Er was een telefoontje van een Tanaka-nog-wat voor je. ¶ 事部長のなんとかさんが捜してたよ。 Jinji buchō no nan to ka-san ga sagashite ta yo. De manager van personeelszaken, hoe heet hij ook al weer, was naar je op zoek. (yamasv) (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <uiterlijk>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
sou (1) a. voorkomen; vorm; (2) b. wichelarij; -mantie; (3) c. onderling; wederzijds; (4) d. opvolging; opeenvolging; (5) e. provincie Sagami; ; (1) voorkomen; aanblik; aspect; uiterlijk; (2) kenmerk; kentrek; eigenschap; wichelteken; [boeddh.] lakṣaṇa [= onderscheidend kenmerk]; nimitta [= teken, merkteken]; (3) [spraakk.] aspect; vorm; (4) [chem.] fase; [natuurk.] aggregatietoestand; aggregaatstoestand; (5) [geol.] faciës
soto (1) buiten; buitenkant; buitenzijde; [attr.] buiten-; [loc.] eruit; [loc.] naar buiten; [loc.] buitenwaarts; [loc.] uiterlijk; (2) buitenwereld; [attr.] openlucht-; [attr.] outdoor ~; [loc.] buitenshuis
外見 sotomi uiterlijk; voorkomen; schijn; uiterlijke gedaante; uiterlijkheden; uitwendigheid; buitenaanzicht; aanzien; [geneesk.] faciës; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
体裁 teisai (1) schijn; voorkomen; uitzicht; uiterlijk; uiterlijkheid; (2) vorm; format; stijl; wijze; (3) (schone) schijn; fatsoen; (4) omhaal; woordenkraam; woordenkramerij
上辺 uwabe voorkomen; schijn; uitzicht; uiterlijk; aanzien
iro 10. [maatwoord voor kleuren]; ; (1) kleur; (2) verf; kleur; kleurstof; pigment; (3) gelaatskleur; gelaatsuitdrukking; voorkomen; uiterlijk; look; houding; (4) liefde; liefdesaffaire; romance; liefdesavontuur; idylle; (5) wellust; lust; vleselijk verlangen; seksuele begeerte; sexuele passie; zinnelijk plezier; sensueel genot; (6) liefje; vrijer; meisje; jongen; liefste; geliefde; minnaar; minnares; maîtresse; (7) schoonheid; beminnelijkheid; schattigheid; vrouwelijke charmes; aantrekkelijkheid; (8) verfraaiing; versiering; decoratie; ornament; opschik; tooi; (9) soort; aard; type; klasse
一見 ikken ogenschijnlijk; schijnbaar; uiterlijk; kennelijk; naar het zich laat aanzien; ; kijkje; blik; oogopslag
気配 kehai (1) teken (dat een persoon gewaarwordt in zijn omgeving); indicatie; symptoom; (2) blijk; schijn; uiterlijk; (3) voorteken; omen; (4) gedrag; optreden; houding
形式 keishiki (1) vorm; (2) uiterlijk; uiterlijke gedaante; uiterlijke vorm; uiterlijke verschijning; schijn; (3) formaliteit; conventie; omgangsvorm; procedure; (4) (in de kunst) formalisme; (in de kunst) het nadruk leggen op de uiterlijke vorm; (5) (in de filosofie) een idee; (in de filosofie) een vorm
kei vorm; gedaante; uiterlijk
shiki (1) [boeddh.] rūpa [= uiterlijk; vorm (één van de vijf skandha's)]; (2) [boeddh.] rūpa [= het zichtbare; schijnbare (één van de vijf viṣaya's)]; ; (1) a. kleur; kleuring; (2) b. gelaatskleur; teint; (3) c. wellust; passie; (4) d. voorkomen; uiterlijk; (5) e. [boeddh.] rūpa
締め切る shimekiru (1) sluiten; dichtdoen; toedoen; (2) afsluiten; beëindigen; besluiten; [meton.] uiterlijk; niet later dan; op zijn laatst ~ aanvaarden
見た目 mitame aanblik; gezicht; schijn; uiterlijk
見掛け mikake schijn; uiterlijk; het eruitzien; aanzicht; aanzien; gezicht; voorkomen; aanschijn; het voordoen; show; schijnvertoning; façade
身形 minari (1) kleding; kledij; tenue; toilet; dos; tooi; dracht; (2) voorkomen; uiterlijk
mie voorkomen; aanblik; uitzicht; gezicht; verschijning; uiterlijk; gedaante
見栄 mie vertoon; show; schijn; uiterlijk; sier; ostentatie; ijdelheid
骨相 kossou (1) lichaamsbouw; lichaamsgestel; fysiek; (2) fysionomie; uiterlijk; gezicht; gelaatstrek; trek; schedelbouw; schedelstructuur
マスク masuku (1) masker; gezichtsmasker; mombakkes; mom; (2) mondkapje; mondmasker; (3) [m.b.t. boksen, lassen e.d.] hoofdbeschermer; (4) gezicht; gelaat; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk; (5) [elektronica] tekening van een geïntegreerde schakeling
気色 kishoku (1) gezichtsuitdrukking; gezicht; gelaatsuitdrukking; gelaat; gelaatstrekken; trekken; uitdrukking; expressie; blik; uiterlijk; mimiek; (2) gevoel; gemoedstoestand; geestestoestand; stemming; mood; bui; humeur; luim; (3) conditie; staat van gezondheid; gezondheidstoestand; (4) intentie; voornemen; (5) omstandigheden; situatie; (6) vormelijkheid
容貌 youbou uiterlijk; voorkomen; gelaatstrekken; trekken
様相 yousou aanblik; voorkomen; aanzien; uiterlijk; plaatje; aspect
容姿 youshi figuur; lichaamsvorm; bouw; lichaam; lijf; uiterlijk; voorkomen; aanschijn; verschijning
様子 yousu (1) toestand; situatie; staat; omstandigheden; stand van zaken; gesteldheid; het hoe; (2) schijn; voorkomen; uiterlijk; aanblik; aanzien; karakter; air; uitzicht; indruk; habitus; (3) reden; grond; (4) teken; blijk; aanwijzing; symptomen
面目 menmoku (1) gezicht; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk; (2) basisprincipes; geboden; regel; voorschrift; (3) reputatie; eer; prestige; aanzien; krediet; goede naam
面目 menboku (1) reputatie; eer; prestige; aanzien; krediet; goede naam; (2) gezicht; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk
fuu zoals ~; op de manier van ~; in de stijl van ~; à la ~; naar ~; ; (1) gewoonte; gebruik; neiging; (2) manier; wijze; voege; trant; stijl; type; soort; (3) air; allure; voorkomen; uiterlijk; houding; aanzicht
遅くとも osokutomo uiterlijk; op zijn laatst; [Belg.N.] ten laatste
omomuki (1) algemene betekenis; globale inhoud; grote lijnen; teneur; strekking; tendentie; (2) omstandigheden; (3) voorkomen; schijn; uiterlijk; sfeer; (4) charme; aantrekkelijkheid; smaak; karakter
katachi (1) vorm; voorkomen; gedaante; uiterlijk; (2) vorm; verschijningsvorm; formaliteit
恰好 kakkou passend bij; redelijk; billijk; matig; ; (1) vorm; voorkomen; presence; houding; uiterlijk; (2) postuur; een pose; een figuur; gedaante; gestalte; positie; (3) manier [van doen]; houding
外見 gaiken uiterlijk; uitwendig voorkomen; schijn; uiterlijke gedaante; uiterlijkheden; uitwendigheid; buitenaanzicht; aanzien; [geneesk.] faciës; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
外部の gaibuno buitenste; buiten-; uitwendig; aan de buitenzijde; buitenkant; uiterlijk
外観 gaikan uiterlijk; voorkomen; schijn; aanschijn; uiterlijke gedaante; uitwendigheid; uiterlijkheid; buitenaanzicht; aanzien; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
kan (1) voorkomen; uitzicht; uiterlijk; schijn; aanzien; aanblik; blik; gezicht; spektakel; schouwspel; (2) zienswijze; opvatting; kijk; visie
アスペクト asupekuto (1) aanblik; voorkomen; aanzien; uiterlijk; aspect; (2) [spraakk.] aspect; vorm
人体 nintei voorkomen; allure; look; uiterlijk
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.39 sec. jiten.nl: 12 treffers, warandict: 37 treffers (zoekopdracht: 'uiterlijk', strategie: exact). 
2005-2019