日蘭辭典+

14 resultaten voor ‘uithalen’
日蘭辭典 (trefwoord)
itazuraいたづら
(いたずら, 悪戯, 惡戲, 徒, 徒ら) zn. (1) [惡戲] ondeugendheid v.; kwajongensstreek m. (2) [徒爲] nutteloosheid v. (3) [淫蕩] geiligheid v.; gemeenigheid v.; wulpschheid v. ¶ いたづらな (惡戲な) ondeugend; kwajongensachtig; (徒爲な) nutteloos; noodeloos; (淫蕩な) geil; onzedelijk. ¶ いたづらに (面白半分に) voor de grap; uit gekheid; zoo maar; (徒爲に) vergeefs; nutteloos. ¶ いたづらをする (わるさする) gekheid maken; kwajongensstreek uithalen; stoeien; spelen. ¶ いたづら者 ondeugd; vrouw van losse zeden (不品行な) ¶ 徒になる op niets uitloopen. ¶ いたづら盛り de ondeugende leeftijd. ¶ いたづら兒 ondeugd; kwajongen.
chameru茶目る
i.w. grappen uithalen.
dasu出す

t.w. (1) [突出] uitstrekken; uitsteken. (2) [取出] uithalen; voor den dag halen. (3) [を] aanwenden; inspannen. (4) [發送] verzenden; sturen. (5) [發行] uitgeven. (6) [食事を] opdienen; serveeren. (7) [解雇] ontslaan. (8) [差出] inzenden. (9) [拂ふ] betalen. (10) [開業] beginnen. (11) [產出] voortbrengen. (12) [口に] zeggen. (13) [供給] aanschaffen. ¶ 出す bladeren krijgen. ¶ 質物を出す pand terughalen. ¶ 狂言をだす comedie opvoeren. ¶ 寄附出す bijdrage schenken. ¶ 國旗を出す nationale vlag uitsteken. ¶ 切符をを出しなさい verzoeke uw kaartjes te vertoonen. ¶ 降り出す beginnen te regenen. ¶ 泣き出す beginnen te huilen.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <uithalen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
持ち帰る mochikaeru mee naar huis nemen; meenemen; afhalen; [gew.] uithalen
出来るだけの事をする dekirudakenokotowosuru (alles) doen wat in zijn vermogen is; het uiterste doen; niets onverlet laten; (alles) doen wat men kan; alles in het werk stellen; er zo veel mogelijk uit halen; [fig.] alles uit de kast halen; [fig.] alle registers opentrekken; uithalen
摘出する tekishutsusuru (1) uitpikken; uitkiezen; selecteren; (2) [geneesk.; chir.] (operatief) verwijderen; extraheren; wegsnijden; uitsnijden; wegnemen; uitpellen; excideren; reseceren; extirperen; enucleëren; (3) onthullen; bekendmaken; aan het licht brengen; blootleggen; openbaren; (4) extraheren; excerperen; uithalen; uitknippen
抜く nuku (1) dringen in; doordringen; penetreren; (2) inhalen; voorbijstevenen; achter zich laten; het verder brengen dan; overtreffen; voorbijstreven; te boven gaan; de loef afsteken; uitsteken boven; overvleugelen; [i.h.b. sportt.] verslaan; (3) uittrekken; trekken; [een fles enz.] opentrekken; (4) eruit halen; te voorschijn halen; uitlichten; uitpikken; uitkiezen; selecteren; uitzoeken; [i.h.b.] pikken; [i.h.b.] stelen; (5) verwijderen; wegnemen; lichten; uithalen; [i.h.b. van bad, ballon enz.] laten leeglopen; lozen; (6) besparen; daarlaten; overslaan; weglaten; achterwege laten; (7) [een blanco plek enz.] uitsparen; openlaten; (8) innemen; veroveren; (9) ten einde toe ~; uit-; af-; ~ tot de lust daartoe voorbij is [gebruikt als werkwoordelijk suffix]; (10) 10. overslaan; (11) 11. masturberen
仕出かす shidekasu [pej.] doen; begaan; bedrijven; aanrichten; uithalen
出す dasu (1) te voorschijn halen; uithalen; eruit halen; [gew., お酒を] ophalen; naar buiten brengen; uitnemen; [トランプの札を] uitspelen; opspelen; zetten; [外に] uitlaten; buitenlaten; [水を] openzetten; laten lopen; lozen; (2) uitsteken; [旗を] uithangen; (3) uiten; slaken; [音; サインを] geven; maken; produceren; (4) publiceren; uitgeven; uitbrengen; op de markt brengen; uitvaardigen; openbaren; tonen; [i.h.b.] onthullen; ontbloten; laten blijken; aan de dag leggen; tentoonspreiden; uitstallen; etaleren; (5) serveren; opdienen; voorschotelen; te berde brengen; aankomen met; komen aanzetten met; leveren; afleveren; verschaffen; opgeven; verstrekken; aanbieden; presenteren; uitreiken; [証を] aanvoeren; (6) insturen; inzenden; inleveren; indienen; [新人選手を] inzetten; (7) sturen; zenden; afvaardigen; verzenden; opsturen; versturen; (8) uitsturen; uitzenden; [ガスを] uitstoten; emitteren; [熱を] ontwikkelen; (9) doen vertrekken; [船を] uitzetten; [列車を] inleggen; (10) 10. betalen; opbrengen; (11) 11. veroorzaken; opleveren; voortbrengen; geven; [スピードを] halen; opdrijven; (12) 12. [店; 支店を] openen; beginnen; ; (1) 13. […~] naar buiten …; uit-; (2) 14. […~] beginnen te …; het op een … zetten
去る saru (1) verwijderen; afhalen; weghalen; wegwerken; uithalen; wegnemen; afdoen; afnemen; verbannen; zich af maken van; (2) zich ontdoen van; bannen; uitbannen; afzetten (van); laten varen; (3) [m.b.t. baan] opgeven; stoppen met; [m.b.t. ambt] neerleggen; verlaten; opzeggen; afstand doen van; bedanken voor; vaarwelzeggen; [m.b.t. toneel] afgaan (van); ; (1) verlaten; weggaan (bij; van); vertrekken (bij; van; uit); ervandoor gaan; [gew.] aangaan; ertussenuit knijpen; opstappen; heengaan (van); heenlopen; [i.h.b.] sterven; scheiden (van; uit); [m.b.t. echtgenoot; echtgenote] zich laten scheiden van; zich verwijderen van; aflopen van; weglopen van; verdwijnen; wegkomen; zich wegscheren; [veroud.] zich wegpakken; [inform.] opdonderen; [inform.] ophoepelen; [inform.] opflikkeren; [inform.] oprukken; [w.g.] opdoeken; [studentent.] opzooien; [uitdr.] zich uit de voeten maken; (2) achter zich laten; op [x uur afstand enz.] liggen; afliggen van; verwijderd liggen van; (3) wijken; afnemen; wegtrekken; verdwijnen; overgaan; eindigen; ophouden te bestaan; aflopen; ten einde lopen; voorbijgaan; vergaan; (4) [m.b.t. seizoen, tijdruimte] verstrijken; voorbijgaan; vergaan; [i.h.b.] voorbijvliegen; verlopen; passeren; [fig.] omgaan; [fig.] omlopen; [fig.] omkomen; ; totaal ~; volledig ~; compleet ~; geheel en al ~; volkomen ~ [voorafgegaan door een ren'yōkei]; ; jongstleden; [afk.] jl.; laatstleden; [afk.] ll.; ~ dezer; vorige ~; verleden ~; gepasseerde ~
役に立つ yakunitatsu nuttig zijn; van pas komen; bruikbaar zijn; van nut zijn; handig zijn; van dienst zijn; dienstig zijn; dienen (tot); verstrekken (tot); baten; batig zijn; uithalen; baat geven; ten goede komen aan; helpen; gunstig zijn; bevorderlijk zijn; voordelig (in het gebruik) zijn; resultaat opleveren; effect hebben; probaat zijn; te stade komen; nut opleveren; nut afwerpen; nutten
役立つ yakudatsu nuttig zijn; van pas komen; bruikbaar zijn; van nut zijn; handig zijn; van dienst zijn; dienstig zijn; behulpzaam zijn; dienen (tot); verstrekken (tot); baten; baat geven; uithalen; ten goede komen aan; helpen; gunstig zijn; bevorderlijk zijn; voordelig (in het gebruik) zijn; resultaat opleveren; effect hebben; probaat zijn; te stade komen; nut opleveren; nut afwerpen; nutten
働く hataraku (1) werken; arbeiden; fungeren (als); (2) goed functioneren; (de gewenste) uitwerking hebben; werken; resultaat geven; (3) invloed uitoefenen; van invloed zijn; beïnvloeden; werken (op); van kracht zijn; gelden; (4) [taalk.] vervoegd worden; geconjugeerd worden; een vervoeging hebben; ; berokkenen; plegen; begaan; uithalen; bedrijven
引き出す hikidasu (1) te voorschijn halen; naar buiten brengen; eruit halen; eruit trekken; uittrekken; uithalen; uitschuiven; [m.b.t. gegevens uit een databank] opvragen; [m.b.t. conclusie; les] trekken; (2) duidelijk doen uitkomen; naar voren halen; brengen; releveren; (3) [m.b.t. bankrekening] opnemen; opvragen; van de bank halen; afhalen; uit de muur trekken; [i.h.b.] pinnen; [jeugdt.] downloaden; [Barg.] flappen tappen; (4) oproepen; ontbieden; lokken; (5) [m.b.t. geld] loskrijgen; uit iem. krijgen; weten te verwerven; lospeuteren; [Barg.] pienefen; [aan geld] komen; onttrekken; ontfutselen; ontlokken; voor de dag doen komen met; doen ophoesten
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.6 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 11 treffers (zoekopdracht: 'uithalen', strategie: exact). 
2005-2019