日蘭辭典+

23 resultaten voor ‘uitsteken’
日蘭辭典 (trefwoord)
dan
zn. (1) [段階] trap v.; sport (梯子の) v. (2) [行欄] kolom v. (3) [文章の] paragraaf v.; artikel o. (4) [等級] graad m.; rang m.; klasse v. (5) [芝居の] tooneel v.; scene v. ¶ 梯子の頂上の段で op de bovenste sport van de ladder. ¶ 段が違ふ tot een geheel andere klasse behooren; ver uitsteken boven. ¶ 此段念の爲御通知申 voor alle zekerheid deel ik u deze zaak mede. ¶ 勘平切腹の段 het tooneel, waarin Kanpei zelfmoord pleegt.
chōdatsu suru超脱する

i.w. uitsteken boven; zich verheffen boven.

shita

zn. tong v.; klepel (鐘等の) m. ¶ を揮ふ veel praten. ¶ 出す de tong uitsteken. ¶ よく廻るだね wat kun je kletsen! ¶ を捲かせる verstomd doen staan. ¶ を捲く verstomd staan; met stomheid geslagen zijn.

tosshutsu suru突出する

i.w. uitpuiling v.; uitval (の) m. ¶ 突出眼 uitpuilende ogen. ¶ 突出する uitsteken; uitpuilen; uitspringen. ¶ 突出點 uitstekende punt.

dasu出す

t.w. (1) [突出] uitstrekken; uitsteken. (2) [取出] uithalen; voor den dag halen. (3) [を] aanwenden; inspannen. (4) [發送] verzenden; sturen. (5) [發行] uitgeven. (6) [食事を] opdienen; serveeren. (7) [解雇] ontslaan. (8) [差出] inzenden. (9) [拂ふ] betalen. (10) [開業] beginnen. (11) [產出] voortbrengen. (12) [口に] zeggen. (13) [供給] aanschaffen. ¶ 出す bladeren krijgen. ¶ 質物を出す pand terughalen. ¶ 狂言をだす comedie opvoeren. ¶ 寄附出す bijdrage schenken. ¶ 國旗を出す nationale vlag uitsteken. ¶ 切符をを出しなさい verzoeke uw kaartjes te vertoonen. ¶ 降り出す beginnen te regenen. ¶ 泣き出す beginnen te huilen.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <uitsteken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
伸べる noberu (1) [手を] uitstrekken; uitsteken; aanreiken; toesteken; aanbieden; verlenen; (2) [床を] spreiden; uitspreiden; leggen
出る deru (1) naar buiten gaan; naar buiten komen; zich vertonen; uitbreken; uitgaan; uitkomen; verlaten; vandaan gaan (bij); vertrekken; [m.b.t. boot] afvaren; [i.h.b.] afstuderen (aan); [i.h.b.] aftrek vinden; weggaan; (2) verschijnen; opkomen; voor de dag komen; opduiken; te voorschijn komen; zich voordoen; rijzen; voorkomen; [aan de telefoon enz.] komen; [m.b.t. zon] opgaan; rijzen; doorkomen; [m.b.t. bloemknoppen enz.] uitkomen; uitlopen; [i.h.b.] ontdekt worden; [m.b.t. geesten, spoken] waren; (3) uitsteken; naar buiten steken; opsteken; uitspringen; oprijzen; (4) bijwonen; aanwezig zijn bij; gaan naar; deelnemen aan; meedoen aan; [voor het gerecht enz.] verschijnen; in [zaken; het bedrijfsleven; de politiek enz.] gaan; (5) [m.b.t. wegen] leiden naar; voeren naar; uitkomen op; tegenkomen; bereiken; aantreffen; vinden; stuiten op; (6) te buiten gaan; overschrijden; gaan over; passeren; (7) ontspruiten (aan); komen uit; voortkomen (uit); voortspringen uit; ontstaan uit; beginnen; ontspringen; ontsnappen; [fig.] opwellen; [lit.t.] ontwellen; zijn oorsprong ontlenen aan; zijn oorsprong vinden in; teruggaan op; afstammen van; afkomen van; stammen uit; voortspruiten uit; (8) verschijnen; uitkomen; uitgegeven worden; gepubliceerd worden; [i.h.b. de pers enz.] halen; (9) krijgen; verkrijgen; [arch.] bekomen; [m.b.t. gerecht] opgediend worden; geserveerd worden; [m.b.t. bedrag, premie] uitgekeerd worden; (10) 10. toenemen; rijzen; [m.b.t. wind] opsteken; aanwakkeren; [m.b.t. snelheid] optrekken; (11) 11. zich … gedragen; een … houding nemen; (12) 12. [m.b.t. thee] trekken
抜け出る nukederu (1) uitkomen; wegkomen uit; loskomen van; losraken van; uitraken; losbreken; uitbreken; zich redden uit; (2) naar buiten glippen; ontglippen; ontkomen aan; ontsnappen uit; zich onttrekken aan; ertussenuit knijpen; wegsluipen; wegglippen; (3) uitsteken; opsteken; uittorenen; (4) uitmunten; uitblinken; uitstijgen
突き出す tsukidasu (1) buitenduwen; buitensteken; (2) uitsteken; vooruit steken; (3) uitleveren; overleveren; overdragen
浮く uku (1) drijven; blijven drijven; vlotten; dobberen; (2) aan de oppervlakte komen; aan de oppervlakte (her)verschijnen; bovendrijven; komen bovendrijven; (3) duidelijk zichtbaar worden; zich aftekenen; in het oog springen; uitsteken; (4) vrolijk worden; opgewekt worden; blijmoedig gestemd raken; luchthartig worden; moed scheppen; (5) [m.b.t. een akelig geluid] iemand doen griezelen; (6) [m.b.t. geld] nog overblijven; resteren; uitgespaard blijven
出づ izu (1) naar buiten komen; (2) vertrekken naar; (3) verlaten; (4) verschijnen; te voorschijn komen; (5) opkomen; opduiken; (6) overschrijden; (7) uitsteken; (8) optreden; ten tonele komen; (9) doorbreken; (10) 10. zich vormen; (11) 11. gebeuren; zich voordoen; (12) 12. voortkomen; geboren worden; (13) 13. stammen uit; z'n oorsprong vinden in; (14) 14. zich openbaren; zich manifesteren
刳る kuru uithollen; hol maken; uitsteken; uitboren
飛び抜ける tobinukeru uitsteken; duidelijk uitkomen
飛び出す tobidasu (1) uitvliegen; uitvallen; wegvliegen; uitschieten; uitstormen; naar buiten stormen; uitrennen; uitsnellen; uithaasten; uitstuiven; wegstuiven; (2) verlaten; [van huis enz.] weglopen; vertrekken uit; [jachtt.] uitvaren; (3) uitpuilen; uitsteken; uitspringen; vooruitsteken; vooruitspringen; (4) uitspringen; uitwippen; te voorschijn springen; te voorschijn komen; plotseling opduiken
突出する tosshutsusuru (1) uitsteken; uitpuilen; vooruitspringen; overhangen; oversteken; (2) naar buiten schieten; eruit spuiten; eruit springen; plotseling tevoorschijn komen; (3) duidelijk uitkomen; afsteken
出す dasu (1) te voorschijn halen; uithalen; eruit halen; [gew., お酒を] ophalen; naar buiten brengen; uitnemen; [トランプの札を] uitspelen; opspelen; zetten; [外に] uitlaten; buitenlaten; [水を] openzetten; laten lopen; lozen; (2) uitsteken; [旗を] uithangen; (3) uiten; slaken; [音; サインを] geven; maken; produceren; (4) publiceren; uitgeven; uitbrengen; op de markt brengen; uitvaardigen; openbaren; tonen; [i.h.b.] onthullen; ontbloten; laten blijken; aan de dag leggen; tentoonspreiden; uitstallen; etaleren; (5) serveren; opdienen; voorschotelen; te berde brengen; aankomen met; komen aanzetten met; leveren; afleveren; verschaffen; opgeven; verstrekken; aanbieden; presenteren; uitreiken; [証を] aanvoeren; (6) insturen; inzenden; inleveren; indienen; [新人選手を] inzetten; (7) sturen; zenden; afvaardigen; verzenden; opsturen; versturen; (8) uitsturen; uitzenden; [ガスを] uitstoten; emitteren; [熱を] ontwikkelen; (9) doen vertrekken; [船を] uitzetten; [列車を] inleggen; (10) 10. betalen; opbrengen; (11) 11. veroorzaken; opleveren; voortbrengen; geven; [スピードを] halen; opdrijven; (12) 12. [店; 支店を] openen; beginnen; ; (1) 13. […~] naar buiten …; uit-; (2) 14. […~] beginnen te …; het op een … zetten
隆起する ryuukisuru zich verheffen; uitsteken; uitpuilen; uitspringen; uitstulpen; oprijzen
差し出す sashidasu (1) uitsteken; uitstrekken; [w.g.] uitreiken; (2) aanbieden; aanreiken; voorleggen; indienen; (3) sturen; zenden; doen toekomen; [form.] doen geworden
遣る; 行る yaru 19. [een handeling doen, verrichten]; ; (1) sturen; laten gaan; doen [schoolgaan enz.]; (2) [m.b.t. een voertuig] voortbewegen; vooruit doen gaan; vooruit laten gaan; aan de gang brengen; rijden; (3) richten; [een fooi enz.] geven; [dieren] voeren; (4) ter arbitrage toevertrouwen; (5) [zijn ongenoegen, gemoed e.d.] luchten; [door drinken enz.] kwijtraken; (6) gieten; [water] geven; (7) laten ontsnappen; (8) bevorderen; vooruitbrengen; (9) [m.b.t. hand] uitsteken; uitstrekken; (10) 10. een tsukeku 付句 of yariku やり句 toevoegen [idioom uit de wereld van renga 連歌 en haikai 俳諧]; (11) 11. falen; verknoeien; om zeep helpen; (12) 12. bedriegen; (13) 13. kastijden; doodslaan; (14) 14. uithuwelijken; aan de man brengen; (15) 15. nuttigen; gebruiken; [er eentje] drinken; eten; roken; (16) 16. leven; een bestaan leiden; (17) 17. doen; verrichten; [huiswerk enz.] maken; [schaak enz.] spelen; [een cursus e.d.] volgen; [~ als hoofdvak] studeren; [een tentoonstelling enz.] houden; [een stuk enz.] opvoeren; [een film enz.] vertonen; [een winkel enz.] drijven; [een beroep enz.] uitoefenen; [een toespraak enz.] afsteken; (18) 18. het doen; gemeenschap hebben; vrijen; ; (1) 20. [geeft aan dat de handeling over een verre afstand geldt]; (2) 21. [drukt de beëindiging van een handeling uit; vaak vergezeld van een negatie]; (3) 22. [drukt uit dat de handeling voor anderen verricht wordt]
張る haru (1) zich opzetten; opzwellen; uitzetten; (2) verstrammen; verstijven; verstrakken; (3) 10. uitsteken; hoekig worden; (4) 11. zich uitstrekken (over het hele oppervlak); zich uitspreiden over; zich vormen; (5) 12. gespannen worden; nerveus worden; (6) 13. zich schrap zetten; trotseren; rivaliseren; (7) 14. prijzig zijn; duur zijn; nogal wegen; [i.h.b.] overtrokken zijn; ; (1) spannen; aanspannen; opspannen; strekken; [m.b.t. touw, lijn enz.] scheren; [gordijnen enz.] ophangen; [zijn takken enz.] uitspreiden; [テントを] opslaan; opzetten; [de vleugels] uitslaan; [de zeilen] zetten; rekken; (2) bespannen (met); aanbrengen; [壁紙を] behangen; [met stof enz.] overtrekken; bekleden (met); voorzien van; (3) [met water enz.] vullen; (4) [stelling enz.] nemen; [een zaak] opzetten; drijven; [een banket] aanrichten; [zijn macht, recht enz.] doen gelden; [geld enz.] zetten (op); verwedden; [zijn zin] doordrijven; (5) op de uitkijk staan; [naar een verdachte enz.] uitkijken; opwachten; (6) [zijn schouders enz.] rechten; [de ellebogen enz.] uitsteken; [de borst enz.] vooruit steken; (7) een klap geven; een draai om de oren geven; meppen; [sumō-jargon] harite 張り手 toebrengen
張り出す haridasu (1) uitsteken; uitslaan; uitspreiden; (2) afficheren; aanplakken; ophangen; ; uitsteken; uitpuilen; vooruitspringen
光る hikaru (1) schijnen; gloeien; lichten; stralen; gloren; fonkelen; licht verspreiden; (2) schitteren; blinken; glimmen; glanzen; glinsteren; scintilleren; [fig.] klateren; [w.g.] glimpen; [lit.t.] glimmeren; [veroud.] brallen; (3) uitblinken [boven iets anders]; (er bovenuit) schitteren; uitsteken; afsteken; sterk uitkomen; uitstralen (boven); overstralen; zich onderscheiden
抉る eguru (1) uithollen; uitdiepen; uitboren; boren; uitgutsen; uitsteken; (2) [心を] aangrijpen; aanpakken; ten zeerste raken; grieven; op z'n ziel trappen; (3) aan het licht brengen; uitbrengen; onthullen; blootleggen; uitvorsen; tot op de bodem uitspitten
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.62 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 18 treffers (zoekopdracht: 'uitsteken', strategie: exact). 
2005-2019