日蘭辭典+

29 resultaten voor ‘vaardigheid’
日蘭辭典 (trefwoord)
sainō才能
zn. talent o.; gave v.; geschiktheid v.; ¶ 才能ある begaafd; talentvol; geschikt; bekwaam.
SUPPLEMENT (trefwoord)
sayūsuru左右する
(ww.) (1) [支配する] beheersen; macht hebben over; in de hand hebben. (2) [影響を与える] beïnvloeden; bepalen; een belangrijke factor zijn; een rol spelen. ¶ 天候が明日の試合を最も左右するだろう。 Tenkō ga ashita no shiai wo mottomo sayūsuru darō. Het weer zal de belangrijkste factor zijn in de wedstrijd van morgen. ¶ 音楽家としての成功を左右するのは、才能である。 Ongakuka to shite no seikō wo sayūsuru no wa, sainō de aru. De bepalende factor voor het succes van een musicus, is talent. ¶ 競馬は馬の能力だけでなく、ジョッキーの技術に左右される。 Keiba no uma no sairyoku dake de naku, jokkii no gijutsu ni sayūsareru. Bij paardenrennen speelt niet alleen de kracht van het paard een rol, maar ook de vaardigheid van de jockey. (yamasv) 彼の返事は彼の気分に左右される。 Kare no henji wa kare no kibun ni sayūsareru. Zijn antwoord wordt bepaald door zijn stemming. ¶ 大衆の意見が大統領の決定を左右するtaishū no iken ga daitōryō no kettei wo sayūsuru. De publieke opinie beïnvloed de beslissingen van de president. (TTC)
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:The Tanaka Corpus開花
¶ 天候が寒いと多くの植物開花できない。 Als het weer koud is kunnen de meeste planten niet bloeien. ¶ イタリアンルネッサンスを開花させるきっかけを作ったのはジョットの功績だ。 Het was de verdienste van Giotto dat hij de aanleiding creëerde die de Italiaanse renaissance deed ontluiken. ¶ 彼は数学の才能開花した。 Hij toonde aanleg voor wiskunde. ¶ 音楽の才能は普通早く開花する。 Talent voor muziek openbaart zich gewoonlijk op jonge leeftijd.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <vaardigheid>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
能力 nouryoku (1) bekwaamheid; vaardigheid; vermogen; [i.h.b. psych.] faculteiten; competentie; geschiktheid; capaciteit; kunde; knapheid; kundigheid; capabiliteit; [veroud.] vatbaarheid; (2) [jur.] bevoegdheid; competentie
手前 temae (1) ik; (2) jij; [Belg.N.] gij; [Belg.N.] ge; ; (1) aan deze zijde; aan deze kant; vóór; (2) bekwaamheid; vaardigheid; vakkundigheid; deskundigheid; (3) [m.b.t. theeceremonie] etiquette; protocol; ceremonieel; ceremoniële handelingen; procedure; (4) [ter] wille [van]; -halve; [in het] belang [van]; [uit] consideratie [voor]; [uit] eerbied [voor]; [uit] achting [voor]; [uit] piëteit [jegens]
手並み tenami vaardigheid; vakkundigheid; bedrevenheid; talent; kunde
手足れ tedare (1) meesterschap; bedrevenheid; deskundigheid; behendigheid; vaardigheid; (2) meester; expert; deskundige; adept
手許 temoto (1) handbereik; (2) gereed geld; gerede penningen; geld; contanten in kas; geld op zak; (3) beurs; buidel; portemonnee; zak; (4) zorg; hoede; (5) vaardigheid; bedrevenheid; (6) eetstokjes; stokjes; chopsticks
スキル sukiru skill; vaardigheid; kundigheid
通達 tsuutatsu (1) doordringing; (2) bekwaamheid; vaardigheid; vakkundigheid; beheersing; bedrevenheid; geoefendheid; geverseerdheid; habiliteit; volleerdheid; (3) bekendmaking; mededeling; bericht; kennisgeving; aankondiging; (4) nota; formele kennisgeving; officiële mededeling; aanzegging; notificatie; zendbrief
ude (1) [anat.] arm; (2) bekwaamheid; vaardigheid; geschiktheid; talent; bedrevenheid
gei (1) a. kunde; vaardigheid; techniek; (2) b. kunst; (3) c. amusement; entertainment; (4) d. provincie Aki 安芸; ; (1) artistieke vaardigheid; bekwaamheid; kunst; kundigheid; talent; (2) opvoering; vertolking; [pregn.] prestatie; kunststuk; knap stuk werk; staaltje; (3) truc; kunstje; toer
waza (1) vaardigheid; vakkundigheid; bedrevenheid; handigheid; kunde; (2) techniek; [judo] waza
熟練 jukuren vakkundigheid; kunde; kundigheid; vaardigheid; bedrevenheid; beheersing; bekwaamheid; deskundigheid; behendigheid
shoku (1) werk; baan; job; post; emplooi; (2) ambt; functie; dienst; betrekking; officie; positie; [form.] officium; [高い~] waardigheid; (3) vak; beroep; metier; ambacht; [niet alg.] stiel; [i.h.b.] vaardigheid; [i.h.b.] vakkundigheid
実力 jitsuryoku (1) prestatievermogen; vermogen; bekwaamheid; vaardigheid; competentie; praktische beheersing; capaciteit; capabiliteit; iems. kunnen; begaafdheid; (2) geweld; wapengeweld; [fig.] de wapenen
巧みさ takumisa vakkundigheid; ervarenheid; deskundigheid; kundigheid; bekwaamheid; vaardigheid; slagvaardigheid; bedrevenheid; handigheid; behendigheid; vernuftigheid; kunstigheid; knapheid; slimheid; vindingrijkheid; spitsvondigheid; listigheid; sluwheid
chikara (1) kracht; macht; energie; force; invloed; potentie; [i.h.b.] geweld; [volkst.] forsie; (2) sterkte; kracht; moed; (3) hulp; behulp; middelen; (4) kracht; inspanning; moeite; (5) vermogen; kunnen; capaciteit; bekwaamheid; vaardigheid
キャパ kyapa (1) capaciteit; vermogen; potentieel; kundigheid; vaardigheid; geschiktheid; aanleg; talent; (2) capaciteit; volume; inhoud; bergruimte
キャパシティ kyapashiti (1) capaciteit; vermogen; potentieel; kundigheid; vaardigheid; geschiktheid; aanleg; talent; (2) capaciteit; volume; inhoud; bergruimte
gi (1) kunst; vaardigheid; bekwaamheid; kundigheid; kunde; bedrevenheid; techniek; (2) prestatie; toer; (3) opvoering; vertolking
技能 ginou [maatwoord voor vaardigheden, technieken]; ; vaardigheid; vakkundigheid; techniek; bedrevenheid
器用さ kiyousa vaardigheid; bekwaamheid; behendigheid; handigheid; bedrevenheid
器用 kiyou bekwaam; handig; behendig; bijdehand; vernuftig; ; slimheid; vaardigheid; bekwaamheid; handigheid
技芸 gigei (1) kunst; techniek; vaardigheid; (2) muzikale vaardigheid; (3) [onderw.] technische vakken en technologie
御手前 otemae jij [gebruikt sedert de Muromachi-periode door samurai jegens een gelijke of iem. iets minder in rang]; ; (1) kost; kostwinning; levensonderhoud; onderhoud; (2) talent; bekwaamheid; vaardigheid; capaciteit; (3) [m.b.t. theeceremonie] etiquette; protocol; ceremonieel; ceremoniële handelingen; procedure
一筋 hitosuji (1) gewoon; normaal; gebruikelijk; (2) toegewijd; noest; ernstig; ijverig; vlijtig; (3) vlot; ongehinderd; zonder hapering; vloeiend; ; (1) lijn; streep; striem; straal; streng; (2) familie; geslacht; clan; huis; (3) kunst; vaardigheid; (4) honderd aan een snoer geregen muntstukken; (5) gewone maatregelen; gebruikelijke methode
敏捷さ binshousa (1) behendigheid; vlugheid; vaardigheid; gezwindheid; rapheid; radheid; promptheid; (2) scherpzinnigheid; gewiekstheid; gevatheid; scherpte; spitsheid; pienterheid; schranderheid; slimheid
敏腕 binwan bekwaam; competent; vakkundig; behendig; bedreven; vaardig; kundig; ; bekwaamheid; competentie; vakkundigheid; behendigheid; bedrevenheid; vaardigheid; kundigheid
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.42 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 26 treffers (zoekopdracht: 'vaardigheid', strategie: exact). 
2005-2020