日蘭辭典+

15 resultaten voor ‘verbreken’
日蘭辭典 (trefwoord)
majiwari交り
(交わり) zn. omgang m.; vriendschappelijk verkeer o.; vriendschap v. ¶ 兩性を交 geslachtsomgang; geslachtsgemeenschap. ¶ 交を絶つ vriendschap verbreken; niet meer met alkaar omgaan. ¶ 二線の交 snijding van lijnen.
gizetsusuru義絶する

t.w. relaties verbreken. ¶ 子供を義絶する kind onterven; kind verstoten; kind niet meer erkennen.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <verbreken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
打ち切る uchikiru (1) afsnijden; (2) beëindigen; tot een eind brengen; een eind maken aan; stoppen met; afbreken; besluiten; afsluiten; afronden; ophouden met; nokken met; uitscheiden met; [Belg.N.] gedaan maken met; kappen met; verbreken
清算する seisansuru (1) afrekenen; vereffenen; voldoen; clearen; verrekenen; afdoen; [借金を] aflossen; aanzuiveren; (2) [econ.] liquideren; (3) [rel.] weer goedmaken; boete doen voor; boeten voor; (4) [過去を] van zich afzetten; afsluiten; [fig.] begraven; (5) [関係を] verbreken; afmaken; opheffen
取り止める toriyameru afgelasten; annuleren; afzeggen; afblazen; cancelen; schrappen; [婚約を] verbreken; het afmaken; uitmaken
取り消す torikesu [een contract] opzeggen; [een bekentenis, order] intrekken; [een eed, zijn woorden, bewering] herroepen; revoceren; [een opmerking] terugnemen; [op zijn verklaring enz.] terugkomen; [een belofte] inslikken; [een boeking] annuleren; afbestellen; [een belofte] terugtrekken; [een verloving] verbreken; afbreken; [jur., m.b.t. vonnis] vernietigen; [jur., m.b.t. wet] abrogeren; [comp., de laatste bewerking enz.] ongedaan maken; [電話で] afbellen
解く toku (1) losbinden; losknopen; losmaken; losdoen; losstrikken; [包みを] openmaken; uitpakken; [包帯を] loswinden; loswikkelen; [連結を] loshaken; afhaken; loskoppelen; afkoppelen; ontkoppelen; (2) ontwarren; ontknopen; ontstrikken; tornen; lostornen; ontrafelen; uit elkaar halen; uitrafelen; lostrekken; (3) [装束を] afleggen; afgorden; afdoen; [荷を] ontdoen; (4) [誤解を] ophelderen; uit de wereld helpen; wegruimen; (5) [禁止を] opheffen; wegnemen; beëindigen; [契約を] verbreken; [責任を] ontheffen van; [任務を] ontlasten van; ontslaan uit; iem. bedanken; releveren; vrijmaken van; degageren; [包囲を] opbreken; [jur.] ontbinden; (6) [問題を] oplossen; uitzoeken; [方程式を] uitwerken; [inform.] uitpuzzelen; [質問を] beantwoorden; [謎を] erachter komen
断絶する danzetsusuru verbreken; ophouden met; opzeggen; ; (1) uitsterven; ophouden te bestaan; geheel afsterven; (2) verbroken; opgezegd raken
断ち切る tachikiru (1) afsnijden; doorsnijden; afhouwen; doorhouwen; afhakken; doorhakken; afbreken; afscheiden; scheiden van; (2) [関係を] verbreken; ophouden met; breken met; afzweren
絶つ tatsu (1) verbreken; ophouden met; (2) beëindigen; een eind maken aan
中断する chuudansuru onderbreken; interrumperen; pauzeren; opschorten; afbreken; verbreken; ophouden met; staken; stopzetten
違える chigaeru (1) veranderen; wijzigen; (2) zich vergissen in; [Belg.N.] zich vergissen van; verkeerd kiezen; (3) [筋を] verstuiken; verrekken; (4) [約束を] breken; verbreken
破る yaburu (1) scheuren; stuktrekken; stukscheuren; doorscheuren; verscheuren; rijten; (2) breken; stukmaken; vernielen; afbreken; [een deur] inbeuken; forceren; openbreken; inslaan; [een ruit] intikken; stukslaan; verbrijzelen; [een muur] doorslaan; uitbreken; (3) [openbare orde] verstoren; [iemands droom] aan scherven slaan; [de harmonie] verbreken; [de stilte] doorbreken; [een record] verbeteren; breken; (4) [iemands plannen] doorkruisen; dwarsbomen; verijdelen; frustreren; (5) [zijn belofte] schenden; inbreken in [een gebouw]; [een bank] kraken; [een traditie] loslaten; [spelregels] overtreden; inbreuk maken op [iemands rechten]; met voeten treden; zondigen tegen [een gebod]; (6) ontsnappen uit [de gevangenis]; heenbreken door [een barrière]; uitbreken uit; (7) [de vijand] verslaan; overwinnen; [de tegenstander] kloppen; (8) verwonden; wonden; een wond toebrengen aan; kwetsen; blesseren; bezeren; [de huid] openhalen; (9) krenken; grieven; deren; aantasten; ontstemmen
反する hansuru (1) ingaan tegen; botsen met; strijdig zijn met; in strijd zijn met; indruisen tegen; onverenigbaar zijn met; (2) overtreden; inbreuk maken op; schenden; contraveniëren; verbreken; aan zijn laars lappen; braveren; (3) de rug toekeren; verraden; afvallen; revolteren tegen; in opstand komen tegen; insubordineren
犯す okasu (1) [m.b.t. zonde, ondeugd, misdrijf, wandaad etc.] begaan; plegen; [iets slechts of nadeligs] doen; (2) schenden; verbreken; overtreden; inbreuk maken op; zich niet houden aan; met voeten treden; (3) trotseren; uitdagen; in de wind slaan; negeren; zich niets aantrekken van; (4) aanranden; aanvallen; verkrachten; onteren; te na komen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.37 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 13 treffers (zoekopdracht: 'verbreken', strategie: exact). 
2005-2019