日蘭辭典+

48 resultaten voor ‘verlaten’
日蘭辭典 (trefwoord)
aogu仰ぐ
i.w. (1) [上を向く] opzien naar; zich wenden tot. (2) [敬ふ] opzien tot; eerbied hebben voor; hoogachten. (3) [賴る] vertrouwen op; zich verlaten op.
arehateru荒果てる
(荒れ果てる) i.w. verwoest zijn; tot een bouwval geworden zijn. ¶ 荒果てた庭 een verlaten tuin.
areru荒れる
i.w. (1) [荒廢する] vervallen; verlaten zijn; in verval zijn. (2) [暴れる] woest zijn; woeden; razen. (3) [粗雜] ruw worden; ruig worden. ¶ 草が生え茂る verwilderen; vol met onkruid zijn.
sabishii淋しい
(寂しい、さみしい) bn. eenzaam; verlaten. ¶ 寂しい verlaten oord; eenzame plek. ¶ 寂しい景色 somber landschap. ¶ 寂しいと思ふ zich eenzaam voelen. ¶ がゐなくなると寂しくなる we zullen je missen als je weg bent; het zal ongezellig zijn als je weggaat.
shinrai信賴
(信頼) zn. vertrouwen o. ¶ 信頼する vertrouwen op; vertrouwen stellen in; zich verlaten op.
sugaru縋る
(すがる) i.w. steunen op; afhankelijk zijn van; zich verlaten op. ¶ 辭書に縋って讀む lezen met behulp van een woordenboek.
SUPPLEMENT (trefwoord)
ganbatte頑張って
Uitdr. Houd vol! Geef niet op! Zet door! Doorzetten! Volhouden! ¶ なら成功できるよ、がんばって。は見捨てない。 ♂ Jij kunt het echt wel, houd vol. Ik zal je niet in de steek laten. ¶ できるだけがんばってやってみます。Ik zal mijn uiterste best doen. ¶ はその難しい課題をがんばってやった。Hij bleef zijn best doen op die lastige lessen. ¶ 新しい仕事がんばってください。Zet hem op met je nieuwe baan / succes met je nieuwe baan.
jibun de自分で
(frase) zelf; persoonlijk; in eigen persoon; eigenhandig. ¶ 夕飯は自分で作りました。 Yūhan wa jibun de tsukurimashita. Ik heb zelf avondeten gemaakt. ¶ 女が自分で書いたはずはない。 Kanojo wa jibun de kaita hazu wa nai. Ze kan het niet zelf geschreven hebben. ¶ それは、自分で作ったの? Sore wa, jibun de tsukutta no? Heb je het zelf gemaakt? NB De constructie met 自分で is een van de weinige in het Japans die een meervoudsvorm vraagt. ¶ なぜ、彼らが自分たち家庭から離れていくのか。 Naze, karera ga jibuntachi no katei kara hanarete iku no ka. Waarom is het dat ze hun eigen familie verlaten? (blog) (TTC) (yamasv)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <verlaten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
so (1) karig; schaars; schraal; (2) afgezonderd; geïsoleerd; eenzaam; (3) verlaten; veronachtzaamd; verwaarloosd
出る deru (1) naar buiten gaan; naar buiten komen; zich vertonen; uitbreken; uitgaan; uitkomen; verlaten; vandaan gaan (bij); vertrekken; [m.b.t. boot] afvaren; [i.h.b.] afstuderen (aan); [i.h.b.] aftrek vinden; weggaan; (2) verschijnen; opkomen; voor de dag komen; opduiken; te voorschijn komen; zich voordoen; rijzen; voorkomen; [aan de telefoon enz.] komen; [m.b.t. zon] opgaan; rijzen; doorkomen; [m.b.t. bloemknoppen enz.] uitkomen; uitlopen; [i.h.b.] ontdekt worden; [m.b.t. geesten, spoken] waren; (3) uitsteken; naar buiten steken; opsteken; uitspringen; oprijzen; (4) bijwonen; aanwezig zijn bij; gaan naar; deelnemen aan; meedoen aan; [voor het gerecht enz.] verschijnen; in [zaken; het bedrijfsleven; de politiek enz.] gaan; (5) [m.b.t. wegen] leiden naar; voeren naar; uitkomen op; tegenkomen; bereiken; aantreffen; vinden; stuiten op; (6) te buiten gaan; overschrijden; gaan over; passeren; (7) ontspruiten (aan); komen uit; voortkomen (uit); voortspringen uit; ontstaan uit; beginnen; ontspringen; ontsnappen; [fig.] opwellen; [lit.t.] ontwellen; zijn oorsprong ontlenen aan; zijn oorsprong vinden in; teruggaan op; afstammen van; afkomen van; stammen uit; voortspruiten uit; (8) verschijnen; uitkomen; uitgegeven worden; gepubliceerd worden; [i.h.b. de pers enz.] halen; (9) krijgen; verkrijgen; [arch.] bekomen; [m.b.t. gerecht] opgediend worden; geserveerd worden; [m.b.t. bedrag, premie] uitgekeerd worden; (10) 10. toenemen; rijzen; [m.b.t. wind] opsteken; aanwakkeren; [m.b.t. snelheid] optrekken; (11) 11. zich … gedragen; een … houding nemen; (12) 12. [m.b.t. thee] trekken
出掛ける dekakeru (1) uitgaan; naar buiten gaan; van [huis enz.] gaan; verlaten; weggaan; (2) vertrekken (naar); op weg gaan (naar); afreizen; wegreizen; erop uit gaan; trekken; ervandoor gaan; (3) op bezoek komen; komen opzoeken
抜ける nukeru (1) doorsteken; [de doelman enz.] passeren; [een tunnel enz.] doorgaan; doortrekken; lopen door; [i.h.b.] doorboren; (2) [van haar, tanden] uitvallen; losgaan; losraken; loslaten; (3) aflaten; wijken; [m.n. van kracht, fut, pit] eruit gaan; het laten afweten; begeven; [fig.] verschalen; kwijtraken; (4) [ergens] uitraken; ertussenuit komen; ontkomen; wegkomen; ontlopen; ontsnappen; ontschieten; ontgaan; ontglippen; [m.n. een genootschap, wedstrijd, computerprogramma enz.] verlaten; zich terugtrekken; eruit gaan; ervandoor gaan; er tussenuit kletsen; (5) missen; ontbreken; wegvallen; mankeren; (6) wat mankeren; niet goed wijs zijn; niet goed bij zijn verstand zijn; (7) [van vesting, stad enz.] vallen
捨てる suteru (1) wegwerpen; weggooien; wegsmijten; vergooien; dumpen; storten; afdanken; wegdoen; lozen; [kaartsp.] ecarteren; (2) in de steek laten; aan zijn lot overlaten; achterlaten; verlaten; laten zitten; laten zakken; verzaken; weggaan bij; de bons geven; (3) opgeven; prijsgeven; laten varen; neerleggen; abandonneren; afstand doen van; afstappen van; aan de kant zetten; schuiven; vaarwel zeggen; de rug toekeren; renonceren; verloochenen; afzweren; zich niet meer storen aan; laten vallen; verloren geven; [fig.] overboord gooien; [uitdr.] op de schroothoop gooien; [uitdr.] met de vuilnisman meegeven; [uitdr.] naar de schroothoop verwijzen
無人の mujinno (1) onbewoond; leegstaand; verlaten; uitgestorven; geabandonneerd; eenzaam; verweesd; (2) onbemand; zonder bestuurder; zonder bemanning; [m.b.t. overweg] onbewaakt
無人 mujin onbewoond; onbemand; verlaten
出づ izu (1) naar buiten komen; (2) vertrekken naar; (3) verlaten; (4) verschijnen; te voorschijn komen; (5) opkomen; opduiken; (6) overschrijden; (7) uitsteken; (8) optreden; ten tonele komen; (9) doorbreken; (10) 10. zich vormen; (11) 11. gebeuren; zich voordoen; (12) 12. voortkomen; geboren worden; (13) 13. stammen uit; z'n oorsprong vinden in; (14) 14. zich openbaren; zich manifesteren
決別する ketsubetsusuru verlaten; achterlaten; scheiden van; weggaan van; afscheid nemen van; vaarwelzeggen; breken met
別れる wakareru scheiden van; achterlaten; verlaten; weggaan; [van zijn; haar echtgenoot; echtgenote] afgaan; uiteengaan; heengaan; afscheid nemen; [fig.] goedendagzeggen
退く shirizoku (1) zich terugtrekken; zich verwijderen; aftrekken; zich retireren; verlaten; (2) teruggaan; achteruitgaan; wijken; [fig.] toegeven
出発する shuppatsusuru (1) vertrekken; heengaan; afreizen; zich op weg begeven; [旅行に] aanvaarden; op weg gaan; verlaten; [fig.] afsteken; [m.b.t. vliegtuig] opstijgen; [m.b.t. vaartuig] afvaren; (2) starten; van start gaan; beginnen; uitgaan van
辞職する jishokusuru (zijn) ontslag nemen; zijn ambt neerleggen; verlaten; afstand doen van een ambt; aftreden; zijn betrekking opzeggen; zijn functie neerleggen; zijn baan opgeven; heengaan; opstappen; het veld ruimen; resigneren; uittreden; [arch.] demitteren
辞す jisu (1) weigeren; afslaan; van de hand wijzen; afwijzen; (2) ontslag nemen; afstand doen; aftreden; ontslag nemen; bedanken; z'n conclusies trekken; opstappen; het veld ruimen; uittreden; resigneren; [arch.] demitteren; ; (1) groeten; begroeten; goedendag zeggen; toespreken; (2) afscheid nemen; weggaan; verlaten; terugtreden; zich terugtrekken
辞する jisuru (1) verlaten; vaarwel zeggen; (2) weigeren; afslaan; van de hand wijzen; afwijzen; (3) ontslag nemen; afstand doen; aftreden; ontslag nemen; bedanken; z'n conclusies trekken; opstappen; het veld ruimen; uittreden; resigneren; [arch.] demitteren
心細い kokorobosoi (1) bezorgd; ongerust; onzeker; (2) ontmoedigd; mismoedig; (3) eenzaam; verlaten; hulpeloos; verloren; hopeloos; (4) onttrokken; onthecht [esthetische houding bij het scheppen van dichtwerk]
荒涼 kouryou verlaten; uitgestorven; desolaat; woest; onherbergzaam; bar
飛び出す tobidasu (1) uitvliegen; uitvallen; wegvliegen; uitschieten; uitstormen; naar buiten stormen; uitrennen; uitsnellen; uithaasten; uitstuiven; wegstuiven; (2) verlaten; [van huis enz.] weglopen; vertrekken uit; [jachtt.] uitvaren; (3) uitpuilen; uitsteken; uitspringen; vooruitsteken; vooruitspringen; (4) uitspringen; uitwippen; te voorschijn springen; te voorschijn komen; plotseling opduiken
遠ざかる toozakaru (1) afstand nemen; zich verwijderen; ver achter zich laten; op afstand zetten; in steeds verdere verten wijken; (2) [fig.] verlaten; afscheid nemen van; zich terugtrekken uit; niet langer omgaan met; vervreemden van; zich afhouden van
立つ tatsu (1) overeind; rechtop gaan staan; overeind komen; opstaan; oprijzen; zich oprichten; zich opstellen; [scherts.] zich perpendiculariseren; (2) [教壇; 歩哨; 証言台に] staan; [立場に] zich stellen; [世に] zich vestigen; [i.h.b.] aan de kost komen; [矢; 棘が] blijven steken; (3) [候補者に] zich kandidaat stellen (voor); kandidaat staan (voor); [候補に] kandideren (voor); [苦境に] verkeren; zich bevinden; [証人に] optreden; (4) ontstaan; zich vormen; zich ontwikkelen; rijzen; te voorschijn komen; [風が] opsteken; [春; 秋が] beginnen; in zicht komen; [予算が] opgemaakt worden; [市が] gehouden worden; [噂; 評判が] gaan; [理屈; 言い訳; 筋道が] opgaan; gelden; hout snijden; [面目; 顔が] gered worden; (5) opkomen (voor); in actie komen; (6) [門; (雨)戸; 障子が] (zich) sluiten; dichtgaan; (7) vertrekken (uit); verlaten; op weg gaan; zich op weg begeven; afreizen; tijgen; (8) "er" staan; vaardig zijn
脱退する dattaisuru zich terugtrekken; verlaten; zich afscheiden; uittreden; zich afsplitsen; zich losmaken
発つ tatsu vertrekken (uit); verlaten; op weg gaan; zich op weg begeven; [旅へ] aanvaarden; afreizen; tijgen
去る saru (1) verwijderen; afhalen; weghalen; wegwerken; uithalen; wegnemen; afdoen; afnemen; verbannen; zich af maken van; (2) zich ontdoen van; bannen; uitbannen; afzetten (van); laten varen; (3) [m.b.t. baan] opgeven; stoppen met; [m.b.t. ambt] neerleggen; verlaten; opzeggen; afstand doen van; bedanken voor; vaarwelzeggen; [m.b.t. toneel] afgaan (van); ; (1) verlaten; weggaan (bij; van); vertrekken (bij; van; uit); ervandoor gaan; [gew.] aangaan; ertussenuit knijpen; opstappen; heengaan (van); heenlopen; [i.h.b.] sterven; scheiden (van; uit); [m.b.t. echtgenoot; echtgenote] zich laten scheiden van; zich verwijderen van; aflopen van; weglopen van; verdwijnen; wegkomen; zich wegscheren; [veroud.] zich wegpakken; [inform.] opdonderen; [inform.] ophoepelen; [inform.] opflikkeren; [inform.] oprukken; [w.g.] opdoeken; [studentent.] opzooien; [uitdr.] zich uit de voeten maken; (2) achter zich laten; op [x uur afstand enz.] liggen; afliggen van; verwijderd liggen van; (3) wijken; afnemen; wegtrekken; verdwijnen; overgaan; eindigen; ophouden te bestaan; aflopen; ten einde lopen; voorbijgaan; vergaan; (4) [m.b.t. seizoen, tijdruimte] verstrijken; voorbijgaan; vergaan; [i.h.b.] voorbijvliegen; verlopen; passeren; [fig.] omgaan; [fig.] omlopen; [fig.] omkomen; ; totaal ~; volledig ~; compleet ~; geheel en al ~; volkomen ~ [voorafgegaan door een ren'yōkei]; ; jongstleden; [afk.] jl.; laatstleden; [afk.] ll.; ~ dezer; vorige ~; verleden ~; gepasseerde ~
寂しい sabishii (1) eenzaam; verlaten; geabandonneerd; uitgestorven; verweesd; (2) droevig; verdrietig; (3) [m.b.t. beurs, binnenzak enz.] leeg zijn; iets missen; in iets tekortschieten; mangelen
辞める yameru [m.b.t. ambt] neerleggen; [het leger enz.] verlaten; [z'n baan enz.] vaarwel zeggen; [z'n betrekking enz.] opzeggen; aan kant doen; [i.h.b.] met pensioen gaan
外れる hazureru (1) loskomen; losraken; losgaan; [onoverg.] loslaten; uit [het lid, de hengsels, de rails enz.] raken; afkomen; afraken (van); afvallen; verlaten; [de stad enz.] uitgaan; (2) erbuiten vallen; ernaast zitten; het mis hebben; niet in [het bestek, de prijzen enz.] vallen; missen; in [zijn verwachting enz.] bedrogen uitkomen; teleurgesteld worden; (3) afwijken van; afdwalen van; afdrijven; ingaan tegen; in strijd zijn met
外す hazusu (1) losmaken; openmaken; [眼鏡を] afzetten; afdoen; [ベッドカバーを] afhalen; [ボタンを] losknopen; loskoppelen; [留金を] loshaken; afhaken; losgespen; afgespen; verwijderen; weghalen; nemen van; wegnemen; weglaten van; van het slot doen; [戸を] uitlichten; uittillen; [i.h.b.] disloqueren; [mech.] debrayeren; [techn.] ontkoppelen; [ギアを] afkoppelen; (2) [機会を] missen; onbenut laten; laten ontglippen; verkijken; mislopen; misslaan; misschieten; (3) ontkomen aan; ontsnappen aan; ontwijken; pareren; afwenden; (4) [席を] verlaten; ervandoor gaan
離れる hanareru (1) afkomen; (zich) scheiden (van); zich afscheiden van; zich losmaken; gescheiden raken; uiteengaan; van elkaar gaan; afkomen van; losgaan; loskomen; losraken; loslaten; uiteenvallen; uit elkaar groeien; (2) verlaten; gaan (van); weggaan (uit); [arch.] heengaan (van); [i.h.b.] uitweiden; [i.h.b.] afdwalen; (3) uiteenliggen; af komen te liggen; af komen te staan; ontvallen; verwijderd raken
発する hassuru (1) teweegbrengen; veroorzaken; doen ontstaan; beginnen; starten; lanceren; (2) voortbrengen; geven; opleveren; afgeven; afscheiden; verspreiden; uitstoten; uitzenden; uitvaardigen; verstrekken; (3) uiten; uitbrengen; van zich doen uitgaan; formuleren; (4) afvuren; afschieten; (5) sturen; afzenden; afvaardigen; ; (1) vertrekken uit; verlaten; (2) verschijnen; zich voordoen; optreden; gebeuren; voortkomen; voortspruiten; ontspringen; voortspringen; komen uit; uitgaan van; voortvloeien uit; emaneren uit; afkomstig zijn van; z'n oorsprong vinden; (3) ontstaan; tot stand komen
振る furu (1) zwaaien; heen en weer bewegen; wuiven met; kwispelen met; zwiepen met; (2) strooien; sprenkelen; schudden; (3) toedelen; toewijzen; toebedelen; (4) afwijzen; dumpen; laten vallen; in de steek laten; verlaten; laten zitten; de bons geven; afdanken; (5) opgeven; ter beschikking stellen; opofferen; overslaan; wegblijven van; (6) uitgeven; in omloop brengen
遅らす okurasu (1) vertragen; retarderen; ophouden; remmen; rekken; [veroud., lit.t.] tragen; [時計を] achteruitzetten; terugzetten; (2) achterlaten (bij overlijden); (door vooroverlijden) nalaten; (3) uitstellen; opschorten; [fig.] opschuiven; verschuiven; later stellen; temporiseren; [w.g.] verlaten
遅らせる okuraseru (1) verlaten; vertragen; [時計を] achteruitzetten; (2) uitstellen
ガラガラな garagarana leeg; kaal; verlaten; onbezet
ガラガラ garagara leeg; kaal; verlaten; onbezet; ; (1) ratelend; rammelend; kletterend; [落雷が] klaterend; (2) openhartig; eerlijk; frank; rechtuit; vrijmoedig; ; (1) geratel; gerammel; gekletter; (2) rammelaar; ratel
閑古鳥 kankodori eenzaam; verlaten; uitgestorven; [店は] zonder klanten; ; [dierk.] koekoek; Cuculus canorus
kan kan; ± midwinter [= dertigdagentijd voorafgaand aan risshun 立春]; ; (1) a. koud; fris; (2) b. rillen; in elkaar kruipen; (3) c. troosteloos; verlaten; (4) d. armlastig; behoeftig; (5) e. midwinter
人気のない hitokenonai verlaten; uitgestorven; zonder leven; leeg; eenzaam; waar geen teken van leven te bekennen is
引く hiku (1) 16. achteruitgaan; teruggaan; terugtrekken; afgaan (van); terugwijken; (2) 17. zich retireren; zich terugtrekken; verlaten; [veroud.] resigneren; (3) 18. afnemen; zakken; dalen; wijken; wegtrekken; teruglopen; ; (1) trekken (aan); halen; [een hendel, de trekker enz.] overhalen; [naar zich] toetrekken; aanhalen; [een boog] spannen; opspannen; (2) [de aandacht] trekken; [klanten] aantrekken; [sympathie] winnen; [belangstelling] wekken; (3) [een vaartuig] jagen; slepen; [een schip] treilen; [een trekdier] geleiden; leiden; (4) citeren; aanhalen; (5) stammen uit; afstammen van; [系統を] afkomen van; spruiten uit; [i.h.b.] aarden naar; (6) [hout] zagen; [op een pottenbakkersschijf] draaien; (7) malen; vermalen; fijnmalen; (8) [een lijn, een draad] trekken; lijnen; spinnen; [een rechte] beschrijven; (9) aanhouden; rekken; (10) 10. [gordijnen] dichttrekken; dichtdoen; (11) 11. aanbrengen; besmeren; bedekken; bestrijken; (12) 12. [elektriciteit] aanleggen; installeren; aansluiten; [water (door buizen enz.)] aanvoeren; [veroud.] aanleiden; (13) 13. [een getal] aftrekken; [een bedrag] afhouden; in mindering brengen; afnemen; [iets in prijs] verlagen; afdoen; verminderen; reduceren; terugbrengen; [i.h.b.] korting geven; (14) 14. [de troepen] terugtrekken; intrekken; [visnetten] ophalen; [de handen (van iets)] aftrekken; (15) 15. overrijden; omrijden; omverrijden; aanrijden
引き取る hikitoru (1) terugnemen; (terug) overnemen; (2) vorderen; opvorderen; terugvorderen; terugeisen; reclameren; aanspraak maken op; claimen; opvragen; (3) zich belasten met; verantwoordelijkheid opnemen voor; onder z'n hoede nemen; zorgen voor; instaan voor; [話を] beantwoorden; antwoorden op; (4) [息を] sterven; z'n laatste adem(tocht) uitblazen; de laatste snik geven; de geest geven; ; (1) weggaan; zich terugtrekken; zich verwijderen; heengaan; verlaten; vertrekken; (2) [mil.] zich terugtrekken; aftrekken; de aftocht blazen; afrukken
行く yuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid, schoonzoon, adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst., m.b.t. mannen] schieten; ; 10. blijven ~ [drukt voortduring, voortgang van een handeling of toestand uit]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.37 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 40 treffers (zoekopdracht: 'verlaten', strategie: exact). 
2005-2019