日蘭辭典+

41 resultaten voor ‘verminderen’
日蘭辭典 (trefwoord)
makeru負ける
i.w. (1) [敗北する] verslagen zijn; nederlaag lijden; overwonnen worden; t.w. het verliezen. i.w. (2) [屈服する] zich gewonnen geven; toegeven. t.w. (3) [を] laten afdingen; verlagen; reduceeren; verminderen. ¶ 負ける tien cent laten afdingen; het een dubbeltje goedkooper geven. ¶ 五に負ける vijf yen laten.
shina
zn. artikel o.; waar v.; kwaliteit (品質) v. ¶ 落ちる de kwaliteit is minderwaardig. ¶ を落す de kwaliteit verminderen; slechtere waar leveren. ¶ 見本違ふ de geleverde waar stemt niet overeen met het monster.
SUPPLEMENT (trefwoord)
etsuran閲覧
(zn.; suru-ww.) (boek, catalogus, etc.) inzien; bladeren; browsen; raadplegen; het [web, internet, bestanden op een computer] browsen [doorzoeken, raadplegen, etc.]; consulteren; inspecteren. ¶ 閲覧ソフト etsuran sofuto browser software; browser (cf. ブラウザー burauzaa). ¶ 閲覧室 etsuranshitsu leeszaal. ¶ 閲覧机 etsuranzukue (tafel of bureau om aan te lezen of studeren, zoals je in een bibliotheek zou kunnen aantreffen). ¶ 閲覧用目録 etsuranyō mokuroku publieke catalogus. ¶ ネット閲覧に費やす時間を減らそうと思うNetto etsuran ni tsuiyasu jikan wo harasō to omou. Ik ben van plan minder tijd aan internet besteden. (blog)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <verminderen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
低減する teigensuru (1) verminderen; verlagen; terugbrengen; (2) reduceren; korten; afslaan; ; verminderen; dalen; afnemen; teruglopen
詰める tsumeru (1) vullen (met); [koffers enz.] pakken; opvullen (met); stoppen; volstoppen; dichtstoppen; proppen; toeproppen; stouwen; [tandh.] plomberen; (2) (nauwer) doen aansluiten; dicht(er) opeen doen staan; zitten; dichter bij elkaar plaatsen; doen aanschikken; doen opeenpakken; aanhalen; (3) inkorten; verkorten; korter maken; bekorten; korten (met); afkorten; [m.b.t. kledingstuk] inleggen; [m.b.t. voorsprong; afstand] verkleinen; verminderen; [op de uitgaven enz.] besnoeien; bezuinigen; [de uitgaven enz.] beperken; inperken; [m.b.t. adem] inhouden; [m.b.t. vinger] knotten; (4) een eind maken aan [een discussie enz.]; beëindigen; afwikkelen; afronden; z'n beslag geven; ten einde brengen; de laatste hand leggen aan; (5) (onverdroten; onafgebroken; ononderbroken; continu; doorlopend; non-stop; de hele tijd; aanhoudend; constant) blijven ~; (geconcentreerd; ingespannen; intensief; intens) bezig zijn met ~; (6) schaak geven; schaak zetten; (schaak)mat zetten; (schaak)mat geven; ; [op zijn post] blijven; zich paraat houden; op wacht staan; posten
薄らぐ usuragu dunner worden; verdunnen; slijten; afnemen; minder worden; [色が] vervagen; verschieten; verbleken; [興味が] verflauwen; bekoelen; [熱; 痛みが] verminderen; zakken; dalen; wegtrekken
削る kezuru (1) [木材を] schaven; met een schaaf bewerken; vijlen; met een vijl bewerken; [鉛筆を] scherpen; slijpen; (2) een streep halen door; doorhalen; doorstrepen; schrappen; doorschrappen; (3) verminderen; inkrimpen; terugschroeven; beknotten; beperken; korten; bekorten; inkorten; reduceren; (4) [鎬を] een verwoede strijd voeren; een hevige; zware strijd leveren; fel strijden
減少する genshousuru afnemen; teruglopen; dalen; verminderen; zakken; slinken; minderen; krimpen; achteruitgaan; vallen
減退する gentaisuru verminderen; afnemen; achteruitgaan; teruggaan; dalen; teruglopen; slinken; zakken
減税する genzeisuru belastingen verlagen; verminderen; lasten verlichten
解す hogusu (1) losmaken; ontwarren; oplossen; ontrafelen; losrafelen; losbinden; uit elkaar halen; (2) ontspannen; verlichten; verlichting geven; doen afnemen; verminderen; verzachten; losser maken
解す hotsusu (1) losmaken; ontwarren; oplossen; ontrafelen; losbinden; uit elkaar halen; (2) ontspannen; verlichten; verlichting geven; doen afnemen; verminderen
減らす herasu verminderen; minderen; reduceren; terugbrengen; herleiden; terugschroeven; verkleinen; kleiner maken; besnoeien; afbouwen; verlagen; bekorten; beperken; inkorten; inkrimpen; verkorten; inperken
減る heru (1) afnemen; verminderen; krimpen; teruglopen; kleiner worden; minder worden; minderen; achteruitgaan; dalen; slinken; zakken; inkrimpen; [i.h.b.] slijten; verslijten; (2) terugdeinzen; terugschrikken; versagen [meestal in combinatie met een negatie]
悪くなる warukunaru (1) verslechteren; verergeren; erger worden; slechter worden; minder worden; achteruitgaan; verminderen; er niet mooier op worden; fout gaan; mis gaan; achteruitboeren; achteruitsukkelen; [ますます] van kwaad tot erger vervallen; slechter en slechter gaan; (2) slecht worden; bederven; (3) ontregeld raken; stuk gaan
縮小する shukushousuru verkleinen; verminderen; beperken; reduceren; terugbrengen; terugschroeven; besnoeien; inkrimpen; inkorten; inperken; [fig., euf.] afslanken; downsizen; aftrimmen
徐行する jokousuru (1) langzaam; stapvoets; zachtjes rijden; zich traag voortbewegen; kruipen; (2) langzaam; langzamer; zachter gaan rijden; snelheid minderen; verminderen; gas terugnemen; z'n gang vertragen
静める shizumeru (1) [鳴りを] tot stilte brengen; [場内を] stil doen worden; tot rust brengen; stemmen; rustig maken; doen verstommen; dempen; (2) matigen; temperen; afzwakken; smoren; [火事を] doven; [波を] bedaren; tot bedaren brengen; doen luwen; (3) [暴動を] bedwingen; beteugelen; beheersen; onderdrukken; de kop indrukken; supprimeren; [veroud.] neerzetten; [喧嘩を] beslechten; bijleggen; [怒りを] koelen; (4) [せきを] stillen; [心; 神経を] kalmeren; opluchten; [痛みを] verlichten; lenigen; verzachten; doen afnemen; verminderen; [scherts.] afwinden; (5) [神を] verzoenen; tevredenstellen; bevredigen; [御霊を] sussen; paaien; apaiseren; troosten; [怨霊を] bezweren; (6) in slaap brengen; doen inslapen
絞る (alle bet.) shiboru (1) persen; pijnen; pressen; uitpersen; uitknijpen; wringen; uitwringen; [牛乳; 乳を] melken; [涙を] trekken; (2) inspannen; forceren; [智恵を] afpijnigen; pijnigen; [弓を] opspannen; spannen; [従業員を] zwaar drillen; zwaar trainen; (3) afdwingen; afzetten; afpersen; uitzuigen; knevelen; plukken; uitbuiten; exploiteren; (4) berispen; een uitbrander; schrobbering; standje geven; onder handen nemen; ernstig onderhouden; duchtig doorhalen; flink aanpakken; ervan langs geven; uitfoeteren; scherp terechtwijzen; [uitdr.] de mantel uitvegen; [uitdr.] de oren wassen; [uitdr.] het vuur na aan de schenen leggen; [uitdr.] door de wringer halen; (5) samentrekken; dichtrijgen; [レンズを] sluiten; diafragmeren; (6) lager; zachter zetten; minderen; verminderen; reduceren; doen afnemen; [エンジンを] smoren; knijpen; (7) beperken; limiteren; terugbrengen; verengen; verfijnen; (8) [sumō-jargon] in bedwang houden; eronder houden; inklemmen; zijn bewegingsvrijheid ontnemen
後退する koutaisuru zich terugtrekken; terugwijken; teruggaan; achteruitgaan; achterwaarts gaan; zich achterwaarts bewegen; afdeinzen; [車が] achteruitrijden; [scheepv.] achteruitslaan; [景気が] achter raken; verminderen
節減する setsugensuru besnoeien; bezuinigen; besparen; inkrimpen; inperken; verminderen; verlagen; verkleinen; reduceren; terugbrengen; het mes zetten in
短縮する tanshukusuru inkorten; verkorten; afkorten; korter maken; bekorten; reduceren; verminderen; verkleinen; besnoeien; inperken; inkrimpen; comprimeren
縮める chidhimeru verkorten; inkorten; afkorten; korter maken; bekorten; [i.c.m. 記録を] scherper stellen; breken; [i.c.m. 刑期を] verminderen; [i.c.m. 距離を] verkleinen; [i.c.m. サイズを] reduceren; [m.b.t. kledingstuk] inleggen; opkorten; [fig.] condenseren; [fig.] beknotten; [i.c.m. 首を; 足を] intrekken
削減する sakugensuru verminderen; besnoeien; inperken; reduceren; verlagen; inkrimpen; korten; beperken; bezuinigen (op); beknibbelen (op); terugbrengen; het mes zetten in; kappen in; beknotten
下げる sageru (1) lager maken; doen zakken; neerlaten; laten zakken; [m.b.t. hoofd] buigen; (2) hangen; ophangen; neerhangen; laten hangen; [i.h.b.] uithangen; [m.b.t. wapen, zwaard e.d.] dragen; (3) [m.b.t. tafel] afruimen; afnemen; leegruimen; opruimen; vrijmaken; (4) meer naar achteren zetten; achteruitzetten; achteruit plaatsen; achteruit doen; [m.b.t. wagen] achteruitrijden; (5) [m.b.t. spaargeld enz.] opnemen; (laten) afschrijven; (6) [m.b.t. niveau, graad, waarde e.d.] verlagen; laten zakken; doen dalen; doen afnemen; verminderen; naar beneden halen; reduceren; neerhalen; [i.h.b.] depreciëren; [i.h.b.] degraderen; [i.h.b.] declasseren
冷める sameru (1) afkoelen; koelen; koud worden; (2) bekoelen; koelen; betijen; bedaren; luwen; minder worden; flauwer worden; verslappen; verflauwen; verkillen; afnemen; verminderen; slinken; [fig.] tanen; afslijten; [ook m.b.t. koorts] slijten; [m.b.t. koorts] dalen; [m.b.t. koorts] zakken
切り詰める kiritsumeru (1) verkorten; korter maken; bekorten; inkorten; korten; besnoeien; bijknippen; bijsnijden; [蝋燭の芯を] snuiten; (2) minderen met; [費用を] beperken; besnoeien; bezuinigen; inperken; inkrimpen; verminderen; terugbrengen; reduceren
和らぐ yawaragu milder; zachter worden; verslappen; bedaren; zich matigen; afnemen; verminderen; minder (intens; streng) worden; luwen; [風が] gaan liggen
劣化する rekkasuru achteruitgaan; verminderen; slechter worden; minder worden; er niet beter op worden; verergeren; verslechteren
弱める yowameru verzwakken; zwak; zwakker maken; afzwakken; temperen; verminderen; doen afnemen; doen verflauwen; [ガスの出を] zachter zetten; draaien; [酸を] doen verwateren; verdunnen; aanlengen
弱まる yowamaru verzwakken; zwak; zwakker worden; verslappen; minder intensief worden; verminderen; afnemen; verflauwen; [風が] gaan liggen
弱る yowaru (1) verzwakken; zwak; zwakker worden; achteruitgaan; verminderen; afnemen; verflauwen; verslappen; minder worden; teruglopen; [過労で] uitgeput raken; opraken; ervan weten; een klop van de hamer krijgen; [fig.] een kater hebben; (2) in de knel raken; in een moeilijke situatie raken; in de penarie raken; ten einde raad zijn; geen raad meer weten; van z'n stuk gebracht worden; niet weten wat te doen; in de rats zitten; ermee omhoog zitten; opgelaten zijn met; in z'n maag zitten met; [Belg.N.] verveeld zitten; (3) de dupe zijn; de sigaar zijn; erbij zijn; [volkst.] gesjochten zijn; (4) in de put raken; gedeprimeerd raken; ontmoedigd raken; zich verslagen voelen; neerslachtig worden; depressief worden; terneergeslagen raken; versomberen; somber worden; de fut verliezen; mismoedig worden; flippen
値下がりする nesagarisuru in prijs dalen; verminderen; verlagen; goedkoper worden; afslaan
値下げする nesagesuru de prijs verlagen; verminderen; afslaan; terugschroeven; reduceren; korten; afprijzen
衰える otoroeru zwakker worden; minder worden; achteruitgaan; afnemen; verzwakken; verminderen; aftakelen; in verval raken; bergaf gaan; achteruitboeren
カットする kattosuru (1) knippen; kappen; (2) [宝石を] snijden; (3) [sportt.] kappen; snijden; afsnijden; onderscheppen; effect geven; meegeven; een kapbeweging maken; (4) [filmk.] cutten; snijden en lassen; (5) inkorten; verkorten; couperen; weglaten; doorstrepen; doorhalen; schrappen; (6) verminderen; verlagen; reduceren; beperken; inkrimpen; korten; besnoeien; bezuinigen
低くする hikukusuru (1) verlagen; lager maken; lager zetten; doen zakken; neerhouden; (2) doen afnemen; verminderen; [m.b.t. geluid] zachter zetten
引く hiku (1) 16. achteruitgaan; teruggaan; terugtrekken; afgaan (van); terugwijken; (2) 17. zich retireren; zich terugtrekken; verlaten; [veroud.] resigneren; (3) 18. afnemen; zakken; dalen; wijken; wegtrekken; teruglopen; ; (1) trekken (aan); halen; [een hendel, de trekker enz.] overhalen; [naar zich] toetrekken; aanhalen; [een boog] spannen; opspannen; (2) [de aandacht] trekken; [klanten] aantrekken; [sympathie] winnen; [belangstelling] wekken; (3) [een vaartuig] jagen; slepen; [een schip] treilen; [een trekdier] geleiden; leiden; (4) citeren; aanhalen; (5) stammen uit; afstammen van; [系統を] afkomen van; spruiten uit; [i.h.b.] aarden naar; (6) [hout] zagen; [op een pottenbakkersschijf] draaien; (7) malen; vermalen; fijnmalen; (8) [een lijn, een draad] trekken; lijnen; spinnen; [een rechte] beschrijven; (9) aanhouden; rekken; (10) 10. [gordijnen] dichttrekken; dichtdoen; (11) 11. aanbrengen; besmeren; bedekken; bestrijken; (12) 12. [elektriciteit] aanleggen; installeren; aansluiten; [water (door buizen enz.)] aanvoeren; [veroud.] aanleiden; (13) 13. [een getal] aftrekken; [een bedrag] afhouden; in mindering brengen; afnemen; [iets in prijs] verlagen; afdoen; verminderen; reduceren; terugbrengen; [i.h.b.] korting geven; (14) 14. [de troepen] terugtrekken; intrekken; [visnetten] ophalen; [de handen (van iets)] aftrekken; (15) 15. overrijden; omrijden; omverrijden; aanrijden
引き下げる hikisageru verlagen; reduceren; verkleinen; verminderen; drukken; terugbrengen; terugschroeven; doen zakken; naar beneden brengen
緩める yurumeru (1) los; losser maken; losknopen; lossen; laten verslappen; vieren; loos geven; ontspannen; minder strak (doen) zijn; (2) [スピードを] minderen; verminderen; [勾配を] minder steil maken; (3) [警戒を] (laten) verslappen; laten verflauwen
緩む yurumu (1) losgaan; loskomen; losraken; los(ser) worden; gaan loszitten; [Belg.N.] lossen; (2) ontspannen; verslappen; verminderen; afnemen; slappen; slabakken; verflauwen; vervlakken; kwijnen; [スピードが] minderen; [勾配が] minder steil; scherp worden; [氷が] smelten; (3) [気が] relaxen; ontstressen; [fig.] de teugels vieren; [m.b.t. aandacht] scherpte; intensiteit verliezen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.36 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 38 treffers (zoekopdracht: 'verminderen', strategie: exact). 
2005-2019