日蘭辭典+

33 resultaten voor ‘vermogen’
日蘭辭典 (trefwoord)
akumade飽く迄
(あくまで) bw. (1) [最後迄] tot het uiterste; tot het bittere einde. (2) [極力] naar zijn beste krachten; naar zijn beste vermogen.
chikara
zn. (1) [] kracht v. (2) [權] macht v.; invloed m. (3) [能力] bekwaamheid v.; vermogen o. (4) [效果] doeltreffendheid v.; doelmatigheid v. (5) [助] steun m. (6) [氣力] energie v.; geestkracht v. (7) [語勢] nadruk m.; klem v. ¶ の及ぶ限り naar zijn beste vermogen. ¶ に任せて uit alle macht. ¶ 人のになる iemand tot steun zijn. ¶ を籠めて言ふ met nadruk zeggen. ¶ を落す den moed verliezen. ¶ 之にを得て hierdoor aangemoedigd. ¶ 不滅 behoud van arbeidsvermogen. ¶ calorische energie.
zaibutsu財物
zn. goederen o.mv.; eigendommen o.mv.
nōryoku能力
zn. bekwaamheid v.; geschiktheid v.; (法) bevoegdheid v.; competentie v. ¶ 能力ある bekwaam; geschikt; bevoegd; competent; in staat zijn; kunnen; vermogen. ¶ 能力喪失 desqualificatie; verlies eener bevoegdheid.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <vermogen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
アビリティーabiritii bekwaamheid; vermogen; vaardigheid; begaafdheid; capaciteit
キャパkyapa (1) capaciteit; vermogen; potentieel; kundigheid; vaardigheid; geschiktheid; aanleg; talent; (2) capaciteit; volume; inhoud; bergruimte
キャパシティkyapashiti (1) capaciteit; vermogen; potentieel; kundigheid; vaardigheid; geschiktheid; aanleg; talent; (2) capaciteit; volume; inhoud; bergruimte
パワーpawaa (1) kracht; power; vermogen; sterkte; macht; [veroud.] mogendheid; (2) energie; fut; pit; uithoudingsvermogen; uithouding; drive; dynamiek; vuur; animo
ワースwaasu (1) waarde; (2) vermogen; (3) Wace; Worth; Wirth; Werth
世帯setai (1) eigendom; vermogen; fortuin; bezit; (2) huishouding; (3) huishouden; gezin; (4) levensonderhoud; het zich behelpen; (5) gezinsvader; gezinsmoeder; (6) [scheepv.] kombuis; [veroud.] kabuis; kookplaats; scheepskeuken; (7) [maatwoord voor gezinnen; huishoudens]
出力shyutsuryoku (1) [comp.] uitvoer; output; (2) [発電所の] vermogen; capaciteit
出来るdekiru (1) gereedkomen; klaarkomen; afkomen; voltooid worden; (2) gemaakt worden (van); vervaardigd worden (van); [m.b.t. gewassen] voortgebracht worden; [m.b.t. gerechten] op het menu staan; (3) zich ontplooien; groeien; (4) ontstaan; tot stand komen; zich vormen; opgericht worden; zich voordoen; (5) geboren worden; voortkomen; (6) kunnen; in staat zijn te; [form.] vermogen; mogelijk zijn; (7) goed zijn (in); knap zijn; onderlegd zijn; kundig zijn; capabel zijn; bedreven zijn; bekwaam zijn; [m.b.t. een taal] machtig zijn; (8) verkering krijgen; omgang krijgen; het aanleggen met
力量rikiryou aanleg; talent; gave; begaafdheid; kwaliteiten; capaciteiten; bekwaamheid; vermogen; capabiliteit
chikara (1) kracht; macht; energie; force; invloed; potentie; [i.h.b.] geweld; [volkst.] forsie; (2) sterkte; kracht; moed; (3) hulp; behulp; middelen; (4) kracht; inspanning; moeite; (5) vermogen; kunnen; capaciteit; bekwaamheid; vaardigheid
ryoku -kracht; -vermogen; -macht; -capaciteit
器量kiryou (1) talent; vermogen; capaciteit; gave; bekwaamheid; kaliber; formaat; (2) [女性の] uiterlijk; voorkomen; looks; trekken; gelaatstrekken; gezicht; (3) [男性の] reputatie; verdienste; eer; goede naam
威力iryoku macht; kracht; vermogen
実力jitsuryoku (1) prestatievermogen; vermogen; bekwaamheid; vaardigheid; competentie; praktische beheersing; capaciteit; capabiliteit; iems. kunnen; begaafdheid; (2) geweld; wapengeweld; [fig.] de wapenen
容量youryou capaciteit; volume; inhoud; bergruimte; vermogen; potentieel
影響するeikyousuru beïnvloeden; invloed; impact; (uit)werking; effect hebben; van invloed zijn; influenceren; inwerken op; werken op; vermogen; [w.g.] influeren
所帯shyotai (1) huishouding; huishouden; [niet alg.] menage; (2) gezinsleven; (3) gezin; huisgezin; familie; (4) vermogen; status
手腕shyuwan bekwaamheid; vaardigheid; vermogen; kundigheid; vakkundigheid
kon (1) wortel; oorsprong; grondslag; begin; origine; bron; (2) [boeddh.] indriya; ± vermogens; (3) uithouding; volharding; vitaliteit; (4) geslachtsorgaan; [i.h.b.] mannelijk lid; (5) [wisk.] wortel van een vergelijking; (6) [wisk.] wortel; (7) [chem.] radicaal; groep; (a) [biol.] wortel; (b) basis; oorsprong; origine; (c) energie; vermogen; (d) [boeddh.] indriya; (e) [wisk.] wortel
san (1) het baren; het bevallen; bevalling; baring; partus; verlossing; geboorte; [fig.] kraambed [doorgaans door o お voorafgegaan]; (2) bakermat; geboorteplaats; origine; afkomst; afstamming; [fig.] wieg; (3) product; [m.b.t. personen] een geboren ~; [fig.; m.b.t. personen] zoon; dochter van ~; ingeborene van ~; (4) fortuin; vermogen; rijkdom; bezit; middelen; (5) made in ~; vervaardigd in ~; afkomstig uit ~; uit ~; van ~ afkomst; van ~; ~ van geboorte; geboortig van; uit; ~ van origine; van ~ bodem
能力nouryoku (1) bekwaamheid; vaardigheid; vermogen; [i.h.b. psych.] faculteiten; competentie; geschiktheid; capaciteit; kunde; knapheid; kundigheid; capabiliteit; [veroud.] vatbaarheid; (2) [jur.] bevoegdheid; competentie; (3) [taalk.] beheersing
nou (1) kunde; vermogen; macht; kunnen; kunst; [Lat.] vis; talent; (2) nut; bruikbaarheid; utiliteit; (3) no; no-theater; no-spel
財産zaisan eigendom; bezitting; bezit; goed; fortuin; vermogen; rijkdom
財貨zaika geld en goed; rijkdom; fortuin; vermogen
zai (1) bezit; vermogen; fortuin; rijkdom; (2) [econ.] goed; goederen; activa; (a) kostbaarheid; schat; (b) geld; vermogen
資産shisan [econ.] activa; middelen; actief; baten; vermogen; bezit
身代shindai (1) vermogen; rijkdom; fortuin; bezit; eigendom; (2) leefomstandigheden; levensomstandigheden; levensonderhoud; bestaan; kostwinning; kost
電力denryoku (1) elektrisch vermogen; [pregn.] vermogen; (2) elektriciteit; elektrische energie; stroom
馬力bariki (1) paardenkracht; kracht (als) van een paard; (2) kar; sleperswagen; vrachtkar; (3) vermogen; kracht; vitaliteit; energie; (4) [veroud.; natuurk.] paardenkracht [eenheid van vermogen]; pk; HP [-> horsepower]; CV [-> cheval-vapeur]
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.5 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 29 treffers (zoekopdracht: 'vermogen', strategie: exact). 
2005-2022