日蘭辭典+

24 resultaten voor ‘verrichten’
日蘭辭典 (trefwoord)
yaruやる
(遣る; やる) t.w. (1) [與へる] geven; schenken. (2) [爲す] doen; verrichten. (3) [送る] zenden. ¶ 旨く遣る goed doen; netjes doen. ¶ 手紙を遣る brief sturen. ¶ 祝儀を遣る fooi geven. ¶ 醫者をやる dokters praktijk uitoefenen. ¶ やつて見る probeeren. ¶ 日本語をやる Japansch studeeren. ¶ 酒をやる van drank houden; drinken.
fumuふむ
(踏む) i.w. (1) [踏付ける] trappen op; t.w. (2) [評價] schatten. (3) [履む] vervullen; verrichten; i.w. voldoen aan. ¶ 芝生を踏むな trap niet op het gras. ¶ 私の踏んだでは naar mijn schatting. ¶ 約束を履む voldoen aan een belofte.
hatasu果す
(果たす) t.w. vervullen; volvoeren; volbrengen.
itasu致す
t.w. (1) [行ふ] doen; verrichten. (2) [招來] te weeg brengen; veroorzaken. (3) [輸送] vervoeren; transporteeren. ¶ どう致しまして niet te danken. ¶ 失禮いたしました neem mij niet kwalijk. ¶ 致す een dienst bewijzen; zijn best doen voor. ¶ 致す zijn leven opofferen. ¶ は自ら禍を致したのだ hij heeft het aan zichzelf te wijten; het is zijn eigen schuld. ¶ 富を致す rijkdom vergaren.
jūji從事
(従事) zn. bezigheid v.; bedrijf o. ¶ 從事する bezig zijn met; bedrijven; verrichten. ¶ 從事して居ますか wat is zijn beroep?
kiseki奇蹟
(奇跡) zn. wonder o. ¶ 奇蹟を行ふ wonderen verrichten; wonderen doen. ¶ 奇蹟的 wonderbaarlijk.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <verrichten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
申す mousu (1) zeggen; heten; noemen; meedelen; kond doen van; (2) doen; verrichten; [politiek] bedrijven; (3) verzoeken; vragen (om)
申し上げる moushiageru (1) zeggen; verklaren; meedelen; betuigen; betonen; (2) doen; verrichten; [uitleg] geven; [een dienst] bewijzen
為る suru (1) zich voordoen; gebeuren; plaatsvinden; (2) verstrijken; voorbijgaan; verlopen [voorafgegaan door een meishi die een bep. tijdseenheid aanduidt]; (3) bedragen; kosten; waard zijn [voorafgegaan door een meishi die een bep. waarde, bedrag aanduidt]; (4) beslissen; besluiten; ervoor kiezen [in de constructie … to suru …とする of … ni suru …にする]; (5) hebben; merken; voelen [m.b.t. gewaarwording; in de constructie … ga suru …がする]; ; (1) doen; begaan; maken; verrichten; aanvangen; aandoen; uitvoeren; bedrijven; uitoefenen; beoefenen; praktiseren; doen (aan); [m.b.t. zaak, winkel enz.] runnen; (2) [van beroep …] zijn; werken (als); dienst doen (als); [m.b.t. ambt] waarnemen [in de constructie … o suru …をする]; (3) maken; maken (tot); [er een … van] maken [in de constructie … ni suru …にする]; (4) gebruiken als; bezigen als; doen dienen als [in de constructie … ni suru …にする]; (5) 10. vinden; achten; beschouwen; aanzien; dunken [in de constructie … to suru …とする]; (6) 11. (ver)onderstellen (dat); aannemen (dat); stellen (dat) [in de constructie … to suru …とする]; (7) 12. aandoen; dragen [m.b.t. kledingstuk]; (8) 13. hebben; zijn [m.b.t. een bep. vorm, toestand enz.]
su (1) zijn; bestaan; (2) zich voordoen; gebeuren; voorkomen; voorvallen; ; (1) doen; verrichten; bedrijven; (2) […~] doen; plegen; (3) in een bep. toestand brengen; maken tot; (4) […~] beschouwen; vinden; achten
使う tsukau (1) gebruiken; bezigen; gebruik maken van; aanwenden; zich bedienen van; [i.h.b.] in dienst nemen; aannemen; [電車; 風呂を] nemen; (2) hanteren; [機械を] bedienen; [i.h.b.] manipuleren; [魔法; 魔術を] beoefenen; aan … doen; verrichten; (3) verbruiken; aanwenden; spenderen; besteden; consumeren; [金銭を] uitgeven; wijden (aan)
致す itasu (1) doen; verrichten; (2) teweegbrengen; doen ontstaan; veroorzaken
下す kudasu (1) neerlaten; laten zakken; strijken; (2) geven; schenken; verlenen; toekennen; (3) [命令を] uitvaardigen; [判決を] uitspreken; vellen; strijken; [結論を] trekken; (4) [自ら手を] doen; uitvoeren; verrichten; (5) [おなかを] buikloop; diarree hebben; [虫を] wormen hebben; (6) [敵を] verslaan; winnen van; overwinnen; kloppen
為す nasu (1) doen; bedrijven; begaan; plegen; beoefenen; verrichten; voeren; betrachten; (2) [van emoties: bang, boos, woest enz.] worden; (3) [fortuin, naam] maken; [zijn doel] verwezenlijken; vormen; uitmaken; (4) x tot y maken; er ~ van maken
為さる nasaru [honoratieve variant van suru en nasu] doen; verrichten; ; […(お; ご)~] [hon. hulpwerkwoord] doen; verrichten
為される nasareru [honoratieve variant van suru en nasu] doen; verrichten; ; […(お; ご)~] [hon. hulpwerkwoord] doen; verrichten
実行する jikkousuru (in de praktijk) toepassen; uitvoeren; uitvoering geven aan; ten uitvoer brengen; leggen; in praktijk brengen; implementeren; vervullen; realiseren; effectueren; verrichten; uitoefenen; volvoeren; doorvoeren; beoefenen; [m.b.t. belofte] nakomen; [m.b.t. wet] van kracht doen worden; in werking doen treden
足す tasu (1) optellen; een optelling maken; (2) toevoegen; bijvoegen; erbij doen; (3) aanvullen; volledig maken; [form.] suppleren; [m.b.t. tekort] bijleggen; (4) zich kwijten van; doen; verrichten; uitvoeren; vervullen; volbrengen
参らせる mairaseru [hum.] […参らせる] doen; verrichten; ; (1) vellen; afmaken; overwinnen; verslaan; kloppen; eronder krijgen; aan het kortste eind doen trekken; (2) [hum.] schenken; aanbieden; geven; aanreiken
遣る; 行る yaru 19. [een handeling doen, verrichten]; ; (1) sturen; laten gaan; doen [schoolgaan enz.]; (2) [m.b.t. een voertuig] voortbewegen; vooruit doen gaan; vooruit laten gaan; aan de gang brengen; rijden; (3) richten; [een fooi enz.] geven; [dieren] voeren; (4) ter arbitrage toevertrouwen; (5) [zijn ongenoegen, gemoed e.d.] luchten; [door drinken enz.] kwijtraken; (6) gieten; [water] geven; (7) laten ontsnappen; (8) bevorderen; vooruitbrengen; (9) [m.b.t. hand] uitsteken; uitstrekken; (10) 10. een tsukeku 付句 of yariku やり句 toevoegen [idioom uit de wereld van renga 連歌 en haikai 俳諧]; (11) 11. falen; verknoeien; om zeep helpen; (12) 12. bedriegen; (13) 13. kastijden; doodslaan; (14) 14. uithuwelijken; aan de man brengen; (15) 15. nuttigen; gebruiken; [er eentje] drinken; eten; roken; (16) 16. leven; een bestaan leiden; (17) 17. doen; verrichten; [huiswerk enz.] maken; [schaak enz.] spelen; [een cursus e.d.] volgen; [~ als hoofdvak] studeren; [een tentoonstelling enz.] houden; [een stuk enz.] opvoeren; [een film enz.] vertonen; [een winkel enz.] drijven; [een beroep enz.] uitoefenen; [een toespraak enz.] afsteken; (18) 18. het doen; gemeenschap hebben; vrijen; ; (1) 20. [geeft aan dat de handeling over een verre afstand geldt]; (2) 21. [drukt de beëindiging van een handeling uit; vaak vergezeld van een negatie]; (3) 22. [drukt uit dat de handeling voor anderen verricht wordt]
果たす hatasu (1) doen; uitvoeren; ondernemen; verrichten; ten uitvoer brengen; leggen; bewerkstelligen; (2) vervullen; volbrengen; voltooien; volvoeren; voldoen; zich kwijten van; tot stand brengen; bereiken; verwezenlijken; realiseren; tot een goed einde brengen; waar maken; voor elkaar krijgen; (3) een dankbedevaart ondernemen; (4) afmaken; doden; (5) geheel ten einde toe + ww.[1]
敢行する kankousuru gedecideerd; vastberaden optreden; fors ingrijpen; ; (1) durven; aandurven; wagen; het lef hebben te; (2) uitvoeren; verrichten; doen; ten uitvoer brengen; ten uitvoer leggen; implementeren
遊ばす asubasu [♀] [honoratieve variant van suru] doen; verrichten; ; [♀] […お~] [hon. hulpwerkwoord] doen; verrichten
遊ばす asobasu […お; ご~] [hon. hulpwerkwoord] doen; verrichten; ; (1) laten spelen; doen spelen; (2) ongebruikt; onbenut; onaangesproken laten; braak laten liggen; laten rusten; [金を] laten verinteresten; (3) [honoratieve variant van suru] zich verwaardigen te doen; niet beneden zich achten te; zo goed; vriendelijk zijn te; (4) [音楽を] musiceren; [楽器を] bespelen; (5) [詩歌を] dichten; (6) [字; 文を] schrijven
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.36 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 18 treffers (zoekopdracht: 'verrichten', strategie: exact). 
2005-2019