日蘭辭典+

31 resultaten voor ‘verschijnen’
日蘭辭典 (trefwoord)
arawareru現れる
(現われる・表れる・表われる・顕われる) i.w. (1) [外面に] te voorschijn komen; voor den dag komen. (2) [出現する] verschijnen; in het gezicht komen. ¶ 發學 blijken; aan het licht komen; ontdekt worden.
mieru見える
i.w. (1) [に映る] zichtbaar zijn; gezien kunnen worden; in ’t gezicht komen. (2) [らしい] er uitzien als; aanzien hebben van; schijnen te zijn. (3) [出現] opdagen; verschijnen; komen. ¶ 見えなくなる onzichtbaar worden; verdwijnen. ¶ 見え出す in het gezicht komen. ¶ 日本人とは見えない hij ziet er niet uit als een Japanner. ¶ 病氣見える hij schijnt ziek te zijn. ¶ 先生はまだ見えない de leeraar is er nog niet.
yume
zn. droom m. ¶ 夢の世界 droomwereld. ¶ 夢を見る droomen. ¶ 夢にも思はない niet kunnen droomen, dat ¶ 夢に現れる in den droom verschijnen. ¶ 夢判斷
kanketsu間歇

(間欠) zn. onderbreking v. ¶ 間歇する intermitteeren; met tusschenpoozen verschijnen. ¶ 間歇熱 intermitteerende koorts. ¶ 間歇泉 intermitteerende spuitbron; geyser.

SUPPLEMENT (trefwoord)
tariたり
Hulpwerkwoord van de schrijftaal of het klassiek Japans.
mizenrenyōshūshirentaiizenmeirei
たらたりたりたるたれたれ
たり sluit aan op de renyōkei. Het geeft de voltooiing van een handeling of een proces aan (modern -した) Geeft voortdurend effect van een voltooide handeling of proces (...heeft gedaan; -ている; -てある). (IT:95) たり is het schrijftaal equivalent van spreektaal た. Attributief: たる, predicatief: たり. ¶ 次にあらわれたるは女の顔《次にあらわれたのは女の顔》 het was het gezicht van een vrouw dat vervolgens verscheen ¶ あらわれたるは方屋黒タイツに空色《の》水着を着たデブさん wat is verschenen in de ring [is] Mevrouw dikzak gekleed in een hemelsblauw badpak en zwarte panties De attributieve vorm (たる) nominaliseert het voorafgaande zonder de tussenkomst van の (wat in het modern wel noodzakelijk is). (SEM:838)
shinkyō心境
zn. gemoedstoestand; mening; instelling; gedachten. ¶ 心境の変化 verandering van gedachten. ¶ 心境が変化する van gedachten veranderen. ¶ それまでに再度心境が変化して、急きょ欠席ということがなければいいのですが。 Maar als in de tussentijd het niet gebeurd dat [mensen] opnieuw van gedachten veranderen en opeens niet verschijnen komt het in orde.
hōsō放送
(znw, suru-ww) uitzending. ¶ 放送する hōsōsuru uitzenden ¶ 生放送 namahōsō een live uitzending ¶ 公共放送 kōkyōhōsō publieke uitzending ¶ 民間放送 minkanhōsō commerciële uitzending ¶ 地元[地方]のニュースはに放送されます。 Jimoto [chihō] no nyūsu wa tsugi ni hōsōsaremasu. Hierna volgt het regionale nieuws. ¶ 首相明日放送に出る。 Shushō wa ashita hōsō ni deru. De premier zal morgen in een uitzending verschijnen. ¶ 反乱軍は放送局を占拠した。 Hanrangun wa hōsōkyoku wo senkyoshita. De rebellen bezetten het zendstation. ¶ ナルホド先生の講演が再放送された。 Naruhodo sensei no kōgi ga saihōsōsareta. De lezing van professor Naruhodo werd opnieuw uitgezonden.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <verschijnen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
やって来るyattekuru komen opdagen; [乗物で] komen aanrijden; aankomen; komen aanzetten; komen aangezet; opkomen; verschijnen; zich laten zien; zich vertonen; aanbreken
出づizu (1) naar buiten komen; (2) vertrekken naar; (3) verlaten; (4) verschijnen; te voorschijn komen; (5) opkomen; opduiken; (6) overschrijden; (7) uitsteken; (8) optreden; ten tonele komen; (9) doorbreken; (10) zich vormen; (11) gebeuren; zich voordoen; (12) voortkomen; geboren worden; (13) stammen uit; z'n oorsprong vinden in; (14) zich openbaren; zich manifesteren
出て行くdeteiku (1) weggaan; vertrekken; heengaan; ervandoor gaan; zich uit de voeten maken; opkrassen; 'm smeren; [veroud.] zich wegpakken; (2) zijn entree maken; verschijnen; opdagen; te voorschijn komen
出るderu (1) naar buiten gaan; naar buiten komen; zich vertonen; uitbreken; uitgaan; uitkomen; verlaten; vandaan gaan (bij); vertrekken; [m.b.t. boot] afvaren; [i.h.b.] afstuderen (aan); [i.h.b.] aftrek vinden; weggaan; (2) verschijnen; opkomen; voor de dag komen; opduiken; te voorschijn komen; zich voordoen; rijzen; voorkomen; [aan de telefoon enz.] komen; [m.b.t. zon] opgaan; rijzen; doorkomen; [m.b.t. bloemknoppen enz.] uitkomen; uitlopen; [i.h.b.] ontdekt worden; [m.b.t. geesten; spoken] waren; (3) uitsteken; naar buiten steken; opsteken; uitspringen; oprijzen; (4) bijwonen; aanwezig zijn bij; gaan naar; deelnemen aan; meedoen aan; [voor het gerecht enz.] verschijnen; in [zaken; het bedrijfsleven; de politiek enz.] gaan; (5) [m.b.t. wegen] leiden naar; voeren naar; uitkomen op; tegenkomen; bereiken; aantreffen; vinden; stuiten op; (6) te buiten gaan; overschrijden; gaan over; passeren; (7) ontspruiten (aan); komen uit; voortkomen (uit); voortspringen uit; ontstaan uit; beginnen; ontspringen; ontsnappen; [fig.] opwellen; [lit.t.] ontwellen; zijn oorsprong ontlenen aan; zijn oorsprong vinden in; teruggaan op; afstammen van; afkomen van; stammen uit; voortspruiten uit; (8) verschijnen; uitkomen; uitgegeven worden; gepubliceerd worden; [i.h.b. de pers enz.] halen; (9) krijgen; verkrijgen; [arch.] bekomen; [m.b.t. gerecht] opgediend worden; geserveerd worden; [m.b.t. bedrag; premie] uitgekeerd worden; (10) toenemen; rijzen; [m.b.t. wind] opsteken; aanwakkeren; [m.b.t. snelheid] optrekken; (11) zich … gedragen; een … houding nemen; (12) [m.b.t. thee] trekken
出席するshyussekisuru aanwezig zijn; present zijn; tegenwoordig zijn; verschijnen; bijwonen; bezoeken; [pregn.] gaan; komen naar; zich vertonen; opdagen
出現するshyutsugensuru verschijnen; optreden; zich voordoen; gebeuren; voorkomen; te voorschijn komen; opduiken; opkomen; acte de présence geven
出頭するshyuttousuru verschijnen; komen opdagen; opgaan voor; zich komen aanmelden; zich melden; zich presenteren; voor de dag komen; acte de présence geven
shyutsu (1) aanwezigheid; (2) vertrek; verlating; (3) afstammeling; [fig.] zoon; (4) ontsnapping; (5) [bijb.] Exodus; [Hebr.] Sjemot; [afk.] Exod.; [afk.] Ex.; (6) opdringerig; bemoeiziek; vrijpostig; brutaal; (a) uitgaan; eruit gaan; (b) gaan naar; (c) verschijnen; (d) uitblinken; uitmunten; (e) zich voordoen; gebeuren; (f) uitbrengen; naar buiten brengen; (g) betalen; (h) doen verschijnen; laten zien; (i) voortbrengen; (j) oorsprong; herkomst
列席するressekisuru aanwezig zijn; present zijn; tegenwoordig zijn; verschijnen; bijwonen; bezoeken; [pregn.] gaan; komen naar; zich vertonen; opdagen
剥げ落ちるhageochiru (1) afkomen; afbladderen; afschilferen; afpellen; loslaten; loskomen; (2) [色が] verfletsen; verkleuren; verschieten; verbleken; vervagen; [veroud.; gew.] verschijnen
来るkuru (1) komen; verschijnen; opdagen; naderen; niet achterwege blijven; (2) aankomen; arriveren; (zijn bestemming) bereiken; (3) bezoeken; een visite brengen; op bezoek gaan bij; te gast zijn bij; (4) aanbreken; beginnen; voor de deur staan; (5) worden; in een bepaalde toestand raken; in een bepaalde hoedanigheid raken; (6) (een houding) aannemen; (7) invoeren; introduceren; in gebruik laten komen; in zwang brengen; (8) zijn oorzaak vinden in; toe te schrijven zijn aan; te wijten zijn aan; veroorzaakt zijn door; (9) ontsproten zijn uit
浮かび上がるukabiagaru (1) komen bovendrijven; naar boven (komen) drijven; opdrijven; opduiken; bovenkomen; boven water komen; opkomen; oprijzen; (2) aan het licht komen; voor de dag komen; aan de oppervlakte komen; treden; te voorschijn komen; treden; verschijnen; verrijzen; (3) ontstijgen; zich losmaken uit; van
浮かぶ ; 泛かぶukabu (1) [水; 空に] drijven; zweven; vlotten; dobberen; bovenblijven; (2) naar boven drijven; opdrijven; komen bovendrijven; omhoogdrijven; bovenkomen; opduiken; opwellen; aan de oppervlakte komen; (3) [心; 胸に] te binnen schieten; door het hoofd schieten; in de gedachten opkomen; opborrelen; invallen; beginnen door te dringen; zich bedenken; (4) verschijnen; zich aftekenen; opdagen; zichtbaar worden; [口許に] spelen om; [霧の中から] opdoemen; (5) [boeddh.] gered worden; verlost worden; de zaligheid verwerven; in vrede rusten; (6) vooruitkomen in de wereld; carrière maken; een succesvolle loopbaan uitbouwen; het maken
満ちるmichiru (1) opkomen [van het getijde]; opgaan; rijzen; wassen [van de maan]; (2) volstromen [met mensen; zaken]; vollopen; volschieten; vervuld zijn van; vol staan van; vol zijn van; zich vullen; (3) halen; voldoen aan; aflopen [van termijn]; [時が] rijp zijn; verstrijken; verlopen; aflopen; vervallen; expireren; verschijnen
発するhassuru (1) vertrekken uit; verlaten; (2) verschijnen; zich voordoen; optreden; gebeuren; voortkomen; voortspruiten; ontspringen; voortspringen; komen uit; uitgaan van; voortvloeien uit; emaneren uit; afkomstig zijn van; z'n oorsprong vinden; (3) ontstaan; tot stand komen; (4) teweegbrengen; veroorzaken; doen ontstaan; beginnen; starten; lanceren; (5) voortbrengen; geven; opleveren; afgeven; afscheiden; verspreiden; uitstoten; uitzenden; uitvaardigen; verstrekken; (6) uiten; uitbrengen; van zich doen uitgaan; formuleren; (7) afvuren; afschieten; (8) sturen; afzenden; afvaardigen
発現するhatsugensuru verschijnen; zichtbaar worden; zich kenbaar maken; zich vertonen; zich uiten; blijken; zich manifesteren; zich openbaren; zich voordoen; optreden; naar voren treden; aan de dag treden; aan het daglicht treden; zich laten zien; aan de oppervlakte komen
移ろうutsurou (1) veranderen; anders worden; (2) verkleuren; verschieten; [veroud.; gew.] verschijnen; [i.h.b.] vervagen; verflauwen; verbleken
立ち出づtachiizu (1) vertrekken; weggaan; opstappen; eropuit gaan; trekken; naar buiten komen; (2) langskomen; bezoeken; aankomen; arriveren; (3) zich mengen in; zich bemoeien met; (4) verschijnen; voor de dag komen; opduiken; zich vertonen; tevoorschijn komen; komen opdagen
色褪せるiroaseru verkleuren; ontkleuren; van kleur verschieten; verbleken; verflauwen; verleppen; vervalen; [veroud.; gew.] verschijnen
褪せるaseru (1) verfletsen; flets; fletser worden; z'n kleur verliezen; ontkleuren; verkleuren; verschieten; verbleken; vervagen; [gew.] afgaan; [veroud.; gew.] verschijnen; (2) [fig.] tanen; in glans achteruitgaan; afnemen; verflauwen; wegkwijnen
褪めるsameru verfletsen; flets; fletser worden; verkleuren; verschieten; verbleken; bleek worden; vervagen; [veroud.; gew.] verschijnen; [gew.] afgaan
見えるmieru (1) zichtbaar zijn; gezien kunnende worden; te zien zijn; in zicht zijn; verschijnen; zien; (2) kunnen zien; in staat zijn te zien; (3) vinden; aantreffen; waarnemen; (4) komen; aankomen; opdagen; arriveren [beleefdheidsvorm voor kuru 来る]; (5) eruitzien (als); lijken; toeschijnen; voorkomen; de indruk wekken
ken (1) visie; kijk; beschouwing; zienswijze; opvatting; opinie; (2) het cruisen in de rosse buurt; meisjeskeuring; (3) hoogtepunt; highlight; (4) [boeddh.] darśana [= perceptie]; (a) bekijken; (b) nadenken; beschouwing; (c) ontmoeten; (d) verschijnen
顔出しするkaodashisuru (1) z'n gezicht tonen; laten zien; acte de présence geven; [i.h.b.] bezoeken; even aanlopen; bijwonen; (2) verschijnen; zich vertonen; zich manifesteren; zich verraden
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.49 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 24 treffers (zoekopdracht: 'verschijnen', strategie: exact). 
2005-2022