日蘭辭典+

29 resultaten voor ‘vervallen’
日蘭辭典 (trefwoord)
abaraya荒屋
zn. vervallen huis o.
areru荒れる
i.w. (1) [荒廢する] vervallen; verlaten zijn; in verval zijn. (2) [暴れる] woest zijn; woeden; razen. (3) [粗雜] ruw worden; ruig worden. ¶ 草が生え茂る verwilderen; vol met onkruid zijn.
areya荒家
zn. vervallen huis o.
bōkoku亡國

(亡国) zn. vervallen rijk o.; ondergang van het rijk; nationaal verval o; nationale ondergang m.

hatan破綻

zn. (1) [破壞] afbraak v.; instorting v.; verval o. (2) [破產] bankroet o.; faillissement o. ¶ 破綻する (破產) bankroet gaan; failleeren; (破壞) afbreken; vervallen; instorten.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <vervallen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
うらぶれたurabureta (1) weggekwijnd; verkommerd; verpieterd; ellendig; beroerd; belabberd; (2) vervallen; verwaarloosd; verlopen; armzalig; armoedig; sjofel; haveloos; schamel; shabby
がたがたのgatagatano (1) afgeleefd; vervallen; bouwvallig; gammel; wrak; wankel; versleten; vergammeld; kapot; krakkemikkig; krakemikkig; [gew.] kramakkelachtig; [gew.] kramakkig; (2) [~歯] los; loszittend; [gew.] loterend; [veroud.; gew.] leuterend
下るkudaru (1) afdalen; naar beneden gaan; afkomen; (2) vallen; neerkomen; neerdalen; (3) [川を〜] afvaren; afdrijven; stroomafwaarts varen; gaan; afgaan; (4) [都から地方へ〜] gaan; het land op gaan; naar het platteland gaan; (5) [命令が〜] afkomen; gegeven worden; afgekondigd worden; uitgevaardigd worden; (6) diarree hebben; buikloop hebben; (7) zich terugtrekken; ontslag nemen; (8) achterstaan bij …; minder zijn dan …; (9) zich overgeven; zich gewonnen geven; de strijd opgeven; (10) nederig zijn; deemoedig zijn; ootmoedig zijn; (11) achteruitgaan; vervallen; aftakelen
低下するteikasuru (1) dalen; zakken; [m.b.t. prijzen] lager worden; verlagen; (2) achteruitgaan; teruglopen; teruggaan; achteruitlopen; achteruitboeren; aftakelen; vervallen; verworden; ontaarden; de kreeftengang gaan; er niet beter op worden; slechter worden; verslechteren; afzakken; verlopen; [m.b.t. kwaliteit] verarmen
切れるkireru (1) goed snijden; scherp zijn; (2) doorslaan; gek worden; (3) opgedragen raken; (4) opraken; uitgeput raken; leeg raken; [電池が] uitgewerkt raken; (5) aflopen; verstrijken; vervallen; (6) afbreken; tot een einde laten komen; (7) missen; niet hebben; (8) slim zijn; gewiekst zijn; scherpzinnig zijn; (9) gewond raken; gesneden worden; (10) barsten; in elkaar storten; het begeven; het niet houden; bezwijken
堕するdasuru vervallen; afglijden; verworden; ontaarden
失効するshikkousuru [jur.] tenietgaan; vervallen; verlopen; verstrijken; rechtsgeldigheid verliezen; krachteloos; nietig; ongeldig worden; niet langer gaan gelden; effect verliezen
寂れるsabireru achteruitgaan; tanen; in verval raken; vervallen; kwijnen; verlaten raken; uitgestorven raken; ontvolken
hai (a) in onbruik raken; vervallen; (b) weggooien; opgeven
後戻りするatomodorisuru (1) teruggaan; terugkeren; omkeren; terugtrekken; op z'n schreden terugkeren; (2) achteruitgaan; terugvallen; vervallen; slechter worden; (3) [geneesk.] weer instorten; hervallen
成り下がるnarisagaru aan lagerwal raken; geraken; achteropraken in de wereld; zakken op de maatschappelijke ladder; zich verlagen; vervallen; degraderen; verloederen
消滅するshyoumetsusuru uitsterven; ophouden te bestaan; uitgewerkt raken; verdwijnen; [jur.] vervallen; tenietgaan; verlopen; nietig worden; ongeldig worden; verstrijken; [m.b.t. zonde] uitgeboet worden
満ちるmichiru (1) opkomen [van het getijde]; opgaan; rijzen; wassen [van de maan]; (2) volstromen [met mensen; zaken]; vollopen; volschieten; vervuld zijn van; vol staan van; vol zijn van; zich vullen; (3) halen; voldoen aan; aflopen [van termijn]; [時が] rijp zijn; verstrijken; verlopen; aflopen; vervallen; expireren; verschijnen
満了するmanryousuru (1) aflopen; verstrijken; vervallen; expireren; (2) voleindigen
滅ぶhorobu (1) vallen; ten onder gaan; te gronde gaan; ondergaan; ten val komen; tenietgaan; verwoest; vernietigd worden; vergaan; vervallen; het afleggen; verloren gaan; teloorgaan; (2) uitsterven; uitgeroeid worden; het erbij inschieten; ophouden te bestaan; verdwijnen
終わるowaru (1) eindigen; ten einde lopen; ten einde komen; aflopen; afkomen; een einde nemen; (2) klaar zijn; gereed zijn; compleet zijn; (3) [m.b.t. termijn; geldigheid etc.] aflopen; vervallen; verlopen; verstrijken; (4) [na een bijeenkomst; een vergadering etc.] uiteengaan; van elkaar gaan; (5) beëindigen; afwerken; afmaken; tot het einde doen; de laatste hand leggen aan; voltooien
荒れたareta (1) ruw; wild; woest; stormachtig; (2) vervallen; verkrot; verwaarloosd; onverzorgd; slecht onderhouden; woest en ledig; desolaat; troosteloos; (3) [〃手] ruw; schraal; verweerd; gebarsten; (open)gesprongen; gekloofd; zoor; spreu; [gew.] sproos
荒れるareru (1) in verval zijn; vervallen; verlaten zijn; (2) woest zijn; woeden; razen; stormen; onstuimig worden; woelig worden; oneffen worden; (3) [肌が~] ruw worden
荒屋abaraya (1) bouwvallig; vervallen; uitgewoond; verkrot huis; krot; kavalje; hok; bouwval; stulp; [inform.] gribus; [gew.] brak; (2) m'n stulpje; m'n bescheiden; schamele woning; m'n nederige hut
荒廃するkouhaisuru (1) in verval raken; (tot een ruïne; tot puin) vervallen; bouwvallig worden; verkrotten; (2) aftakelen; verworden; achteruitgaan; bergafwaarts gaan; achteruitboeren; [inform.] achteruitkachelen
走るhashiru (1) rennen; lopen; hollen; snellen; vliegen; stormen; stuiven; [arch.; door het gebeente; de leden enz.] varen; [w.g.; lit.t.] reilen; [Barg.] dinkelen; (2) zich snel voortbewegen; rijden [bv. van voertuigen]; karren; lopen [bv. van vaartuigen]; [Barg.] poken; (3) weglopen; wegrennen; wegvluchten; vluchten; op de loop gaan; op de vlucht gaan; het hazenpad kiezen; (4) overlopen; overgaan; deserteren; (5) [geëmotioneerd enz.] raken; worden; [tot uitersten enz.] vervallen; gaan doen aan; zich overgeven aan; [het dievenpad enz.] opgaan; (6) vlotten; lopen; (7) lopen; zich uitstrekken; gelegen zijn; (8) schieten [bv. pijn]; flitsen
退廃するtaihaisuru verbasteren; ontaarden; verworden; degenereren; verloederen; achteruitgaan; vervallen; aftakelen
過ぎるsugiru (1) voorbijgaan; passeren; voorbijtrekken; voorbijkomen; voorbijlopen; achter zich laten; (2) verstrijken; voorbijgaan; verlopen; [form.] vlieden; [i.h.b.] aflopen; [i.h.b.] expireren; [i.h.b.] vervallen; (3) te boven gaan; overschrijden; overgaan; te buiten gaan; te ver gaan; meer zijn dan; (4) (zich) over-; te (veel …); overdreven … zijn [voegt de nuance van onmatigheid; overdadigheid toe]
零落するreirakusuru (1) vervallen; verpauperen; achteruitgaan; teruggaan; versukkelen; verkwijnen; achteropraken; verloederen; verlopen; aan lagerwal raken; bergaf gaan; tot de bedelstaf raken; van het bed op het stro raken; ridder te voet worden; (2) [花; 葉が] afvallen; (3) sterven; overlijden
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.5 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 24 treffers (zoekopdracht: 'vervallen', strategie: exact). 
2005-2022