日蘭辭典+

33 resultaten voor ‘voet’
日蘭辭典 (trefwoord)
aruku步く
(歩く) i.w. wandelen. ¶ 步いて行く wandelen; te voet gaan. ¶ そろそろ步く langzaam loopen; drentelen. ¶ よちよち步く waggelen. ¶ よろめき步く strompelen. ¶ 街(路)を步く op straat loopen;
ashi
zn. (1) [] voet m. (2) [脚] been o. (3) [動物の] poot m. (4) [器物の支へ] voet m.; poot m.; voetstuk. (5) [步調] stap m.; pas m. (6) [不金] tekort o. ¶ が出る het geld is niet voldoende. ¶ を出す tekort komen. ¶ を揃へる in den pas loopen;
ashiba足場
zn. stellage o.; steiger m.; steunpunt voor den voet. ¶ 足場を得る vasten voet krijgen.
ashigakari足掛り
(足掛かり) zn. steunpunt voor den voet;
ashimoto足下
(足元, 足もと, 足許) zn. voet m.; stap m. ¶ 足下に vlak bij; vlak voor oogen. ¶ 足許御用心 kijk waar je loopt! ¶ 人の足下を見る gebruik maken van iemand’s zwakke positie. ¶ 足下にも寄りつけない niet te vergelijken zijn met; het haalt er niet bij.
yamashita山下
zn. voet van een berg; bw. onder den berg.
hedateru隔てる
t.w. afscheiden; op een afstand houden; vervreemden. ¶ を隔てて聞く aan den anderen kant van de muur luisteren. ¶ 尺づつ隔ててが立って居る de palen staan drie voet van elkaar.
kamae
(構え) zn. (1) [結構] constructie v.; bouw m. (2) [姿勢] houding v. ¶ 大した構をして居る op grooten voet leven.
shita
zn. onderkant m.; onderste o.; bodem m.; (民) het volk o.; ondergeschikte (僚) m. ¶ 坂の de voet van een heuvel. ¶ 橋の通る onder een brug doorgaan. ¶ の onderste; beneden. ¶ に onderaan; beneden; onder; van onder. ¶ から van beneden.
dōtō同等
zn. gelijkheid v.; gelijkwaardigheid v.; gelijke rang m. ¶ 同等の gelijk. ¶ 同等の權利 gelijke rechten. ¶ 同等に op gelijken voet. ¶ 同等者 een gelijke.
SUPPLEMENT (trefwoord)
sūnin数人
zn, no-adj. meerdere mensen; een aantal mensen. ¶ 部屋には数人の学生がいた。 Heya ni wa sūnin no gakusei ga ita. Er waren een aantal studenten in de kamer. (TTC) ¶ 彼らうち数人がその法案に反対である。 Karera no uchi sūnin ga sono hōan ni hantai de aru. Een aantal van hen was tegen het wetsvoorstel. (TTC) ¶ 数人の人たちが負傷して横たわっていた。 Sūnin no hitotachi ga fushōshite yokotawatte ita. Meerdere mensen lagen gewond neer. (TTC) ¶ 数人の若い技師が雇われ、彼ら新しいコンピューターの開発に専念した。 Sūnin no wakai gishi ga yatoware, karera wa atarashii konpyūtā no kaihatsu ni sennenshita. Er waren een aantal jonge ingenieurs te werk gesteld, en ze waren totaal toegewijd aan het ontwikkelen van een nieuwe computer. (TTC) ¶ この夏休みに数人の友達と、伊豆半島を歩いて一周するのを楽しみにしています。 Boku wa kono natsuyasumi ni sūnen no tomodatchi to, Izu hantō wo aruite isshūsuru no wo tanoshimi ni shite imasu. Ik kijk er naar uit om deze zomervakantie met een aantal vrienden te voet het schiereiland Izu te gaan verkennen. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <voet>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
フットfutto (1) voet; (2) Foote
上がり口agariguchi (1) toegang; entree; ingang; (2) [山; 階段の] voet; (3) [風呂場の] uitgang; (4) [事業の] neergang; achteruitgang; teruggang
下端katan (1) ondereind; ondereinde; benedeneind; benedeneinde; lagereind; lagereinde; onderkant; ondervlak; bodem; [ページ; 書物の] eind; onderrand; [帆柱の] hiel; hieling; voet; (2) [wisk.] ondergrens; minorante
shita (1) [adv.; loc.] beneden; [adv.; loc.] omlaag; [adv.; loc.] neer; [loc.] onder (aan); [m.b.t. trap enz.] voet; (2) [m.b.t. leeftijd] jonger (dan); [m.b.t. studiejaren] lager; beneden [de achttien jaar enz.]; (3) [attr.] ondergeschikte; [attr.] lagergeplaatste; [attr.] mindere; [i.h.b.] basis; [i.h.b.] achterban; (4) [abl.] meteen (toen); (5) voorbereidend ~; voorafgaand ~; preliminair; voor-
naka betrekking; verstandhouding; band; verhouding; [in uitdr.] voet
dai (1) hoog gebouw; toren; gebouw vanwaar men een mooi uitzicht heeft; belvedère; (2) [Jap.gesch.] censoraat; (3) [Chin.gesch.] ministerie; (4) plateau; plaat; blad; tafel; bank; onderstel; bed; onderstuk; verhoging; stellage; stander; standaard; statief; voetstuk; voet; steun; bok; schraag; ezel; sokkel; piëdestal; pedestal; basement; grondstuk; postament; platform; podium; optrede; estrade; [宝石の] montering; zetting; beslag; montuur; vatting; kas; (5) schenkblad; presenteerblad; dienblad; [meton.] etenswaar; maaltijd; (6) tableau van gerechten versierd met heilbrengende decoratie; (7) plat van geta waarop men loopt; (8) portier van een badhuis; badmeester; (9) draagbaar waarmee reizigers een rivier overgezet worden; (10) hoogvlakte; plateau; tafelland; hoogte; heuvel; (11) basis; grondslag; fundament; draagvlak; (12) [plantk.] onderstam (bij het enten); (13) kolf; handvat; (14) [scheepv.] langsligger; (15) [gokken] gespreide inzet; (16) [meetk.] afgeknotte piramide; kegel; (17) [meetk.] drager van een rechte; (18) [wisk.; functieleer] drager; (19) Dai [= hoogland op de Tōkaidō 東海道-route tussen Kanagawa 神奈川 en Hodogaya 程ケ谷]; (20) [maatwoord dat een vage leeftijds-; prijs- of tijdsaanduiding aangeeft] iets boven de …; tussen de … à …; iets meer dan …; een dikke …; in de …; [Belg.N.] kaap van …; (21) [maatwoord voor plateaus en meubelstukken]; (22) [maatwoord voor taarten en rond gebak]; (23) [maatwoord voor grote muziekinstrumenten]; (24) [maatwoord voor wagens; voertuigen; sleeën; liften]; (25) [maatwoord voor machines; apparaten; toestellen]; (26) [maatwoord voor gerechten in een kom; vaatwerk]; (27) [drukw.] [maatwoord voor katernen van 16 of 32 vellen]; (a) plateau; plaat; (b) basis; grondslag; (c) hoogvlakte; plateau; (d) hoogbouw; toren; (e) overheidsbureau; ministerie; hoge ambtenaar; (f) beleefdheidsterm voor de aangesprokene
chi (1) aarde; bodem; land; grond; gebied; terrein; (2) plek; plaats; (3) [m.b.t. boek; bladzijde] voet
徒歩toho (1) voet-; ~ te voet; (2) te voet; per pedes (apostolorum); op z'n apostelpaarden; in; met z'n apostelwagen
bu (1) [oppervlaktemaat; ca. 3,3 vierkante meter] bu; (2) koers; ratio; voet; verhouding; percentage; commissie
ritsu (1) verhouding; ratio; proportie; percentage; coëfficiënt; (2) voordeligheid; lucrativiteit; (3) waarschijnlijkheid; kans; (a) -cijfer; -voet; -factor; -coëfficiënt; -schaal; -index; -constante; -modulus; -percentage
立場tachiba (1) positie; situatie; plaats; stelling; hoedanigheid; [fig.] iems. schoenen; [対等の] voet; [苦しい~] parket; (2) standpunt; stellingname; houding; opstelling; opvatting; [oneig.] gezichtspunt; [oneig.] oogpunt; [fig.] hoek
脚部kyakubu beengedeelte; been; [テーブルの] poot; [ページの] voet
kyaku (1) onderste gedeelte van een Chinees karakter; (2) [maatwoord voor meubelstukken op poten]; (3) [maatwoord voor de benen van een paard]; (4) [sportt.] [maatwoord voor het aantal benen waarop een ploeg kettinggangers naar de finish hinkelt]; (a) been; poot; (b) pijler; stut; (c) [fig.] voet; (d) plot
袂 ; 手本tamoto (1) [着物の] mouwslip; (2) [山の] voet; (3) [橋の] rand; nabijheid; buurt
suso slip; zoom; boord; sleep; [ズボンの] omslag; [山の] voet
足下ashimoto (1) [meton.] voet; plek waar iem. staat; loopt; wat voor de voeten ligt; (2) onderbeen; (3) iems. onmiddellijke omgeving; iems. toestand; iems. situatie; (4) manier van lopen; gang; tred; (5) kwetsbare punt; zwakke plek; (6) vaste voet; basis; steun; (7) onderbouw van een huis; grondslag; (8) recent; nabij; (9) [ton.] schoeisel; voetbekleding; (10) [ton.] voetlicht; (11) [landb.] graan dat bij het dorsen voor de voeten valt; (12) [Jap.bouwk.] decoratieve dakpan onderaan aan weerszijden van de onigawara 鬼瓦
足跡ashiato (1) voetafdruk; voetstap; voetspoor; pootafdruk; spoor; [meton.] voet; [meton.] poot; [meton.] stap; [jachtt.] voetprent; [jachtt.] prent; [gew.] tred; (2) gangen; sporen; stappen; (3) prestaties; resultaten; wapenfeiten; [Belg.N.] palmares
ashi (1) [anat.] been; poot; [inform.] stelt; [烏賊; 蛸の] arm; tentakel; (2) [anat.] voet; (3) mannelijk geslachtsdeel; derde been; (4) [fig.] poot; onderstel; stut; [山の] voet; [旗の] vlucht; (5) [wisk.] voet; voetpunt; (6) onderste gedeelte van een Chinees karakter; (7) ashikanamono [= metalen ringen aan een zwaardschede ter bevestiging van rijgsnoeren]; (8) stap; tred; schrede; pas; gang; loop; tempo; (9) [paardensport] [馬の] gang; snelheid; (10) [scheepv.] vaart; snelheid; (11) [scheepv.] levend werk [= deel van een schip dat zich in het water bevindt]; diepgang; (12) [scheepv.] stabiliteit; stijfheid; (13) [客の] bezoek; aanloop; opkomst; klandizie; (14) [犯人の] gangen; spoor; [i.h.b.] vluchtroute; (15) aanwijzing; spoor; aanknopingspunt; (16) [雨; 雲; 風の] drift; gesteldheid; (17) vervoer; transport; vervoermiddel; transportmiddel; [meton.] gelegenheid; (18) transportkosten; vervoerkosten; vervoerprijs; reiskosten; (19) geld; geldmiddelen; middelen; (20) [武士の] dotatie; apanage; toelage; (21) rente; interest; intrest; (22) verlies; derving; tekort; gebrek; [i.h.b.] schuld; (23) [beurst.] koers; marktbeweging; trend; tendens; (24) [食べ物の] houdbaarheid; (25) [餅の] kleverigheid; plakkerigheid; (26) [酒の] kwaliteit; karakter; (27) [網目の] maaswijdte; (28) [柿葺きで] overstek [= afstand waarmee de ene dakspaan over de andere uitsteekt]; (29) poppenspeler die het voetenwerk van een marionet bedient; (30) prostituee; liefje; (31) circa …; ongeveer …
a voet; been
shi (a) voet; teen; (b) overblijfsel; rest; ruïne
間柄aidagara verhouding; relatie; betrekking; band; binding; verstandhouding; [fig.] voet; omgang
韻脚inkyaku (1) [Chin.dichtk.] eindrijm; slotrijm; (2) [dichtk.] versvoet; voet
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.63 sec. jiten.nl: 11 treffers, warandict: 22 treffers (zoekopdracht: 'voet', strategie: exact). 
2005-2020