日蘭辭典+

41 resultaten voor ‘volgen’
日蘭辭典 (trefwoord)
shitagau從ふ
(従う) i.w. (1) [降服] gehoorzamen. t.w. (2) [追隨] volgen; i.w. meegaan met. t.w.(3) [隨行] vergezellen. (4) [從事] uitoefenen. ¶ 規則に從ふ voorschriften opvolgen; zich houden aan de regels. ¶ 大勢に從ふ met zijn tijd meegaan. ¶ 硏究從ふ onderzoek houden. ¶ の説に從へば volgens uwe meening. ¶ 決定に從ひます ik onderwerp me aan uwe beslissing.
arikitari在來
(在り来たり) zn. gebruik o.; gewoonte v.; graditie; traditioneel. ¶ 在來の例を倣う de traditie volgen.
ato
(痕) zn. spoor o.; voetstap m.; afdruk m.; overblijfsel o. ¶ 指の跡 vingerafdruk. ¶ 血の痕 bloedvlek. ¶ 傷の痕 litteeken. ¶ 跡をつける spoor volgen. ¶ 後をつけられる gevolgd worden. ¶ 古代文明の跡 overblijfselen eener oude beschaving. ¶ 跡を暗まして逃げる vluchten zonder een spoor achter te laten. ¶ 跡を失ふ het spoor bijster worden. ato (後) も見よ.
tsuite就いて
(ついて) vz. (1) [關して] met betrekking tot; aangaande; wat betreft; omtrent; van; over; voor. (2) [每に] per. (3) [沿って] langs. (4) [共に] met. ¶ 是に就いて wat dit betreft; hieromtrent. ¶ 一斤について五十 vijftig sen per kin. ¶ について行く langs de rivier loopen; de rivier volgen. ¶ 兄について行く met zijn broer meegaan.
yuku行く
(iku) i.w. (1) [赴く] gaan; zich begeven naar. (2) [逝く] sterven. (3) [步く] wandelen; loopen. ¶ 外國行く naar het buitenland gaan. ¶ 行け ga weg! ¶ と一緖行く vergezellen; meegaan met. ¶ 本通を行く de hoofdstraat volgen. ¶ 同じ行く denzelfden weg gaan.
michi道、路
zn. (1) [道路] weg m. (2) [方法] middel o.; uitweg m.; methode v. (3) [道程] afstand m. (4) [道德] zedelijk beginsel o.; de rechte weg. ¶ 道で onderweg. ¶ に途がない geen andere keuze hebben; er niets anders op weten. ¶ 道に從ふ het rechte pad volgen; de deugd betrachten. ¶ 道を教へる den weg wijzen. ¶ 途を拓く een weg banen. ¶ 其の道の者 een man van het vak; een deskundige; een specialiteit. ¶ 道ならぬ onzedelijk. ¶ 道案内 gids. ¶ 路傍に langs den weg.
tsuizui suru追随する
i.w. op de hielen volgen; vlak achter lopen.
kimama氣儘
(気まま, 気儘) zn. eigenzinnigheid v.; zelfzucht v. ¶ 氣儘な eigenzinnig; zelfzuchtig. ¶ 氣儘にする precies doen, wat men zelf wil; alleen met eigen inzicht rekening houden; zijn eigen zin volgen.
chōryū潮流
zn. getijstroom m.; stroom m.; (風潮) geest des tijds; mode v. ¶ の潮流に從ふ den geest des tijds volgen; met de mode meedoen.
fūchō風潮
zn. geest des tijds; mode v.; neiging (傾向) v. ¶ 風潮に隨ふ met den geest des tijds meegaan; de mode volgen.
SUPPLEMENT (trefwoord)
shidōsha指導者
zn. (een, de) leider; (een, de) aanvoerder; (een, de) gids; (een, de) mentor; (een, de) coach; ¶ 彼女よりも優れた指導者だ。 Kanojo wa kare yori mo sugureta shidōsha da. Zij is een betere leider dan hij is. (TTC) ¶ 彼らは盲目的に指導者に従った。Karera wa mōmokuteki ni shidōsha ni shitagatta. Ze volgden blindelings hun leider. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <volgen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
沿う sou (1) parallel lopen met; lopen langs; langs de rand gaan van; (2) volgen; in overeenstemming zijn met; overeenkomen met; in overeenkomst zijn met; sporen met; op één lijn zijn met; doen; zijn volgens ~
zoku (1) a. behoren; volgen; begeleiden; (2) b. overlaten; opdragen; (3) c. gezel; verwant; (4) d. [biol.] geslacht; genus; ; (1) gezel; lid; verwant; medestander; (2) ondergeschiktheid; subordinatie; onderhorigheid; afhankelijkheid; (3) volgeling; onderdaan; ondergeschikte; onderhorige; (4) [Jap.gesch.] sakan 主典 [ambtenaar der 4e klasse in het ritsuryō-systeem]; (5) [Jap.gesch.] ambtenaar der hannin 判任-klasse in Meiji-Japan; klerk; (6) [biol.] geslacht; genus
付く tsuku (1) plakken; (eraan) (vast)zitten; (eraan) (vast)hangen; steken (op); kleven (aan); aansluiten op; zich vastzetten (in; aan); [湯垢が] aanslaan; blijven; [m.b.t. sporen; litteken] achterblijven; erbij inbegrepen zijn; uitgerust zijn met; (2) volgen; vergezellen; achterna zitten; gaan; aan zijn zijde staan hebben; escorteren; [i.h.b.] partij kiezen; trekken voor; aan de zijde gaan staan van; (3) [m.b.t. vermogen; gewoonte; naam; idee enz.] krijgen; [energie; kennis; ervaring enz.] opdoen; verwerven; eigen worden; te beurt vallen; [癖が] een gewoonte aannemen; aankweken; ontwikkelen; zich een gewoonte aanwennen; [喫煙の癖が] zich het roken aanwennen; (4) geluk hebben; fortuinlijk zijn; het treffen; [het iem.] meezitten; goed gaan; boffen; mazzelen; [inform.] zwijnen; [inform.] sloffen; (5) zijn beslag vinden; uitgemaakt raken; in orde raken; geregeld raken; [m.b.t. contact; connectie] tot stand komen; [m.b.t. wegen; infrastructuur] aangelegd worden; (6) [m.b.t. prijskaartje] hangen aan; [goedkoper; duurder enz.] uitvallen; neerkomen op [x euro enz.]
就く tsuku (1) [werk enz.] vinden; [een functie; ambt; leeropdracht enz.] aanvaarden; [aan het bewind, op de troon enz.] komen; [de troon] bestijgen; beklimmen; [in een nieuwe baan enz.] beginnen; [bij het leger enz.] dienst nemen; [aan het werk enz.] tijgen; (2) [m.b.t. reis] aanvaarden; aanvangen; [in slaap] vallen; [m.b.t. de wacht] betrekken; [in de verdediging enz.] gaan; (3) les; college lopen (bij); studeren (bij); [de weg van de minste weerstand enz.] volgen
追跡する tsuisekisuru (1) achtervolgen; achternazitten; achternazetten; nazitten; najagen; jacht maken op; (2) volgen; nagaan; nasporen; traceren; opsporen
付いて行く tsuiteiku (1) volgen; achternalopen; achternagaan; (2) meegaan; meekomen; begeleiden; vergezellen; (3) bijhouden; bijblijven; gelijke tred houden; (4) [fig.] meegaan met; bijvallen; het eens zijn met; akkoord gaan met; zich aansluiten bij; [Belg.N.] bijtreden
追求する tsuikyuusuru zoeken; streven naar; nastreven; najagen; proberen te bereiken; achternazitten; heen zitten achter; achternalopen; volgen; achtervolgen; jacht maken op; proberen te pakken te krijgen; uit zijn op; zijn zinnen gezet hebben op; [fig.] vlassen op
付ける tsukeru (1) bevestigen aan; aanbrengen; aanleggen; vasthechten; vastmaken; [役馬を] spannen voor; aanhechten; hechten; [翻訳を] toevoegen; [×印を] aankruisen; [印を] afdrukken; [器具を] installeren; monteren aan; aanleggen; [接着剤で] plakken; [バター; クリーム; ジャムを] smeren; [しみを] maken; aanmaken op; (2) [傷; 跡を] achterlaten; nalaten; (3) zich eigen maken; aanleren; zich verwerven; [習慣を] zich aanwennen; [力を] opdoen; (4) [乳母を] engageren; aannemen; in de arm nemen; (5) [注意; 目を] vestigen op; [犯人; 車を] schaduwen; volgen; (6) [条件を] opleggen; [疑問符; コメント; 注文を] plaatsen; zetten; [名; 味を] geven; [実; 利子を] dragen; [点を] toekennen; (7) [料理を] opdienen; serveren; [仕事に片を] regelen; afdoen; afhandelen; zijn beslag geven; voor elkaar brengen; (8) [正札を] hechten; [値を] voorzien van; stellen op; (9) opschrijven; opnemen; noteren; aantekenen; boeken; [日記を] bijhouden; houden; (10) 10. [手を] beginnen met; aanvangen; [連絡を] opnemen; [火を] aanleggen; in brand steken
受ける ukeru (1) ontvangen; krijgen; verkrijgen; verwerven; (2) aanvaarden; aannemen; accepteren; nemen; (3) pakken; tegenhouden; [een bal] vangen; [een slag] pareren; afwenden; (4) [de telefoon] opnemen; beantwoorden; gehoor geven bij het telefoneren; (5) ondergaan; meemaken; ervaren; [誘惑を] op de proef gesteld worden; [試験を] afleggen; [洗礼を] gedoopt worden; (6) [een verlies] lijden; [een verwonding] oplopen; [een belediging] incasseren; moeten verduren; blootgesteld worden aan; onderworpen worden aan; (7) [lessen] nemen; [een opleiding] volgen; genieten; (8) geloven; geloof hechten aan; aannemen; als waar beschouwen; voor zoete koek slikken; als juist aanvaarden; als zo zijnd aanvaarden; (9) staan; gelegen zijn tegenover; uitzicht geven op; gericht zijn naar [een windstreek; ander referentiepunt]; (10) 10. erven; overerven; [eigenschappen] van zijn (voor)ouders meekrijgen; (11) 11. populair worden; aan populariteit winnen; in de smaak vallen; tot de verbeelding spreken; in trek raken; geliefd worden; in zwang raken; aanslaan
汲む kumu (1) (water uit een put; een bron) putten; (water uit een put; een bron) scheppen; opscheppen; ophalen; (met een lepel; een spaan; etc.) uitlepelen; lepelen; oppompen; pompen; leegpompen; [酒; 茶を] schenken; (2) (iemands gevoelens; denkwijze; redenering; etc.) begrijpen; snappen; meevoelen; sympathie hebben voor; zich in de gevoelens van een ander inleven; (iemand) volgen; iets in aanmerking nemen
倣う narau [前例に] navolgen; [人の例に] volgen; een voorbeeld nemen aan; zich richten naar; nadoen; imiteren; nabootsen; navormen
慕う shitau (1) verlangen naar; hunkeren naar; uitzien naar; missen; (2) innig houden van; liefhebben; beminnen; graag mogen; (3) aanbidden; bewonderen; adoreren; vereren; op handen dragen; (4) volgen
従う shitagau (1) volgen; begeleiden; vergezellen; aan de zijde gaan van; [時勢に] meegaan met; afdrijven met; (2) gehoorzamen; gehoorzaam zijn; opvolgen; zich houden aan; volgen; luisteren naar; zich schikken naar; zich regelen naar; zich voegen naar; naleven; handelen overeenkomstig; [規則に] in acht nemen; [判決に] zich neerleggen bij; eerbiedigen; (3) gehoorzamen (aan); toegeven aan; buigen; zich laten leiden; meeslepen door; zwichten; zich onderwerpen; zich plooien; zich neerleggen bij; (4) [職業に] uitoefenen; beoefenen; dienen (als); werkzaam zijn als; (5) afhangen van
準ずる junzuru (1) volgen; naleven; zich conformeren aan; zich voegen naar; zich schikken naar; de hand houden aan; (2) overeenstemmen met; zich verhouden tot
準じる junjiru (1) volgen; zich richten naar; zich conformeren aan; corresponderen met; beantwoorden aan; overeenstemmen met; evenwaardig zijn met; neerkomen op; vrijwel gelijkstaan met; (2) evenredig zijn aan; in evenredigheid zijn met; (3) op een vergelijkbare manier behandeld worden als; [inform.] navenant bejegend worden
襲用する shuuyousuru overnemen; volgen
捕らえる toraeru (1) vatten; pakken; grijpen; vangen; snappen; klissen; (2) te pakken krijgen; weten te vangen; [de kans] krijgen; [een idee] aangrijpen; bemachtigen; de hand leggen op; beetpakken; beetkrijgen; beetnemen; weten vast te leggen; [fig.] captiveren; (3) gevangennemen; arresteren; aanhouden; oppakken; inrekenen; [uitdr.] in de kraag vatten; [m.b.t. een bende] oprollen; [Barg.] schutten; (4) snappen; verstaan; komen achter [de waarheid enz.]; (kunnen) volgen; beethebben; begrijpen; bevatten; inzien; omvatten; (5) opvangen; zien; bemerken; gewaarworden; (6) aangrijpen; aanpakken; aandoen; roeren; ontroeren; treffen; raken; een diepe indruk maken op
伴する tomosuru begeleiden; vergezellen; volgen
踏襲する toushuusuru voortzetten; overnemen; navolgen; volgen
辿る tadoru (1) volgen; (2) nagaan; napluizen; natrekken; traceren; (3) terugvoeren tot
真似る maneru imiteren; nabootsen; nadoen; na-apen; namaken; nabauwen; simuleren; [een voorbeeld e.d.] navolgen; volgen
遣る; 行る yaru 19. [een handeling doen, verrichten]; ; (1) sturen; laten gaan; doen [schoolgaan enz.]; (2) [m.b.t. een voertuig] voortbewegen; vooruit doen gaan; vooruit laten gaan; aan de gang brengen; rijden; (3) richten; [een fooi enz.] geven; [dieren] voeren; (4) ter arbitrage toevertrouwen; (5) [zijn ongenoegen, gemoed e.d.] luchten; [door drinken enz.] kwijtraken; (6) gieten; [water] geven; (7) laten ontsnappen; (8) bevorderen; vooruitbrengen; (9) [m.b.t. hand] uitsteken; uitstrekken; (10) 10. een tsukeku 付句 of yariku やり句 toevoegen [idioom uit de wereld van renga 連歌 en haikai 俳諧]; (11) 11. falen; verknoeien; om zeep helpen; (12) 12. bedriegen; (13) 13. kastijden; doodslaan; (14) 14. uithuwelijken; aan de man brengen; (15) 15. nuttigen; gebruiken; [er eentje] drinken; eten; roken; (16) 16. leven; een bestaan leiden; (17) 17. doen; verrichten; [huiswerk enz.] maken; [schaak enz.] spelen; [een cursus e.d.] volgen; [~ als hoofdvak] studeren; [een tentoonstelling enz.] houden; [een stuk enz.] opvoeren; [een film enz.] vertonen; [een winkel enz.] drijven; [een beroep enz.] uitoefenen; [een toespraak enz.] afsteken; (18) 18. het doen; gemeenschap hebben; vrijen; ; (1) 20. [geeft aan dat de handeling over een verre afstand geldt]; (2) 21. [drukt de beëindiging van een handeling uit; vaak vergezeld van een negatie]; (3) 22. [drukt uit dat de handeling voor anderen verricht wordt]
目に留める menitomeru in het oog houden; volgen; gadeslaan; een wakend oog houden op
踏む fumu (1) trappen (op); treden (in); de voet zetten op; betreden; begaan; bewandelen; (2) doorlopen [van procedure enz.]; volgen; (3) schatten; ramen; taxeren (op); begroten (op); waarderen (op); appreciëren; rekenen; verwachten
服する fukusuru (1) volgen; [命令に] opvolgen; gevolg geven aan; luisteren naar; zich voegen naar; zich schikken naar; gehoorzamen; nakomen; naleven; zich onderwerpen aan; buigen voor; zich neerleggen bij; toegeven aan; (2) [兵役に] dienen bij; in dienst zijn van; vervullen; [喪に] aannemen; [刑に] ondergaan; uitzitten; boeten; ; (1) doen volgen; (2) aantrekken; aandoen; zich kleden; (3) drinken; innemen; slikken
追い掛ける oikakeru achtervolgen; volgen; achternalopen; achternazitten; achternazetten; nalopen; de achtervolging inzetten; nazetten
追う ou (1) wegjagen; verjagen; verdrijven; (2) achtervolgen; nalopen; nazetten; vervolgen; najagen; (3) [牛; 馬を] voortdrijven; voor zich uit drijven; voor zich uit doen gaan; (4) navolgen; achternagaan; [流行を] volgen; [快楽; 名利を] nastreven; trachten te verwerven
尾行する bikousuru schaduwen; (op korte afstand) volgen; in het oog houden
引き続く hikitsuzuku (1) blijven duren; voortduren; aanhouden; niet ophouden; continueren; altijd maar doorgaan; (2) volgen; aansluitend gebeuren; naderhand komen; erna plaatsvinden
跡を付ける atowotsukeru (1) sporen achterlaten; z'n stappen afdrukken; [jachtt.] spoor maken; (2) volgen; achtervolgen; achternazitten; schaduwen; (3) [Jap.gesch.] als volgende klant een meisje uit Fukagawa 深川; de clandestiene rosse buurt van Edo; engageren
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.43 sec. jiten.nl: 11 treffers, warandict: 30 treffers (zoekopdracht: 'volgen', strategie: exact). 
2005-2019