日蘭辭典+

56 resultaten voor ‘voorkomen’
日蘭辭典 (trefwoord)
arifureru有觸れる
(有り触れる) i.w. veel voorkomen. ¶ 有觸れた gewoon; veel voorkomend. (俗) afgezaagd.
aru有る
(在る) i.w. (1) [存在] zijn; bestaan; voorkomen. (2) [所在] zijn; liggen; gelegen zijn. (3) [發生] gebeuren; plaats grijpen; plaats vinden; geschieden. (4) [機會が] zich voordoen. (5) [所有] t.w. hebben; bezitten. (6) [容量] meten; wegen; bevatten. ¶ 其の家は今ありますか bestaat dat huis nog? is dat huis er nog? ¶ 日本は支那の東に在り Japan ligt ten oosten van China. ¶ 此家には庭がある dit huis heeft een tuin. ¶ は金がない ik heb geen geld. ¶ 長さ三尺ある het meet drie voet; het is drie voet lang. ¶ 此處に激戰があった hier had een hevige veldslag plaats. ¶ 機會があれば als de gelegenheid zich voordoet.
dekiru出來る
(出来る) i.w. (1) [仕上がる] gereed zijn; voltooid zijn. (2) [製造] gemaakt zijn; vervaardigd zijn. (3) [生長] groeien. (4) [出産] geboren zijn. (5) [發生] voorkomen; gebeuren; voortspruiten uit. (6) [熟達] bekwaam zijn in; goed kennen. (7) [能] kunnen; in staat zijn. ¶ 出來るなら zoo mogelijk. ¶ 出來るだけ zoo veel mogelijk. ¶ 出來る限りで met alle macht. ¶ 御飯が出來ました het eten is klaar. ¶ 此の卓子は能く出來て居る deze tafel is goed gemaakt. ¶ 松はことによく出來る denneboomen groeien hier goed. ¶ コレラ患者に出來た er is een geval van cholera aan boord voorgekomen. ¶ 蘭語出來る hij kent Hollandsch. ¶ 十步くことが出來る tien mijl kunnen lopen.
(様) bn. (1) [式] manier v.; wijze v.; methode v. (2) [種類] soort v. (3) [外觀] uiterlijk o.; voorkomen o. ¶ 此zoo; op deze wijze. ¶ 同じに op dezelfde wijze. ¶ ……のals; gelijk; alsof. ¶ 狂人のals een krankzinnige. ¶ いつzooals gewoonlijk; als altijd.
SUPPLEMENT (trefwoord)
kanroku貫禄
De waardigheid, de stijl etc. die mensen van iemand ervaren door zijn of haar houding of figuur; het gezag of gewicht dat iemand heeft; prestige; status; autoriteit; overwicht; aanzien; tegenwoordigheid; voorkomen; ernst. ¶ 貫禄のある kanroku no aru gewichting; belangrijk; aanzienlijk; gerespecteerd; vooraanstaand; prominent; notabel. ¶ 貫禄がついた kanroku ga tsuita (idem.) ¶ 君は課長としての貫禄がないね。 Kimi wa kachō to shite no kanroku ga nai ne. Je mist de autoriteit van een afdelingshoofd.; Je hebt niet het gezag van een afdelingshoofd.; Je hebt voor een afdelingshoofd niet genoeg aanzien. (TTC)

NB het woord 貫禄 kanroku verwees oorspronkelijk naar (de omvang van) het salaris van een samurai in dienstbetrekking, en afgeleid daarvan zijn belangrijkheid.
shiiteki恣意的
(na-adj) een handelswijze waarbij men niet gehinderd wordt door overwegingen van logica; eigenzinnig; willekeurig; lukraak; arbitrair. ¶ 恣意的な判断 shiiteki na handan een willekeurige beslissing規則を恣意的に運用する kisoku wo shiiteki ni un'yōsuru regels lukraak toepassenある目的思想を持った人間が恣意的にツイートをまとめると、本来の発言者の意図とは正反対になることあるっていう良い見本 Aru mokuteki ya shisō wo motta ningen ga shiiteki ni tsuiito wo matomeru to, honrai no hatsugensha no ito to wa seihantai ni naru koto mo aru tte iu ii mihon Een fraai patroon is dat het ook voorkomt dat wanneer mensen met een bepaald doel of bepaalde ideeën lukraak tweets bij elkaar harken ze lijnrecht tegenover de intentie van de oorspronkelijke twitteraar kunnen komen te staan. (twitter)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <voorkomen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
模様 moyou (1) patroon; dessin; tekening; motief; (2) aanzicht; voorkomen; aanblik; indruk; teken; toestand; gesteldheid; omstandigheden; stand van zaken
sou (1) a. voorkomen; vorm; (2) b. wichelarij; -mantie; (3) c. onderling; wederzijds; (4) d. opvolging; opeenvolging; (5) e. provincie Sagami; ; (1) voorkomen; aanblik; aspect; uiterlijk; (2) kenmerk; kentrek; eigenschap; wichelteken; [boeddh.] lakṣaṇa [= onderscheidend kenmerk]; nimitta [= teken, merkteken]; (3) [spraakk.] aspect; vorm; (4) [chem.] fase; [natuurk.] aggregatietoestand; aggregaatstoestand; (5) [geol.] faciës
外見 sotomi uiterlijk; voorkomen; schijn; uiterlijke gedaante; uiterlijkheden; uitwendigheid; buitenaanzicht; aanzien; [geneesk.] faciës; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
載る noru (1) terechtkomen op; belanden op; raken (op); (2) verschijnen in; voorkomen; vermeld worden; opgenomen worden; geregistreerd worden; genoteerd worden; geplaatst worden; [de krant enz.] halen; komen te staan in
出る deru (1) naar buiten gaan; naar buiten komen; zich vertonen; uitbreken; uitgaan; uitkomen; verlaten; vandaan gaan (bij); vertrekken; [m.b.t. boot] afvaren; [i.h.b.] afstuderen (aan); [i.h.b.] aftrek vinden; weggaan; (2) verschijnen; opkomen; voor de dag komen; opduiken; te voorschijn komen; zich voordoen; rijzen; voorkomen; [aan de telefoon enz.] komen; [m.b.t. zon] opgaan; rijzen; doorkomen; [m.b.t. bloemknoppen enz.] uitkomen; uitlopen; [i.h.b.] ontdekt worden; [m.b.t. geesten, spoken] waren; (3) uitsteken; naar buiten steken; opsteken; uitspringen; oprijzen; (4) bijwonen; aanwezig zijn bij; gaan naar; deelnemen aan; meedoen aan; [voor het gerecht enz.] verschijnen; in [zaken; het bedrijfsleven; de politiek enz.] gaan; (5) [m.b.t. wegen] leiden naar; voeren naar; uitkomen op; tegenkomen; bereiken; aantreffen; vinden; stuiten op; (6) te buiten gaan; overschrijden; gaan over; passeren; (7) ontspruiten (aan); komen uit; voortkomen (uit); voortspringen uit; ontstaan uit; beginnen; ontspringen; ontsnappen; [fig.] opwellen; [lit.t.] ontwellen; zijn oorsprong ontlenen aan; zijn oorsprong vinden in; teruggaan op; afstammen van; afkomen van; stammen uit; voortspruiten uit; (8) verschijnen; uitkomen; uitgegeven worden; gepubliceerd worden; [i.h.b. de pers enz.] halen; (9) krijgen; verkrijgen; [arch.] bekomen; [m.b.t. gerecht] opgediend worden; geserveerd worden; [m.b.t. bedrag, premie] uitgekeerd worden; (10) 10. toenemen; rijzen; [m.b.t. wind] opsteken; aanwakkeren; [m.b.t. snelheid] optrekken; (11) 11. zich … gedragen; een … houding nemen; (12) 12. [m.b.t. thee] trekken
体裁 teisai (1) schijn; voorkomen; uitzicht; uiterlijk; uiterlijkheid; (2) vorm; format; stijl; wijze; (3) (schone) schijn; fatsoen; (4) omhaal; woordenkraam; woordenkramerij
su (1) zijn; bestaan; (2) zich voordoen; gebeuren; voorkomen; voorvallen; ; (1) doen; verrichten; bedrijven; (2) […~] doen; plegen; (3) in een bep. toestand brengen; maken tot; (4) […~] beschouwen; vinden; achten
姿 sugata gekleed als ~; gestoken in ~; ; (1) figuur; gedaante; gestalte; vorm; [arch.] gestaltenis; (2) voorkomen; verschijning; (3) toestand; staat; gesteldheid
上辺 uwabe voorkomen; schijn; uitzicht; uiterlijk; aanzien
iro 10. [maatwoord voor kleuren]; ; (1) kleur; (2) verf; kleur; kleurstof; pigment; (3) gelaatskleur; gelaatsuitdrukking; voorkomen; uiterlijk; look; houding; (4) liefde; liefdesaffaire; romance; liefdesavontuur; idylle; (5) wellust; lust; vleselijk verlangen; seksuele begeerte; sexuele passie; zinnelijk plezier; sensueel genot; (6) liefje; vrijer; meisje; jongen; liefste; geliefde; minnaar; minnares; maîtresse; (7) schoonheid; beminnelijkheid; schattigheid; vrouwelijke charmes; aantrekkelijkheid; (8) verfraaiing; versiering; decoratie; ornament; opschik; tooi; (9) soort; aard; type; klasse
家並み ienami (1) reeks huizen; rij huizen; huizenrij; (2) voorkomen; uiterlijk van de huizen
居る iru (1) zijn; zich bevinden; bestaan; staan; liggen; (2) wonen; verblijven; leven; resideren; zetelen; (3) aanwezig zijn; present zijn; tegenwoordig zijn; in de buurt zijn; thuis zijn; (4) [m.b.t. bloedverwanten, bv. broers of zusters] hebben; (5) [m.b.t. dieren] leven; voorkomen; aangetroffen worden [in een bepaalde habitat]
防止する boushisuru voorkomen; preveniëren; verhoeden; verhinderen; beletten; tegengaan; tegenhouden; [i.h.b.] bezweren; [風邪を] couperen
出廷する shutteisuru [jur.] voor het gerecht verschijnen; voor de rechter verschijnen; ter gerechtszitting verschijnen; ter terechtzitting verschijnen; voor de rechtbank komen; [pregn.] voorkomen; compareren
出現する shutsugensuru verschijnen; optreden; zich voordoen; gebeuren; voorkomen; te voorschijn komen; opduiken; opkomen; acte de présence geven
生ずる shouzuru teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren; ; (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten
jou (1) -brief; (2) -achtig; -ig; -(ge)lijk; als (van) een ~; gelijkend op ~; -vormig; in de vorm van ~; ; (1) omstandigheden; situatie; toestand; staat; gesteldheid; (2) voorkomen; uitzicht; schijn; (3) brief; schrijven; [scherts.] epistel; [i.h.b.] verslag; bericht; kennisgeving; rapport
生じる shoujiru teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; dragen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren; ; (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); uitgaan van; resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten
見掛け mikake schijn; uiterlijk; het eruitzien; aanzicht; aanzien; gezicht; voorkomen; aanschijn; het voordoen; show; schijnvertoning; façade
身形 minari (1) kleding; kledij; tenue; toilet; dos; tooi; dracht; (2) voorkomen; uiterlijk
mie voorkomen; aanblik; uitzicht; gezicht; verschijning; uiterlijk; gedaante
見える mieru (1) zichtbaar zijn; gezien kunnende worden; te zien zijn; in zicht zijn; verschijnen; zien; (2) kunnen zien; in staat zijn te zien; (3) vinden; aantreffen; waarnemen; (4) komen; aankomen; opdagen; arriveren [beleefdheidsvorm voor kuru 来る]; (5) eruitzien (als); lijken; toeschijnen; voorkomen; de indruk wekken
同形 doukei dezelfde vorm; hetzelfde voorkomen; type; isomorfie; gelijkvormigheid; isomorfisme; gelijkheid van vorm; voorkomen; structuur
止める tomeru (1) stoppen; stopzetten; stilleggen; stilhouden; laten stilstaan; stillen; stuiten; tot stilstand brengen; stilzetten; tot staan brengen; parkeren; stallen; [aan de kant enz.] zetten; neerzetten; arrêteren; [de dief enz.] houden; een halt toeroepen; een punt zetten achter ~; een einde maken aan [een ruzie enz.]; ophouden; stremmen; [de aanvoer enz.] staken; afbreken; afsnijden; [een paard enz.] tegenhouden; vasthouden; aanhouden; inhouden; keren; [fig.] afdammen; [m.b.t. geluid, pijn] weren; ophouden; stelpen; (2) [het licht enz.] uitdoen; uitschakelen; [m.b.t. gas, water, radio] uitdraaien; dichtdraaien; afsluiten; uitzetten; afzetten; [de stroom] afbreken; afsnijden; (3) [m.b.t. inflatie enz.] bedwingen; beheersen; afremmen; beteugelen; breidelen; in toom houden; in bedwang houden; intomen; [de groei enz.] belemmeren; (4) beletten; verhinderen; verbieden; voorkomen; ontzeggen; verhoeden
tai [maatwoord voor goden- en boeddhabeelden, lijken e.d.]; ; (1) a. lichaam; ledematen; (2) b. gedaante; vorm; (3) c. figuur; voorwerp; (4) d. wezen; essentie; substantie; (5) e. orgaan; organisatie; (6) f. lichamelijke opvoeding; ; (1) lichaam; lijf; (2) staat; toestand; gesteldheid; (3) vorm; voorkomen; gedaante; stijl; (4) wezen; essentie; substantie; aard; natuur; (5) [taalk.] substantief; substantivum; (6) sterkte; kloekheid; ruggengraat; (7) [ikebana] bovenste leidtak; (8) [wisk.] lichaam
マスク masuku (1) masker; gezichtsmasker; mombakkes; mom; (2) mondkapje; mondmasker; (3) [m.b.t. boksen, lassen e.d.] hoofdbeschermer; (4) gezicht; gelaat; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk; (5) [elektronica] tekening van een geïntegreerde schakeling
sama (1) -elings; -waarts [drukt een richting, oriëntatie uit]; (2) meneer; mijnheer; [afk.] m.; de heer; [afk.] dhr.; mevrouw; [afk.] Mw.; [afk.] Mevr.; madame; [afk.] Mme.; [afk.] Mad.; juffrouw; mejuffrouw; [afk.] Mej. [eerbetonend suffix; voorafgegaan door een naam; titel; status e.d.]; (3) [vaak i.c.m. het prefix o お of go ご een kwalificatie inklemmend]; (4) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de handeling die iem. net op het punt staat te doen]; (5) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de wijze of manier waarop een handeling zich voltrekt]; ; voorkomen; aanblik; uitzicht; aanzien; schijn; gezicht; air; toestand; staat; gesteldheid; situatie; omstandigheden
家並み yanami (1) reeks huizen; rij huizen; huizenrij; (2) voorkomen; uiterlijk van de huizen
容貌 youbou uiterlijk; voorkomen; gelaatstrekken; trekken
you (1) voorkomen; het eruitzien; aanblik; indruk; (2) [aangehecht aan de ren'yōkei]; (3) zó(danig) dat ~; (in) voege (dat) ~; opdat ~; teneinde dat ~; met het doel dat ~; om ~; zoals ~; naar ~; (4) op ~ wijze; naar de wijze van ~; à la ~; à l'instar ~; ad instar ~; in de stijl van ~; in de vorm van ~; -achtig
様相 yousou aanblik; voorkomen; aanzien; uiterlijk; plaatje; aspect
容姿 youshi figuur; lichaamsvorm; bouw; lichaam; lijf; uiterlijk; voorkomen; aanschijn; verschijning
様子 yousu (1) toestand; situatie; staat; omstandigheden; stand van zaken; gesteldheid; het hoe; (2) schijn; voorkomen; uiterlijk; aanblik; aanzien; karakter; air; uitzicht; indruk; habitus; (3) reden; grond; (4) teken; blijk; aanwijzing; symptomen
面目 menmoku (1) gezicht; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk; (2) basisprincipes; geboden; regel; voorschrift; (3) reputatie; eer; prestige; aanzien; krediet; goede naam
面目 menboku (1) reputatie; eer; prestige; aanzien; krediet; goede naam; (2) gezicht; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk
目先 mesaki (1) wat zich voor iemands ogen bevindt; (2) onmiddellijk verschiet; nabije toekomst; afzienbare tijd; (3) tegenwoordigheid van geest; vooruitziendheid; scherpzinnigheid; inzicht; (4) situatie; voorkomen; (5) [hand.] fluctuatie; beursverloop; markttrend van de eerstkomende weken; (6) [dierk.] teugel [streek tussen oog en wortel van de bovensnavel]
fuu zoals ~; op de manier van ~; in de stijl van ~; à la ~; naar ~; ; (1) gewoonte; gebruik; neiging; (2) manier; wijze; voege; trant; stijl; type; soort; (3) air; allure; voorkomen; uiterlijk; houding; aanzicht
防ぐ; 禦ぐ; 拒ぐ fusegu (1) afweren; weren; afhouden; weghouden; buitensluiten; buitenlaten; afwenden; afschutten; afschermen; pareren; (2) (zich) verdedigen tegen; (zich) verweren tegen; (zich) beschermen tegen; (zich) beschutten tegen; (3) vermijden; voorkomen
押さえる osaeru (1) onderdrukken; naar beneden drukken; (2) beheersen; bedwingen; (met overmacht) in bedwang houden; eronder houden; (3) tegenhouden; voorkomen; terughouden; (4) arresteren; gevangennemen; in hechtenis nemen; aanhouden; in zijn kraag grijpen; (5) [de oren] dichtstoppen; [met de handen de ogen] bedekken; verbergen; [met de handen het hoofd] vasthouden; [de hand voor de mond] houden; (6) [waar men recht op heeft, een deel van het loon etc.] achterhouden; terughouden; niet geven; onthouden; (7) beslag leggen op [goederen, eigendom, documenten etc.]; gerechtelijk in beslag nemen; confisqueren; (8) grijpen; pakken; nemen; in zijn klauwen krijgen; (9) een voorzichtige raming doen; een voorzichtige schatting maken; behoedzaam begroten; (10) 10. plafonneren; niet hoger laten oplopen dan; [de prijzen] drukken; binnen een bepaalde limiet houden; onder een bepaalde limiet houden
omomuki (1) algemene betekenis; globale inhoud; grote lijnen; teneur; strekking; tendentie; (2) omstandigheden; (3) voorkomen; schijn; uiterlijk; sfeer; (4) charme; aantrekkelijkheid; smaak; karakter
思われる omowareru (1) dunken; lijken; eruitzien; toeschijnen; voorkomen; een indruk maken; (2) geacht worden; verondersteld worden; beschouwd worden; (3) bemind worden
思える omoeru dunken; voorkomen; toelijken; toeschijnen; aandoen; lijken; ; (1) kunnen denken; (2) kunnen geloven; kunnen overtuigd zijn; vast kunnen vertrouwen op; (3) geneigd kunnen zijn; de neiging kunnen hebben tot; (4) kunnen beschouwen als; kunnen bezien als; kunnen vinden dat; kunnen houden voor; kunnen menen; kunnen veronderstellen ~ te zijn; (5) kunnen verwachten; kunnen hopen; kunnen rekenen op; kunnen voorzien; (6) kunnen vrezen dat; kunnen bang zijn dat; kunnen bevreesd zijn dat; (7) zich kunnen verbeelden; zich kunnen voorstellen; zich kunnen indenken; zich een beeld kunnen vormen van; (8) kunnen veronderstellen; kunnen aannemen; kunnen gissen; kunnen berekenen; ervan uit kunnen gaan dat; (9) 10. zich kunnen herinneren; (10) 11. van plan kunnen zijn te; de intentie kunnen hebben te; (11) 12. kunnen wensen; kunnen verlangen; kunnen willen; kunnen begeren; (12) 13. geïnteresseerd kunnen zijn in; belangstelling kunnen hebben voor; (13) 14. kunnen beminnen; kunnen liefhebben; verliefd kunnen worden op; verliefd kunnen zijn op; kunnen verlangen naar; (14) 15. zich kunnen afvragen of; (15) 16. kunnen verdenken van; kunnen wantrouwen; kunnen mistrouwen; kunnen verdenken te
katachi (1) vorm; voorkomen; gedaante; uiterlijk; (2) vorm; verschijningsvorm; formaliteit
恰好 kakkou passend bij; redelijk; billijk; matig; ; (1) vorm; voorkomen; presence; houding; uiterlijk; (2) postuur; een pose; een figuur; gedaante; gestalte; positie; (3) manier [van doen]; houding
外聞 gaibun (1) perceptie; voorkomen; (2) reputatie; naam; faam; prestige; (3) bekendheid bij de buitenwereld
外観 gaikan uiterlijk; voorkomen; schijn; aanschijn; uiterlijke gedaante; uitwendigheid; uiterlijkheid; buitenaanzicht; aanzien; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
kan (1) voorkomen; uitzicht; uiterlijk; schijn; aanzien; aanblik; blik; gezicht; spektakel; schouwspel; (2) zienswijze; opvatting; kijk; visie
表面 hyoumen (1) oppervlak; oppervlakte; (2) het uitwendige; het uiterlijke; het exterieur; voorkomen; buitenkant; buitenzijde; (3) voorzijde; voorgrond; voorkant; front; recto
アスペクト asupekuto (1) aanblik; voorkomen; aanzien; uiterlijk; aspect; (2) [spraakk.] aspect; vorm
人体 nintei voorkomen; allure; look; uiterlijk
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.6 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 50 treffers (zoekopdracht: 'voorkomen', strategie: exact). 
2005-2019