日蘭辭典+

42 resultaten voor ‘vuil’
日蘭辭典 (trefwoord)
kitanai汚い
bn. (1) [不潔] vuil; vies; smerig. (2) [吝嗇] min; gierig. (3) [卑猥な] vuil; schuin; onfatsoenlijk. (4) [卑怯] laf. ¶ 汚い smerige straat. ¶ 汚い vuile praatjes. ¶ 汚くする bevuilen; vuil maken.
akuta
zn. vuilnis o.; vuil o.
aka
zn. vuil o. ¶ 垢を附いた vuil.
gomi
(ゴミ、塵) zn. stof o.; vuil o.; afval o. ¶ 溜 vuilnisbak. ¶ 捨場 vuilnisbelt. ¶ 屋 vuilnisman.
fujun不純
zn. onreinheid v. ¶ 不純な onrein; vuil;
fuketsu不潔

zn. vuilheid v.; onreinheid v. ¶ 不潔vuil; onrein; vies; smerig. ¶ 不潔物 vuiligheid; smeerlapperij; viezigheid. ¶ 不潔 vuile straat.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <vuil>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
いかがわしいikagawashii (1) verdacht; bedenkelijk; twijfelachtig; dubieus; onbetrouwbaar; niet te betrouwen; suspect; louche; fishy; [~英語] gebrekkig; zwak; (2) onwelvoeglijk; onfatsoenlijk; onzedelijk; onzedig; zedeloos; indecent; ontuchtig; schunnig; smerig; vuil; obsceen; onkuis; onoorbaar; goor; veil
けちkechi (1) tegenspoed; ongeluk; pech; ongelukkig toeval; ongelukkige gebeurtenis; slecht voorteken; domper; koude douche; (2) vitterij; muggenzifterij; haarkloverij; kleingeestige kritiek; (3) gierigheid; vrekkigheid; schraperigheid; inhaligheid; karigheid; krenterigheid; overdreven zuinigheid; (4) kleinzieligheid; bekrompenheid; benepenheid; kleingeestigheid; pietluttigheid; krenterigheid; (5) gemeenheid; laagheid; vunzigheid; vuilheid; smerigheid; valsheid; (6) gierig; vrekkig; schraperig; inhalig; karig; krenterig; overdreven zuinig; (7) kleinzielig; bekrompen; benepen; kleingeestig; pietluttig; krenterig; (8) gemeen; laag; vuns; vuil; smerig; vals
けちなkechina (1) gierig; vrekkig; schraperig; inhalig; karig; krenterig; overdreven zuinig; (2) kleinzielig; bekrompen; benepen; kleingeestig; pietluttig; krenterig; (3) gemeen; laag; vuns; vuil; smerig; vals
不浄なfujouna onrein; onzindelijk; onzuiver; smerig; vies; vuil
不浄のfujouno onrein; onzindelijk; onzuiver; smerig; vies; vuil
不潔fuketsu (1) onreinheid; onzuiverheid; vuilheid; smerigheid; viesheid; goorheid; onzindelijkheid; morsigheid; viezigheid; smotsigheid; (2) onrein; onzuiver; vuil; smerig; vies; goor; onzindelijk; morsig; smotsig; viezig; impuur
不潔なfuketsuna onrein; onzuiver; vuil; smerig; vies; goor; onzindelijk; morsig; smotsig; viezig; impuur
卑劣hiretsu gemeen; laag; verachtelijk; min; vuil; smerig; abject; minderwaardig; onedel; ignobel; laaghartig; veil
卑怯hikyou (1) lafheid; lafhartigheid; (2) gemeenheid; flauwheid; laag-bij-de-grondsheid; laagheid; minheid; valsheid; gluiperigheid; (3) laf; lafhartig; blo; blode; [pej.; inform.] schijterig; [veroud.] blohartig; (4) gemeen; klein; flauw; laag-bij-de-gronds; unfair; laag; min; vals; onsportief; vuil; gluiperig
卑猥hiwai vulgair; obsceen; schunnig; onfatsoenlijk; onbehoorlijk; onwelvoeglijk; onoorbaar; oneerbaar; indecent; onzedelijk; onzedig; onkuis; ontuchtig; smerig; vuil; vies; vunzig; goor; gorig; ranzig; liederlijk; godsliederlijk; grof; scabreus; schuin; platvloers; laag-bij-de-gronds; plat
垢だらけakadarake vies; vuil; smerig; goor
垢だらけのakadarakeno vies; vuil; smerig; goor
aka (1) vuil; viesheid; vuilheid; viezigheid; vuiligheid; (2) aanslag; beslag; aanzetsel; (3) smet; verdorvenheid
塵芥gomiakuta vuil; vuilnis; afval; vuilte; [volkst.] vullis; [gew.] drek; [gew.] vagelingen
塵芥jinkai vuil; vuilnis; afval; vuilte; [volkst.] vullis; [gew.] drek; [gew.] vagelingen
塵芥chiriakuta vuil; vuilnis; afval; vuilte; [volkst.] vullis; [gew.] drek; [gew.] vagelingen
塵 ; 芥gomi stof; vuil; vuilnis; afval
chiri (1) stof; (2) vuil; vuilnis; afval; rommel; troep; prullen; rotzooi; (3) onzuiverheid; onreinheid; vuilheid; smet; bederf; ontaarding; (4) zeer geringe hoeveelheid; greintje; schijn; morzel
嫌らしい ; 厭らしいiyarashii (1) onaangenaam; onplezierig; naar; akelig; vervelend; walgelijk; weerzinwekkend; (2) onfatsoenlijk; onbehoorlijk; ongepast; onbetamelijk; onwelvoeglijk; onoorbaar; ondeugend; aanstootgevend; obsceen; indecent; liederlijk; schuin; vuil; schunnig; smerig; scabreus; [gew.] schouw
kuzu (1) afval; vuilnis; huisvuil; residu; (2) vuil; vuiligheid; viezigheid; (3) kruimels; kruim; (4) zaagsel; zaagmeel; (5) lomp; lor; vod; tod; tot op de draad versleten stuk stof; (6) oude rommel; (7) janhagel; grauw; uitschot; gajes; tuig; onbeschoft volk
廃液haieki afvalwater; vloeibaar afval; vuil
悪天akuten slecht weer; bar; belabberd; gemeen; lelijk; smerig; verraderlijk; vies; vuil; zwaar weer; dievenweer; hondenweer; pokkenweer; [gew.] wanweer
悪天候akutenkou slecht weer; bar; belabberd; gemeen; lelijk; smerig; verraderlijk; vies; vuil; zwaar weer; dievenweer; hondenweer; pokkenweer; [gew.] wanweer
汚いkitanai (1) vuil; vies; besmeurd; smerig; onrein; (2) onfatsoenlijk; obsceen; goor; (3) gemeen; laag-bij-de-gronds; slecht; (4) vrekkig; zuinig; krenterig
汚らわしい ; 穢らわしいkegarawashii (1) vies; vuil; smerig; goor; (2) obsceen; smerig; vuil; schuin; schunnig; onfatsoenlijk; onwelvoeglijk; walgelijk; weerzinwekkend; afschuwelijk
汚れたkegareta vies; vuil; smerig; bevuild; bevlekt; vlekkig; gevlekt; onrein; geplekt; beklad; goor; smoezelig; groezelig; bezoedeld; besmeurd; [i.h.b.] beduimeld; [~空気] verontreinigd; vervuild; bedorven; corrupt
汚れたyogoreta vies; vuil; smerig; bevuild; bevlekt; onrein; vlekkig; gevlekt; geplekt; beklad; goor; smoezelig; groezelig; bezoedeld; besmeurd; [i.h.b.] beduimeld; [~空気] verontreinigd; vervuild; bedorven; corrupt
汚れyogore (1) vuil; vuiligheid; viezigheid; smerigheid; (2) vlek; vlekje; vuile plek; klad; smet; (3) smet; blaam; bezoedeling; bevlekking; schandvlek; tekortkoming
汚物obutsu (1) vuiligheid; viezigheid; vuilheid; vuil; (2) uitwerpselen; ontlasting; excrement; excrementen; excreten; drek
淫らmidara onbehoorlijk; onbetamelijk; onfatsoenlijk; onwelvoeglijk; onoorbaar; onzedelijk; obsceen; indecent; schunnig; schuin; vuil; smerig; vies; scabreus; plat; liederlijk
猥褻なwaisetsuna obsceen; schuin; vuil; schunnig; smerig; onfatsoenlijk; onoorbaar; onbetamelijk; onbehoorlijk; onwelvoeglijk; onzedelijk; indecent
kuso (1) poep; kak; drek; stront; schijt; uitwerpselen; (2) vuil; (3) shit!; kut!; [〜ったれ] kut!; kut met peren!; verdomme!; godver!; verdorie!; verdraaid!; verdikkeme!; (4) klote-; kut- [= beledigend voorvoegsel]; (5) reuze-; buitengewoon; enorm; uitzonderlijk; (6) [= intensief suffix met minachtende connotatie]
糟 ; 滓 ; 粕kasu (1) sediment; neerslag; bezinksel; afzetting; aanzetsel; residu; grondsop; [酒類の] droesem; drab; depot; [コーヒーの] koffiedik; [水面の] brijn; vuil; vlies; (2) overblijfsel; residu; vuil; vuilnis; afval; (3) [fig.] hef; heffe; uitvaagsel; uitschot; schuim; tuig
薄汚いusugitanai (1) smerig; vuil; vies; groezelig; (2) gemeen; smerig; achterbaks; geniepig
雑草zassou onkruid; vuil; [Sur.N.] wied; [veroud.] ontuig; [gew.] vuil kruid; [gew.] kwaad kruid; [gew.] rugt; [gew.] ruit; rut; [gew.] vuiligheid
黒いkuroi (1) zwart; (2) (van huid of kleur van ogen) donker; (van huid of kleur van ogen) bruin; gebruind; [Belg.N.; niet alg.] gebronzeerd; (3) vuil; vies; smerig; morsig; bevlekt; besmeurd; bevuild; (4) slecht; onrechtvaardig; onbillijk; onwettig; onrechtmatig; clandestien
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.49 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 36 treffers (zoekopdracht: 'vuil', strategie: exact). 
2005-2022