日蘭辭典+

18 resultaten voor ‘weglaten’
日蘭辭典 (trefwoord)
shōryaku省略
zn. weglating v.; afkorting v. ¶ 省略する afkorten; verkorten; gedeeltelijk weglaten; ¶ 省略せぬ onverkort; volledig. ¶ 省略符 apostrophe.
morasu漏す
(漏らす、洩らす、洩す) t.w. (1) [を] laten lekken; doorlaten. (2) [祕密事を] laten uitlekken; verklappen. (3) [脱漏] weglaten. ¶ 小便を漏す wateren; urineeren. ¶ から洩す zich laten ontvallen. ¶ 書き洩す vergeten te schrijven; weglaten.
nuku拔く
t.w. (1) [引拔く] uitrekken. i.w. [抽出] uittreksel maken. t.w. (3) [引用] aanhalen; citeeren. (4) [取除] verwijderen; uitzonderen. (5) [省略] weglaten. (6) [抽んでる] overtreffen; i.w. uitblinken; uitmunten. t.w. [攻落] veroveren; innemen. (8) [追ひ越す] inhalen. [色を脱く] verkleuren; verschieten. ¶ 空氣を拔く lucht eruit pompen. ¶ 難解の所を脱く moeilijke passages overslaan. ¶ 釘を拔く spijker uittrekken.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <weglaten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
除く nozoku (1) wegnemen; wegruimen; wegdoen; weghalen; eruit halen; verwijderen; aan de kant zetten; [twijfel e.d.] opheffen; ontlasten van; [de pijn e.d.] verdrijven; afhelpen van; elimineren; schrappen; uit de weg ruimen; ruimen; afschaffen; (2) uitsluiten; buitensluiten; uitlaten; weglaten; achterwege laten; weren; terzijde laten; terzijde schuiven; opzijzetten; erbuiten laten; overslaan; omitteren; uitzonderen
抜かす nukasu weglaten; overslaan; niet opnemen; uitlaten; achterwege laten; laten vallen; omitteren; skippen; [語尾の音節を] afkappen
抜く nuku (1) dringen in; doordringen; penetreren; (2) inhalen; voorbijstevenen; achter zich laten; het verder brengen dan; overtreffen; voorbijstreven; te boven gaan; de loef afsteken; uitsteken boven; overvleugelen; [i.h.b. sportt.] verslaan; (3) uittrekken; trekken; [een fles enz.] opentrekken; (4) eruit halen; te voorschijn halen; uitlichten; uitpikken; uitkiezen; selecteren; uitzoeken; [i.h.b.] pikken; [i.h.b.] stelen; (5) verwijderen; wegnemen; lichten; uithalen; [i.h.b. van bad, ballon enz.] laten leeglopen; lozen; (6) besparen; daarlaten; overslaan; weglaten; achterwege laten; (7) [een blanco plek enz.] uitsparen; openlaten; (8) innemen; veroveren; (9) ten einde toe ~; uit-; af-; ~ tot de lust daartoe voorbij is [gebruikt als werkwoordelijk suffix]; (10) 10. overslaan; (11) 11. masturberen
省略する shouryakusuru (1) weglaten; uitlaten; omitteren; achterwege laten; (2) afkorten; abbreviëren; afkappen; afbijten; [taalk.] elideren; (3) verkorten; bekorten; inkorten
除外する jogaisuru uitsluiten; buitensluiten; weren; niet opnemen; weglaten
飛ばす tobasu (1) laten vliegen; afschieten; schieten; afvuren; lossen; [m.b.t. vlieger, ballon] oplaten; [honkbal; b.v. een tweehonkslag] slaan; [een beenveeg] lappen; [m.b.t. speeksel] uitwerpen; (2) spatten; laten spatten; [m.b.t. snippers enz.] rondstrooien; (3) wegblazen; afblazen; (4) [een auto enz.] doen wegscheuren; jagen; [m.b.t paard] in galop doen gaan; (5) [een manifest enz.] uitvaardigen; uitbrengen; in omloop brengen; in circulatie brengen; verspreiden; laten circuleren; [m.b.t. grappen] debiteren; [m.b.t. klappen] uitdelen; (6) [euf.] overplaatsen; (7) overslaan; overspringen; [comp.] skippen; weglaten; luchtig overheen gaan; achterwege laten
略する ryakusuru (1) afkorten; inkorten; verkorten; bekorten; abbreviëren; vereenvoudigen; (2) achterwege laten; weglaten; laten; laten vallen; overslaan; afzien van; omitteren
略す ryakusu (1) afkorten; inkorten; verkorten; bekorten; abbreviëren; vereenvoudigen; (2) achterwege laten; weglaten; laten; laten vallen; overslaan; afzien van; omitteren
約す yakusu (1) samenbinden; bundelen; aanhalen; (2) weglaten; achterwege laten; uitlaten; overslaan; laten vallen; (3) afspreken; overeenkomen; een afspraak; contract aangaan; een overeenkomst sluiten; zich verbinden; (4) besparen; bezuinigen; beperken; reduceren; bekorten; afkorten; vereenvoudigen; verkorten; (5) [wisk.] herleiden; reduceren
省く habuku (1) weglaten; overslaan; achterwege laten; uitlaten; omitteren; daarlaten; uitsluiten; elideren; (2) besnoeien op; [手間を] besparen; [時間を] uitsparen; bezuinigen; [苦労を] sparen; uitzuinigen
落ちる ochiru (1) vallen; ten val komen; neerstorten; neerdonderen; in het stof bijten; tuimelen; duiken; een duik nemen; (2) omvallen; invallen; instorten; neerstorten; in elkaar vallen; in elkaar storten; (3) [m.b.t. zon, maan etc.] ondergaan; achter de horizon verdwijnen; zakken; (4) niet slagen (bij een examen); zakken; stralen; bakken; buizen; falen; sjezen; afgaan; (5) weglaten; uitvallen; achterwege laten; ontbreken; niet gebruiken; (6) verkleuren; verschieten; verbleken; bleek worden; vervalen; valer worden; (7) in de handen van de vijand vallen; ingenomen worden; vallen; raken bij; verloren gaan; te gronde gaan; (8) [m.b.t. een druppel) druppen, druppelen, in druppels neervallen, druipen; (9) vluchten; ontvluchten; de vlucht nemen; het hazenpad kiezen; de plaat poetsen; de benen nemen; er vandoor gaan; op de loop gaan; (10) 10. terugvallen; achteruitgaan; een neerwaartse trend vertonen; een dalende trend vertonen; naar een ongunstige positie afzakken; (11) 11. inferieur zijn; achterstaan bij; niet zo goed zijn als; minder zijn dan; niet kunnen tippen aan; (12) 12. [m.b.t. wind) luwen, gaan liggen, bedaren, kalmer worden, verzachten; (13) 13. [m.b.t. rivier, stroom etc.] uitmonden in; instromen in; uitlopen in; (14) 14. [m.b.t. bliksem) inslaan, treffen; (15) 15. [m.b.t. vissen] stroomafwaarts gaan; stroomafwaarts zwemmen; (16) 16. flauwvallen; bewusteloos vallen; het bewustzijn verliezen; van zijn stokje vallen; van zijn stokje gaan; bezwijmen; sterven; doodgaan; overlijden; ontslapen; heengaan
落とす otosu (1) laten vallen; neergooien; naar beneden gooien; droppen; (2) verliezen; zonder dat men er zich van bewust is iets laten vallen; al gaande ongemerkt laten vallen; kwijtraken; (3) [een vlek] verwijderen; uitwassen; wegwassen; [een baard] afscheren; wegscheren; afschrapen; wegschrapen; (4) innemen; veroveren; doen vallen; bemachtigen; zich meester maken van; (5) weglaten; schrappen; ontdoen van; laten uitvallen; (6) zachter gaan praten; [zijn stem] verstillen; verzachten; [zijn blik] naar de beneden richten; [zijn blik] naar de grond richten; [zijn blik] neerslaan; (7) (zich) verlagen; zich vernederen; degraderen; ontaarden; in waarde verminderen; [het vertrouwen] verliezen; (8) verslechteren; slechter maken; (9) [een duivel, een kwade geest etc.] uitdrijven; [een ziekte, een kwaal etc.] verdrijven; genezen; (10) 10. afdingen; afbieden; pingelen; (11) 11. [een persoon] laten ontsnappen; laten ontkomen; laten vluchten; (12) 12. vangen; in de val laten lopen; te pakken krijgen; (13) 13. [een kandidaat] verwerpen; niet selecteren; niet slagen [voor een examen]; (14) 14. [m.b.t. rakugo 落語] [een verhaal] tot een komisch einde brengen; [een verhaal] eindigen met een rake opmerking; (15) 15. [een schaduw] werpen
カットする kattosuru (1) knippen; kappen; (2) [宝石を] snijden; (3) [sportt.] kappen; snijden; afsnijden; onderscheppen; effect geven; meegeven; een kapbeweging maken; (4) [filmk.] cutten; snijden en lassen; (5) inkorten; verkorten; couperen; weglaten; doorstrepen; doorhalen; schrappen; (6) verminderen; verlagen; reduceren; beperken; inkrimpen; korten; besnoeien; bezuinigen
割愛 katsuai (1) verbreking van de genegenheid; gehechtheid; (2) het met spijt achterwege laten; weglaten; overslaan; het met tegenzin afstand doen van; het ongaarna laten varen; het met tegenzin opgeven; (3) het met spijt cadeau doen; het met moeite schenken; geven; afstaan; (4) [sericultuur] het scheiden van parende zijdevlinders
割愛する katsuaisuru (1) met spijt achterwege laten; weglaten; overslaan; met tegenzin afstand doen van; ongaarna laten varen; met tegenzin opgeven; (2) met spijt cadeau doen; met moeite schenken; geven; afstaan
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.54 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 15 treffers (zoekopdracht: 'weglaten', strategie: exact). 
2005-2020