日蘭辭典+

73 resultaten voor ‘werk’
日蘭辭典 (trefwoord)
shigoto仕事
zn. werk o.; arbeid (勞働) m.; taak () v. ¶ 仕事をする werken. ¶ 仕事日 werkdag. ¶ 仕事賃 werkloon; arbeidsloon. ¶ 仕事著 werkpak. ¶ 仕事嫌ひ arbeidschuw. ¶ 仕事werker. ¶ 針仕事 naaiwerk.
kasegi
zn. werk o.; arbeid o. ¶ 稼高 inkomst. ¶ 稼ぐ werken voor zijn brood; zijn brood verdienen. ¶ を稼ぐ zijn brood verdienen. ¶ 日當一圓で稼いで居る hij verdient een yen per dag.
hataraki

(働き) zn. (1) [勞働] arbeid m.; werk o.; verrichting v. (2) [才能] bekwaamheid v.; geschiktheid v.; talent o. (3) [功績] verdienste v. (4) [骨折] inspanning v. (5) [動作] actie v. (6) [運轉] beweging v. ¶ 働者 bekwaam man; energiek persoon.

arabone荒骨
zn. hard werk o.
arakasegi荒稼
(荒稼ぎ) zn. (1) [勞働] ruw werk o.; harde arbeid m.; . (2) [追剥] roof m.
ningen人間
zn. (1) [] mensch m.; menschelijk wezen o.; schepsel o. (2) [人類] menschheid v. (3) [世間] de wereld v. ¶ 人間時代 het tijdperk van de mensch. ¶ 人間以上の bovenmenschelijk. ¶ 人間らしい menschelijk. ¶ 人間にする een man maken van. ¶ 人間の menschelijk; stervelijk. ¶ 人間嫌ひ menschenhater; misanthroop. ¶ 人間世界 de menchenwereld. ¶ 人間業 menschelijk werk; menschenwerk.
yakume役目
zn. taak v.; werk o.; ambtsplicht v.; functie v. ¶ お役目的に zonder veel zorg; omdat het nu eenmaal zijn plicht is. ¶ 役目柄で in qualiteit van; ambtelijk.
yakuwari役割
zn. rolverdeeling v.; verdeeling van werk; aanwijzing van ieders taak.
yame止め
zn. (1) [終り] einde v.; conclusie v. (2) [中止] ophouding v.; stoppen o. (3) [廢止] afschaffing v. (4) [斷念] onthouding v.; opgeving v. ¶ 止める doen ophouden; afschaffen; uitscheiden met; stoppen; opgeven; afzien van; een einde maken aan. ¶ 仕事止める uitscheiden met werken. ¶ 學問を廢める de studie opgeven. ¶ 新聞取るのを廢める voor een krant bedanken. ¶ を廢める den drank afzweren; geheelonthouder worden.
yaochō八百長
zn. afgesproken werk o.; schijngevecht om het publiek te bedriegen.
zagyō坐業
zn. zittend werk o.; zittende betrekking.
namakeru怠ける
i.w. lui zijn; nalatig zijn; lui; traag; vadsig. ¶ 仕事怠ける zijn plicht verzuimen; nalatig zijn in zijn werk.
shokugyō職業
zn. beroep o.; bedrijf o.; werk o.; vak o.; kostwinning v.; (俗) baantje o.; ¶ 職業紹介所 arbeidsbureau; arbeidsbeurs. ¶ 自由職業 vrij beroep.
yōji用事
zn. zaken. v.mv ¶ 用事ある zaken hebben; bezig zijn; wat te doen hebben.
yatoi
(傭、傭い、雇い) zn. dienst m.; huur v.; (雇人) employé m.; beambte m. ¶ 雇外國人 vreemdeling in dienst van Japanners. ¶ 雇賃 loon; bezoldiging; huur. ¶ 雇口 baantje; betrekking; dienst; werk. ¶ 傭兵 huurling; huurtroepen. ¶ 雇入れ dienst; in-dienstneming. ¶ 雇入れる in dienst nemen; huren; charteren (を). ¶ 雇人 bediende; employé. ¶ 雇人口入所 bediendenkantoor; verhuurkantoor van personeel; arbeidsbeurs. ¶ 雇主 werkgever; baas.
hayai早い
(速い、疾い、捷い) bn. snel; vlug; spoedig; prompt; vroeg. ¶ 早いが in ’t kort gezegd. ¶ 仕事が早い vlug zijn werk doen. ¶ が早い hard kunnen loopen. ¶ 進步が早い snelle vorderingen maken; vlug vooruitkomen. ¶ 一刻も早いがよい hoe eerder hoe beter. ¶ 東京火事早い in Tokyo komt dikwijls brand voor. ¶ 君は朝は早いか sta je gewoonlijk vroeg op? ¶ 林檎もいでは早過ぎる het is nog te vroeg om appels te plukken.
waza
(技、伎) zn. (1) [所] daad v.; handeling v.; werk o. (2) [職業] beroep o. (3) [技術] kunstgreep m.; kunstje o. ¶ それ容易ではない het is geen gemakkelijke taak. ¶ 人間業とは思へない geen menschenwerk; wonder. ¶ 彼奴のしたに相違ない natuurlijk heeft hij dat gedaan.
jūji從事
(従事) zn. bezigheid v.; bedrijf o. ¶ 從事する bezig zijn met; bedrijven; verrichten. ¶ 從事して居ますか wat is zijn beroep?
chosaku著作
zn. letterkundig werk o. ¶ 著作する schrijven. ¶ 著作權 auteursrecht. ¶ 著作權侵害 schending van het auteursrecht; ongeoorloofde nadruk. ¶ 著作者 schrijver; auteur.
SUPPLEMENT (trefwoord)
fukuzatsu複雑
zn. (〜な, ~na) adj. complex; gecompliceerd; ingewikkeld; verwikkelingen in de omstandigheden, structuur of relaties van een zaak; door verwikkelingen niet eenvoudig uit de leggen of te begrijpen; moeilijk; niet oppervlakkig; bewerkelijk. ¶ 複雑炭水化物って何か知ってますか。 Fukuzatsu tansui kabutsu tte nani ka shittemasu ka. Weet je iets van complexe koolhydraten? (TTC) ¶ 女は仕事のことを尋ねられると、「私の仕事複雑なので一言では要約できません」と言った。 Kanojo wa shigoto no koto wo tazunerareru to, ‘Watashi no shighoto wa fukuzatsu na no de, hitokoto de wa yōyaku dekimasen’ to itta. Toen haar werd gevraagd naar haar werk zei ze ‘Aangezien mijn werk ingewikkeld is kan ik het niet in een enkel woord samenvatten’. (TTC) ¶ が事態を複雑にした。 Kare no uso ga jitai wo fukuzatsu ni shita. Zijn leugen maakte de zaak ingewikkeld. (TTC) ¶ 脳の構造は複雑だ。 Nō no kōzō wa fukuzatsu da. De structuur van het brein is complex. (TTC)
sūnin数人
zn, no-adj. meerdere mensen; een aantal mensen. ¶ 部屋には数人の学生がいた。 Heya ni wa sūnin no gakusei ga ita. Er waren een aantal studenten in de kamer. (TTC) ¶ 彼らうち数人がその法案に反対である。 Karera no uchi sūnin ga sono hōan ni hantai de aru. Een aantal van hen was tegen het wetsvoorstel. (TTC) ¶ 数人の人たちが負傷して横たわっていた。 Sūnin no hitotachi ga fushōshite yokotawatte ita. Meerdere mensen lagen gewond neer. (TTC) ¶ 数人の若い技師が雇われ、彼ら新しいコンピューターの開発に専念した。 Sūnin no wakai gishi ga yatoware, karera wa atarashii konpyūtā no kaihatsu ni sennenshita. Er waren een aantal jonge ingenieurs te werk gesteld, en ze waren totaal toegewijd aan het ontwikkelen van een nieuwe computer. (TTC) ¶ この夏休みに数人の友達と、伊豆半島を歩いて一周するのを楽しみにしています。 Boku wa kono natsuyasumi ni sūnen no tomodatchi to, Izu hantō wo aruite isshūsuru no wo tanoshimi ni shite imasu. Ik kijk er naar uit om deze zomervakantie met een aantal vrienden te voet het schiereiland Izu te gaan verkennen. (TTC)
dare hitori誰一人
(frase) niemand; geen een/één (persoon); niet een/één (persoon) (in ontkennende zinnen). ¶ 彼らのことは誰一人知らない。 Karera no koto wa dare hitori shiranai. Ik ken niemand van ze. ¶ 誰一人、犯人を見ていない。 Dare hitori, hannin wo mite inai. Niemand heeft de misdadiger gezien. (yasamv) ¶ 誰一人僕の言うことに耳を貸そうとしなかったんだ。 Dare hitori boku no iu koto ni mimi wo kasō to shinakattan da. Er was niemand die wou luisteren naar wat ik te zeggen had. ¶ その仕事のお手伝いが出来る人はここには誰一人いません。 Sono shigoto no o-tetsudai ga dekiru hito wa koko ni wa dare hitori imasen. Er is hier niemand die je kan helpen met het werk. (TTC)
tot ziens

(frase)(1) [tot ziens; dag; doei]

mata ne またね (Informeel; Letterlijk, “opnieuw hè”, implicerend: “Ik zie je later weer”).
jaa ne じゃあね (Informeel; Letterlijk, “wel, dus...”).
jaa, mata ne じゃあ、またね (Zie hierboven. Vergelijk het Nederlands: “Wel [dus], ik zie je later wel weer”).
sore ja それじゃ (Informeel; De implicatie is “tot ziens”, maar letterlijker bezien betekent het zoiets als “dit dus...” of “gegeven dit...”, of “wel, in dat geval...”) Sterker samengetrokken: son ja そんじゃ.
sore de wa それでは (Ietsje formeler dan sore ja, wat een samentrekking is van sore de wa).
baibai ばいばい (Naar het Engels bye-bye; vrij neutraal.)

NB let er op dat in deze transcriptie de letter “j” word uitgesproken als in het Engels /jeep/ (Nederlands /dzj/). Dus jaa ne is Nederlands /dzjaa nè/.

¶ Tot morgen mata ashita また明日.

In formelere situaties in de nederige rol, verontschuldigd men zich. Het idee van “dag” of “tot ziens” is geheel impliciet.
shitsuree shimasu 失礼します (Nederlands equivalent hiervan is “neem me niet kwalijk”; Letterlijker: “ik doe onbeleefd”).

Wanneer je afscheid neemt in een situatie waarin je klant bent is een van de bovengenoemde informele frases in orde. Beleefd zou zijn om tegen werkenden te zeggen o-tsukare-sama desu, wat equivalent is aan het Nederlands “werk ze!” maar dan beleefder. Je kunt het ook tegen collega’s zeggen bij afscheid.

(2) [tot ziens (voor langere tijd); vaarwel] sayoonara さようなら.

TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:Unfea 〈E1:00:03:50〉アンフェア
山路哲夫:「単独行動するな!」雪平夏見:「約束できません。こんな仕事結果全てです。」
Yamaji Tetsuo: ‘Voer geen acties uit op eigen houtje!’ Yukihira Natsumi: ‘Dat kan ik niet beloven. Bij dit werk tellen alleen de resultaten.’ [E1:00:03:50]

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <werk>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ワーキングwaakingu werkend; werk-
ワークwaaku (1) werk; arbeid; (2) werkboekje; opgavenboek; oefenboek; (3) World Administrative Radio Conference; (4) Work
事業jigyou (1) werk; onderneming; project; (2) onderneming; bedrijf; zaak
koto (1) ding; voorwerp; zaak; (2) zaak; aangelegenheid; affaire; omstandigheid; belang; (3) probleem; vraagstuk; kwestie; vraag; (4) feit; feitelijkheid; (5) omstandigheid; omstandigheden; toestand van een zaak; staat van zaken; toestand; situatie; (6) geval; (7) voorval; incident; onverwachte gebeurtenis; ongewone gebeurtenis; (8) ongeluk; ongeval; tegenspoed; pech; onheil; moeilijkheid; verwikkeling; (9) werk; werkzaamheid; ambtelijke werkzaamheid; functie; taak; opdracht; plicht; wat van iemand geëist wordt; (10) oorzaak; motief; reden; beweeggrond; (11) ervaring; ondervinding
ji (1) zaak; geval; werk; (2) [boeddh.] artha [= fenomeen; praktijk]; (a) ding; zaak; geval; (b) daad; handeling; werk; (c) dienen; ten dienste staan
仕事shigoto (1) werk; arbeid; karwei; klus; taak; affaire; zaak; opgave; bezigheid; werkzaamheid; (2) werk; baan; job; beroep; betrekking; emplooi; (3) [nat.; techn.] arbeid
仕業shiwaza daad; werk; handeling; bedrijf; optreden; toedoen
会社kaishya bedrijf; onderneming; zaak; firma; vennootschap; maatschappij; maatschap; associatie; kantoor; [meton.] werk; [afk.] Mij.
作品sakuhin (1) (stukje) werk; werkstuk; stuk; gewrocht; [verzameln.] œuvre; (2) [maatwoord voor werken; werkstukken]
作業sagyou werk; activiteit; werkzaamheden; bezigheden
saku (1) werk; stuk; werkstuk; product; gewrocht; voortbrengsel; maaksel; (2) [landb.] het bebouwen; het bewerken; bouw; verbouw; cultuur; bewerking; grondbewerking; teelt; (3) [landb.] oogst; opbrengst; productie; teelt; geteelde; (4) [landb.] rug tussen twee ploegvoren; (a) maken; fabriceren; opzettelijk doen; (b) product; werk; (c) graan; teelt; oogst; (d) tot bloei brengen; bevordering; (e) [afk.] provincie Mimasaka 美作
働きhataraki (1) arbeid; werk; verrichting; bezigheid; activiteit; emplooi; (2) werking; functie; functionering; werkzaamheid; uitwerking; [i.h.b. taalk.] vervoeging; uitoefening; (3) bekwaamheid; kundigheid; dienstigheid; verdienstelijkheid; resultaten; prestatie
八百長yaochou doorgestoken kaart; complot; van tevoren afgesproken spel; werk; zaak; voorgekookte bedoening; opgelegd pandoer; [Belg.N.] opgezet spel; [veroud.] gemaakte mouw; [w.g.] bestoken werk; [gew.] noten met gaatjes; [gew.] opgemaakt spel
制作seisaku (1) werk; productie; stuk; product; voortbrengsel; maaksel; gewrocht; opus; (2) productie; het producen
創作sousaku (1) creatie; schepping; voortbrenging; (2) creatie; werk; maaksel; gewrocht; product; voortbrengsel; [i.h.b.] literair werk; (3) verzinsel; verdichtsel; fictie; [i.h.b.] leugen
創作品sousakuhin werk; creatie; product; voortbrengsel; schepping; geestesproduct; geesteskind; geesteswerk
rou (1) moeite; last; inspanning; inzet; (2) prestaties; diensten; verdiensten; verwezenlijkingen; (3) ervaring; ondervinding; expertise; (4) lange gebruikmaking; (a) werken; werk; (b) moeite; (c) prestatie; (d) last; inspanning; (e) erkentelijk zijn; bedanken; (f) [afk.] vakbond; arbeiders
労働roudou arbeid; werk
勤め ; 勤 tsutome (1) Boeddhistische dienst; (2) werk; baan; dienst; betrekking; ambt; functie; werkzaamheden
勤め先tsutomesaki werkplek; werk; kantoor; plaats waar iem. werkzaamheden verricht
勤労kinrou werk; arbeid; dienst
勤務kinmu dienst; werk; [i.h.b.] shift
原作gensaku origineel; oorspronkelijk stuk; werk
原書genshyo origineel; eerste exemplaar; originele boek; werk
商売shyoubai (1) handel; zaak; nering; bedrijf; commercie; zaken; het zakenleven; het zakendoen; koophandel; koopmanschap; business; affaire; (2) beroep; werk; vak; branche; [Belg.N.] stiel
売れ口urekuchi (1) afzetmogelijkheid; afzetmarkt; markt; débouché; vraag; (2) baan; werk; job; (3) huwelijkskandidaat; partij; potentiële huwelijkspartner
就労するshyuurousuru aan het werk gaan; beginnen te werken; aan de slag gaan; [form.] aan het werk tijgen; werk; emplooi vinden
就職するshyuushyokusuru werk; een baan; een job; emplooi; een betrekking vinden; een baan; job; functie; betrekking krijgen; aan de bak komen; aan werk; een baan; een job; een betrekking; een functie (ge)raken; [i.h.b.] in (loon)dienst; functie treden; een betrekking aanvaarden
所作shyosa (1) daad; handeling; (2) houding; gedrag; gedraging; gesticulatie; postuur; [演技の] acteerwerk; optreden; pantomimiek; (3) [kabuki] dansbeweging; dans; (4) [boeddh.] karma; (5) werk; beroep
操業sougyou bedrijf; werking; werk; praktijken; werkzaamheden
hon (1) boek; boekdeel; werk; lectuur; (2) tekstboekje; libretto; script; scenario; draaiboek; (3) dit ~; deze ~; onderhavig ~; gegeven ~; voorliggend ~; ~ in kwestie; de betreffende ~; de bedoelde ~; de betrokken ~; de bewuste ~; de desbetreffende ~; (4) hoofd-; voornaamste ~; belangrijkste ~; (5) echt ~; gewoon ~; normaal ~; (6) [maatwoord voor langgerekte; staafvormige voorwerpen]; (7) [maatwoord voor het aantal verbindingen van openbaar vervoer]; (8) [maatwoord voor films]; (9) [eenheid die een beslissende score bij een honkbal-; judo- of kendo-wedstrijd aangeeft]
業務gyoumu zaken; werk; bezigheden; werkzaamheden; dienst
機構kikou (1) organisatie; structuur; opbouw; inrichting; systeem; samenstel; apparaat; machinerie; -wezen; (2) mechanisme; mechaniek; werk
流れ作業nagaresagyou lopendebandwerk; bandwerk; werk; montage aan de lopende band; kettingmontage
mono (1) ding; voorwerp; zaak; goed; stuk; artikel; waar; iets; object; brok; spul; materiaal; (2) aangelegenheid; kwestie; historie; affaire; materie; onderwerp; punt; (3) eigendom; bezit; have; goed; (4) kwaliteit; (5) rede; wat redelijk is; (6) -werk; -stuk; (7) -wekkend; -aanjagend; -barend; -gevend; wat ~ veroorzaakt
狂言kyougen (1) [Jap.ton.] kyōgen [= tussen nō-stukken opgevoerde klucht; komisch tussenspel]; (2) [i.h.a.] toneelstuk; toneelspel; stuk; spel; drama; voorstelling; opvoering; (3) schijnvertoning; bedotterij; komedie; schijn; veinzerij; misleiding; bedrog; doorgestoken kaart; opgelegd pandoer; afgesproken zaak; werk; [Belg.N.] opgezet spel; [gew.] opgemaakt spel; [gew.] noten met gaatjes; [gew.; w.g.] bestoken werk; [veroud.] gemaakte mouw
生業seigyou beroep; werk; vak
用事youji zaak; aangelegenheid; werk; affaire
you (1) nut; bruikbaarheid; dienst; (2) gebruik; (3) taak; werk; boodschap; klus; karwei; (4) kosten; prijs; uitgaven; (5) (kleine en grote) boodschap; urine en poep; (a) voor; bestemd voor; bedoeld voor; ten gebruike van; ten behoeve van; ad; in usum
稼ぎkasegi (1) werk; arbeid; (2) inkomen uit arbeid; inkomsten; loon
稼働 ; 稼動kadou (1) arbeid; werk; het werken; (2) werking; het functioneren; bedrijf; operationaliteit
稼業kagyou beroep; werk; vak; beroepsbezigheid; baan; job; stiel; metier
shyoku (1) werk; baan; job; post; emplooi; (2) ambt; functie; dienst; betrekking; officie; positie; [form.] officium; [高い~] waardigheid; (3) vak; beroep; metier; ambacht; [niet alg.] stiel; [i.h.b.] vaardigheid; [i.h.b.] vakkundigheid
職場shyokuba (1) werkplek; [fig.] werkvloer; [i.h.b.] kantoor; (2) [meton.] werk; post; betrekking; baan; job
職業shyokugyou beroep; vak; metier; professie; betrekking; ambacht; werk; baan; job; [niet alg.] stiel; [fig.] roeping
著作chosaku geschrift; werk; boek
著書choshyo boek; werk; geschrift
著述chojutsu (1) het schrijven; (2) boek; werk; geschriften
cho (1) werk; boek; geschrift; (2) geschreven door; van de hand van
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.52 sec. jiten.nl: 24 treffers, warandict: 49 treffers (zoekopdracht: 'werk', strategie: exact). 
2005-2021