日蘭辭典+

38 resultaten voor ‘werken’
日蘭辭典 (trefwoord)
sayō作用
zn. actie v.; werkwijze v.; werking v. ¶ 電氣の作用 werking der electriciteit. ¶ 自然の作用 natuurlijke invloeden. ¶ 作用する werken; inwerken; invloed uitoefenen.
shigoto仕事
zn. werk o.; arbeid (勞働) m.; taak () v. ¶ 仕事をする werken. ¶ 仕事日 werkdag. ¶ 仕事賃 werkloon; arbeidsloon. ¶ 仕事著 werkpak. ¶ 仕事嫌ひ arbeidschuw. ¶ 仕事werker. ¶ 針仕事 naaiwerk.
hataraku働く
i.w. (1) [勞働] arbeiden; werken. (2) [骨折る] zich inspannen. t.w. (3) [犯す] plegen; begaan; doen. ¶ 働いて居る aan het werk zijn. ¶ 生計の働く werken voor zijn brood. ¶ 惡事働く misdaden begaan.
kasegi
zn. werk o.; arbeid o. ¶ 稼高 inkomst. ¶ 稼ぐ werken voor zijn brood; zijn brood verdienen. ¶ を稼ぐ zijn brood verdienen. ¶ 日當一圓で稼いで居る hij verdient een yen per dag.
ugoku動く
i.w. (1) [動く] bewegen; zich bewegen. (2) [移動] van plaats veranderen; zich verplaatsen. (3) [運轉] loopen; gaan; werken. (4) [變動] veranderen; zich wijzigen. (5) [搖ぐ] schommelen; schudden. (6) [感ずる] geroerd worden; getroffen zijn. ¶ 動かざる onbewegelijk; roerloos; (の) onbewogen; onverschillig. ¶ 動かざる泰山の如し rotsvast; onwankelbaar. ¶ 一寸も動かない er wordt niets verkocht. ¶ 時計が動かなくなった het horloge staat stil. ¶ 一寸も動くことならぬぞ verroer je niet!; blijf stokstil staan!
fukasu更かす
を更かす laat opblijven; nachtbraken; tot laat in den nacht werken.
hatarakasu働かす

i.w. gebruik maken van; i.w. laten werken; vervoegen (動詞を).

SUPPLEMENT (trefwoord)
vrouw

(znw, de)
(1) onna no hito 女の人; josei 女性 (algemene benamingen); onna 女 (vrouw; geliefde; echtgenote; meid; prostituee); fujin 婦人 (mevrouw; dame(s)); onna no kata 女の方 (dame(s)); joshi (vrouw; mevrouw; meisje; jongedame; dochter). ¶ Er was een vrouw de was aan het ophangen. Onna no hito ga sentakubutsu wo roopu ni hoshite iru tokoro datta. 女の人が洗濯物をロープに干しているところだった。 (TA) ¶ De werkende vrouw. Hataraku josei [fujin]. 働く女性[婦女]。 ¶ De vrouwenbeweging. Josei [fujin] undou. 女性[婦人]運動。 ¶ Mevrouw Bruce was de eerste vrouwelijke piloot die de tussen Engeland en Japan vloog. Buruusu fujin wa Ei-Nichi-kan wo tonda saisho no josei pairotto de atta. ブルース婦人は英日間を飛んだ最初の女性パイロットであった。 (TA)
(2) tsuma (echtgenote); kanai 家内 (mijn vrouw); nyoubou 女房; waifu ワイフ(([mijn,zijn]) vrouw [echtgenote]). ¶ Mijn echtgenote is Chinees. Watashi no tsuma wa Chuugokujin desu. 私のは中国人です。 ¶ Mijn vrouw is dokter. Kanai wa isha desu. 家内は医師です。 ¶ Zijn vrouw heeft het thuis voor het zeggen. Kare wa nyoubou no shiri ni shikarete iru. 女房の尻にしかれている。 (TA)

onna no hitootoko no hito
joseidansei
onnaotoko
joshidanshi
tsumaotto
waifuhazu

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <werken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ずれるzureru (1) zich verplaatsen; (ver)schuiven; van zijn plaats raken; uit positie raken; scheef gaan; lopen; [i.h.b.] afschuiven; [i.h.b.] (af)glijden; [m.b.t. lading] werken; [i.c.m. 錨が] krabben; (2) afwijken; afdwalen; deviëren; uit de pas raken; uit zijn verband raken; [i.h.b.] werkelijkheidszin verliezen; [i.h.b.] uit de maat raken
作動するsadousuru functioneren; draaien; lopen; werken
作業するsagyousuru werken
作用するsayousuru werken; werkzaam zijn; ageren; opereren; uitwerking hebben
働くhataraku (1) werken; arbeiden; fungeren (als); (2) goed functioneren; (de gewenste) uitwerking hebben; werken; resultaat geven; (3) invloed uitoefenen; van invloed zijn; beïnvloeden; werken (op); van kracht zijn; gelden; (4) [taalk.] vervoegd worden; geconjugeerd worden; een vervoeging hebben; (5) berokkenen; plegen; begaan; uithalen; bedrijven
satsu x delen; x boekdelen; x banden; x boeken; x bundels; x volumina; x exemplaren; x werken [kwantor voor exemplaren; (boek)delen; boeken; werken; volumina; banden; bundels enz.]
利くkiku (1) werken; het hem doen; het gewenste resultaat geven; doeltreffend zijn; effectief zijn; afdoend zijn; werkzaam zijn; goede uitwerking hebben; z'n werking doen; [わさびが] scherp; pikant zijn; (2) goed functioneren; goed presteren; nuttig effect hebben; (3) mogelijk zijn; in aanmerking komen voor; (4) proeven en op smaak beoordelen; keuren
rou (1) moeite; last; inspanning; inzet; (2) prestaties; diensten; verdiensten; verwezenlijkingen; (3) ervaring; ondervinding; expertise; (4) lange gebruikmaking; (a) werken; werk; (b) moeite; (c) prestatie; (d) last; inspanning; (e) erkentelijk zijn; bedanken; (f) [afk.] vakbond; arbeiders
労働するroudousuru arbeiden; werken
効くkiku (1) doeltreffend zijn; werken; helpen bij; efficiënt zijn; goed zijn voor; [一撃が〜] aankomen; (2) goed werken; goed kunnen
動くugoku (1) bewegen; zich bewegen; in beweging zijn; (2) van plaats veranderen; van positie veranderen; zich verplaatsen; (3) schommelen; wiegen; heen en weer bewegen; schudden; (4) [m.b.t. machine; toestel] lopen; aan staan; werken; in werking zijn; aangeschakeld zijn; functioneren; gaan; (5) handelen; doen; actief zijn; werken; bezig zijn; onledig zijn; in de weer zijn; in het getouw zijn; (6) beïnvloed worden; een invloed ondergaan; beheerst worden; wankelen; fluctueren; schommelen; (7) ontroerd zijn; geroerd zijn; onder de indruk zijn; getroffen zijn; geraakt zijn; geëmotioneerd zijn; (8) veranderen; veranderd worden; zich wijzigen; een wijziging ondergaan; (9) overgeplaatst worden [naar een andere positie; werkplaats]; een andere standplaats krijgen
勤めるtsutomeru (1) werken; werkzaam zijn; [i.h.b.] ambtenaar; functionaris zijn; in dienst zijn (bij); [een bep. functie] waarnemen; bekleden; een betrekking; aanstelling; functie hebben; [voor de klas enz.] staan; (2) voorgaan in [een religieuze dienst]; leiden; voeren; verzorgen; [de mis enz.] dienen; [i.h.b.] bedienen
勤労するkinrousuru werken; arbeiden; dienst doen; dienen
勤務するkinmusuru in dienst zijn; werkzaam zijn; dienst hebben; werken; dienen; een betrekking; aanstelling; functie hebben bij
回るmawaru (1) ronddraaien; omkeren; omdraaien; tollen; in het rond draaien; rondtollen; keren; draaien (om); rondwentelen; omwentelen; roteren; om een as draaien; rouleren; wentelen; rondgaan; rondcirkelen; cirkelen; gaan (om); gaan via; [een kaap enz.] ronden; zijn ronde doen; patrouilleren; toeren; circuleren; (2) afslaan naar; zwenken; omzwenken; omlopen; overgaan naar; overstappen naar; omzwaaien; (3) een omweg maken; omlopen; omgaan; (4) langskomen; aanlopen; aanwippen; (5) afwisselen; rouleren; (6) geheel doordringen; uitwerking hebben; (7) (vlot) draaien; (goed) functioneren; (vlug) werken; (8) het is over …; na …; (9) zich in een bepaalde positie begeven; in iemands schoenen gaan staan; (10) rond-; om- [sluit aan op de ren'yōkei van dōshi]
工事kouji werken; bouw; bouwwerken; bouwwerkzaamheden; constructie
徹夜するtetsuyasuru een nachtje doordoen; de nacht doorwaken; de nacht doorhalen; de hele nacht opblijven; de hele nacht door [blokken; werken; lezen; schaken enz.]
文字monji (1) letter; teken; letterteken; schriftteken; karakter; (2) geschrift; tekst; (hand)schrift; werken
機能するkinousuru functioneren; werken
混ぜ合せるmazeawaseru dooreenmengen; dooreenroeren; samenmengen; samenroeren; door elkaar mengen; roeren; werken; vermengen; aanmengen; mêleren; poespassen; [gew.] muieren
清掃するseisousuru reinigen; schoonmaken; [pregn.] werken; [pregn.] doen
現場genba (1) plaats waar iets gebeurd is; (2) plaats van de misdaad; plaats waar een delict heeft plaatsgevonden; locus delicti; (3) plaats waar men werkt; plaats waar men zijn functie uitoefent; werkplaats; werkstek; kantoor; bedrijf waar men werkt; (4) plaats waar men aan het bouwen is; bouwwerf; werf; plaats van de bouwwerken; werken; werkplaats
発酵するhakkousuru gisten; fermenteren; kamen; [積んだ草が] broeien; werken; [veroud.] arbeiden; [veroud.] gijlen; [gew.] drijven; [gew.] gesten; [gew.] pruisen
盗む ; 偸むnusumu (1) stelen; ontstelen; bestelen; ontvreemden; wegnemen; roven; beroven; ontroven; dieven; wegstelen; ontfutselen; [財布を] lichten; rollen; graaien; [inform.] pikken; [inform.] afpikken; [inform.] afpakken; [inform.] afkapen; [inform.] wegkapen; [inform.] jatten; [inform.] jatmouzen; [inform.] gappen; [inform.] ratsen; [inform.] raven; [inform.] schoepen; [volkst.] snaaien; [volkst.] wegdieven; [inform.] kapen; [Barg.; volkst.] piepen; [Barg.] gannefen; [Barg.] rausjen; [Barg.] werken; [Barg.] poteren; [Barg.] bedissen; [Barg.] haaien; [Barg.] handelen; [Barg.] fazelen; [Barg.] ransen; [Barg.] ranzen; [Barg.] meppen; [Barg.; volkst.] roeien; [考案; 思想を] plagiëren; verdonkeremanen; [w.g.] verdonkeren; [vulg.] klauwen; (2) [暇を] vrijmaken; te baat nemen; bemachtigen
稼ぐkasegu werken; geld verdienen; [tijd] winnen
稼働する ; 稼動するkadousuru werken; lopen; draaien; functioneren
運転するuntensuru (1) [een voertuig] besturen; (2) [een machine] bedienen; doen werken; doen draaien; draaiende houden; (3) [m.b.t. machine] in beweging zijn; lopen; werken; in werking zijn
食らうkurau (1) verorberen; verschalken; naar binnen slaan; werken; binnenslaan; achter de kiezen; knopen steken; (2) ondergaan; incasseren; ondervinden; lijden; te verduren hebben; (3) aan de kost komen; z'n brood verdienen; de kost verdienen; leven van; (4) verbannen worden; tot ballingschap veroordeeld worden
鵜呑みunomi (1) het opslokken; inslikken zonder te kauwen; alles maar instoppen; naar binnen schrokken; werken; (2) het kritiekloos slikken; aanvaarden; het klakkeloos aannemen
鵜呑みにするunominisuru (1) opslokken; inslikken zonder te kauwen; alles maar instoppen; in één zwelg naar binnen schrokken; werken; in z'n geheel verzwelgen; (2) kritiekloos slikken; aanvaarden; klakkeloos aannemen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.61 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 30 treffers (zoekopdracht: 'werken', strategie: exact). 
2005-2021