日蘭辭典+

32 resultaten voor ‘werken’
日蘭辭典 (trefwoord)
sayō作用
zn. actie v.; werkwijze v.; werking v. ¶ 電氣の作用 werking der electriciteit. ¶ 自然の作用 natuurlijke invloeden. ¶ 作用する werken; inwerken; invloed uitoefenen.
shigoto仕事
zn. werk o.; arbeid (勞働) m.; taak () v. ¶ 仕事をする werken. ¶ 仕事日 werkdag. ¶ 仕事賃 werkloon; arbeidsloon. ¶ 仕事著 werkpak. ¶ 仕事嫌ひ arbeidschuw. ¶ 仕事werker. ¶ 針仕事 naaiwerk.
hataraku働く
i.w. (1) [勞働] arbeiden; werken. (2) [骨折る] zich inspannen. t.w. (3) [犯す] plegen; begaan; doen. ¶ 働いて居る aan het werk zijn. ¶ 生計の働く werken voor zijn brood. ¶ 惡事働く misdaden begaan.
kasegi
zn. werk o.; arbeid o. ¶ 稼高 inkomst. ¶ 稼ぐ werken voor zijn brood; zijn brood verdienen. ¶ を稼ぐ zijn brood verdienen. ¶ 日當一圓で稼いで居る hij verdient een yen per dag.
ugoku動く
i.w. (1) [動く] bewegen; zich bewegen. (2) [移動] van plaats veranderen; zich verplaatsen. (3) [運轉] loopen; gaan; werken. (4) [變動] veranderen; zich wijzigen. (5) [搖ぐ] schommelen; schudden. (6) [感ずる] geroerd worden; getroffen zijn. ¶ 動かざる onbewegelijk; roerloos; (の) onbewogen; onverschillig. ¶ 動かざる泰山の如し rotsvast; onwankelbaar. ¶ 一寸も動かない er wordt niets verkocht. ¶ 時計が動かなくなった het horloge staat stil. ¶ 一寸も動くことならぬぞ verroer je niet!; blijf stokstil staan!
fukasu更かす
を更かす laat opblijven; nachtbraken; tot laat in den nacht werken.
hatarakasu働かす

i.w. gebruik maken van; i.w. laten werken; vervoegen (動詞を).

SUPPLEMENT (trefwoord)
vrouw

(znw, de)
(1) onna no hito 女の人; josei 女性 (algemene benamingen); onna 女 (vrouw; geliefde; echtgenote; meid; prostituee); fujin 婦人 (mevrouw; dame(s)); onna no kata 女の方 (dame(s)); joshi (vrouw; mevrouw; meisje; jongedame; dochter). ¶ Er was een vrouw de was aan het ophangen. Onna no hito ga sentakubutsu wo roopu ni hoshite iru tokoro datta. 女の人が洗濯物をロープに干しているところだった。 (TA) ¶ De werkende vrouw. Hataraku josei [fujin]. 働く女性[婦女]。 ¶ De vrouwenbeweging. Josei [fujin] undou. 女性[婦人]運動。 ¶ Mevrouw Bruce was de eerste vrouwelijke piloot die de tussen Engeland en Japan vloog. Buruusu fujin wa Ei-Nichi-kan wo tonda saisho no josei pairotto de atta. ブルース婦人は英日間を飛んだ最初の女性パイロットであった。 (TA)
(2) tsuma (echtgenote); kanai 家内 (mijn vrouw); nyoubou 女房; waifu ワイフ(([mijn,zijn]) vrouw [echtgenote]). ¶ Mijn echtgenote is Chinees. Watashi no tsuma wa Chuugokujin desu. 私のは中国人です。 ¶ Mijn vrouw is dokter. Kanai wa isha desu. 家内は医師です。 ¶ Zijn vrouw heeft het thuis voor het zeggen. Kare wa nyoubou no shiri ni shikarete iru. 女房の尻にしかれている。 (TA)

onna no hitootoko no hito
joseidansei
onnaotoko
joshidanshi
tsumaotto
waifuhazu

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <werken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
文字 monji (1) letter; teken; letterteken; schriftteken; karakter; (2) geschrift; tekst; (hand)schrift; werken
徹夜する tetsuyasuru een nachtje doordoen; de nacht doorwaken; de nacht doorhalen; de hele nacht opblijven; de hele nacht door [blokken; werken; lezen; schaken enz.]
盗む nusumu (1) stelen; ontstelen; bestelen; ontvreemden; wegnemen; roven; beroven; ontroven; dieven; wegstelen; ontfutselen; [財布を] lichten; rollen; graaien; [inform.] pikken; [inform.] afpikken; [inform.] afpakken; [inform.] afkapen; [inform.] wegkapen; [inform.] jatten; [inform.] jatmouzen; [inform.] gappen; [inform.] ratsen; [inform.] raven; [inform.] schoepen; [volkst.] snaaien; [volkst.] wegdieven; [inform.] kapen; [Barg., volkst.] piepen; [Barg.] gannefen; [Barg.] rausjen; [Barg.] werken; [Barg.] poteren; [Barg.] bedissen; [Barg.] haaien; [Barg.] handelen; [Barg.] fazelen; [Barg.] ransen; [Barg.] ranzen; [Barg.] meppen; [Barg., volkst.] roeien; [考案; 思想を] plagiëren; verdonkeremanen; [w.g.] verdonkeren; [vulg.] klauwen; (2) [暇を] vrijmaken; te baat nemen; bemachtigen
勤める tsutomeru werken; werkzaam zijn; [i.h.b.] ambtenaar; functionaris zijn; in dienst zijn (bij); [een bep. functie] waarnemen; bekleden; een betrekking; aanstelling; functie hebben; [voor de klas enz.] staan; ; voorgaan in [een religieuze dienst]; leiden; voeren; verzorgen; [de mis enz.] dienen; [i.h.b.] bedienen
動く ugoku (1) bewegen; zich bewegen; in beweging zijn; (2) van plaats veranderen; van positie veranderen; zich verplaatsen; (3) schommelen; wiegen; heen en weer bewegen; schudden; (4) [m.b.t. machine; toestel] lopen; aan staan; werken; in werking zijn; aangeschakeld zijn; functioneren; gaan; (5) handelen; doen; actief zijn; werken; bezig zijn; onledig zijn; in de weer zijn; in het getouw zijn; (6) beïnvloed worden; een invloed ondergaan; beheerst worden; wankelen; fluctueren; schommelen; (7) ontroerd zijn; geroerd zijn; onder de indruk zijn; getroffen zijn; geraakt zijn; geëmotioneerd zijn; (8) veranderen; veranderd worden; zich wijzigen; een wijziging ondergaan; (9) overgeplaatst worden [naar een andere positie; werkplaats]; een andere standplaats krijgen
鵜呑み unomi (1) het opslokken; inslikken zonder te kauwen; alles maar instoppen; naar binnen schrokken; werken; (2) het kritiekloos slikken; aanvaarden; het klakkeloos aannemen
鵜呑みにする unominisuru (1) opslokken; inslikken zonder te kauwen; alles maar instoppen; in één zwelg naar binnen schrokken; werken; in z'n geheel verzwelgen; (2) kritiekloos slikken; aanvaarden; klakkeloos aannemen
運転する untensuru (1) [een voertuig] besturen; (2) [een machine] bedienen; doen werken; doen draaien; draaiende houden; ; [m.b.t. machine] in beweging zijn; lopen; werken; in werking zijn
現場 genba (1) plaats waar iets gebeurd is; (2) plaats van de misdaad; plaats waar een delict heeft plaatsgevonden; locus delicti; (3) plaats waar men werkt; plaats waar men zijn functie uitoefent; werkplaats; werkstek; kantoor; bedrijf waar men werkt; (4) plaats waar men aan het bouwen is; bouwwerf; werf; plaats van de bouwwerken; werken; werkplaats
工事 kouji werken; bouw; bouwwerken; bouwwerkzaamheden; constructie
清掃する seisousuru reinigen; schoonmaken; [pregn.] werken; [pregn.] doen
回る; 廻る mawaru (1) ronddraaien; omkeren; omdraaien; tollen; in het rond draaien; rondtollen; keren; draaien (om); rondwentelen; omwentelen; roteren; om een as draaien; rouleren; wentelen; rondgaan; rondcirkelen; cirkelen; gaan (om); gaan via; [een kaap enz.] ronden; zijn ronde doen; patrouilleren; toeren; circuleren; (2) afslaan naar; zwenken; omzwenken; omlopen; overgaan naar; overstappen naar; omzwaaien; (3) een omweg maken; omlopen; omgaan; (4) langskomen; aanlopen; aanwippen; (5) afwisselen; rouleren; (6) geheel doordringen; uitwerking hebben; (7) (vlot) draaien; (goed) functioneren; (vlug) werken; (8) het is over ~; na ~; (9) zich in een bepaalde positie begeven; in iemands schoenen gaan staan; ; 10. rond-; om- [sluit aan op de ren'yōkei van dōshi]
作業する sagyousuru werken
作動する sadousuru functioneren; draaien; lopen; werken
利く kiku (1) werken; het hem doen; het gewenste resultaat geven; doeltreffend zijn; effectief zijn; afdoend zijn; werkzaam zijn; goede uitwerking hebben; z'n werking doen; [わさびが] scherp; pikant zijn; (2) goed functioneren; goed presteren; nuttig effect hebben; (3) mogelijk zijn; in aanmerking komen voor; ; proeven en op smaak beoordelen; keuren
効く kiku (1) doeltreffend zijn; werken; helpen bij; efficiënt zijn; goed zijn voor; [一撃が] aankomen; (2) goed werken; goed kunnen
勤務する kinmusuru in dienst zijn; werkzaam zijn; dienst hebben; werken; dienen; een betrekking; aanstelling; functie hebben bij
勤労する kinrousuru werken; arbeiden; dienst doen; dienen
機能する kinousuru functioneren; werken
働く hataraku (1) werken; arbeiden; fungeren (als); (2) goed functioneren; (de gewenste) uitwerking hebben; werken; resultaat geven; (3) invloed uitoefenen; van invloed zijn; beïnvloeden; werken (op); van kracht zijn; gelden; (4) [taalk.] vervoegd worden; geconjugeerd worden; een vervoeging hebben; ; berokkenen; plegen; begaan; uithalen; bedrijven
発酵する hakkousuru gisten; fermenteren; kamen; [積んだ草が] broeien; werken; [veroud.] arbeiden; [veroud.] gijlen; [gew.] drijven; [gew.] gesten; [gew.] pruisen
稼働する kadousuru werken; lopen; draaien; functioneren
稼ぐ kasegu werken; geld verdienen; [tijd] winnen
労働する roudousuru arbeiden; werken
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.43 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 24 treffers (zoekopdracht: 'werken', strategie: exact). 
2005-2019