日蘭辭典+

32 resultaten voor ‘wezen’
日蘭辭典 (trefwoord)
ningen人間
zn. (1) [] mensch m.; menschelijk wezen o.; schepsel o. (2) [人類] menschheid v. (3) [世間] de wereld v. ¶ 人間時代 het tijdperk van de mensch. ¶ 人間以上の bovenmenschelijk. ¶ 人間らしい menschelijk. ¶ 人間にする een man maken van. ¶ 人間の menschelijk; stervelijk. ¶ 人間嫌ひ menschenhater; misanthroop. ¶ 人間世界 de menchenwereld. ¶ 人間業 menschelijk werk; menschenwerk.
seikatsu生活
zn. leven o.; bestaan o. ¶ 現實生活 het werkelijke leven. ¶ 私的生活 privé leven.¶ 悲慘な生活 ellendig bestaan. ¶ からへの生活 een leven van de hand in den tand. ¶ 生活する leven; bestaan; in zijn onderhoud voorzien. ¶ 生活費 kosten van levensonderhoud. ¶ 生活狀態 levensomstandigheden. ¶ 生活力 levenskracht; vitaliteit.¶ 生活體 levend wezen; organisme. ¶ 生活程度 levensstandaard. ¶ 扶助を受けて生活する bestaan van liefdadigheid. ¶ 生活を一新する een nieuw leven beginnen; zijn leven beteren.
seishitsu性質
zn. aard m.; neiging v.; karakter o.; natuur v. ¶ ……の性質van nature; naar zijnen aard.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <wezen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
moto (1) gewezen ~; voormalig ~; oud-; ex-; emeritus ~; gepensioneerd ~; rustend ~; [mil.] ~ buiten dienst; [mw. Satō,] geboren [Tanaka enz.]; [afk.] gep.; [afk., mil.] b.d.; [afk.] em.; (2) もとだいとうりょう; (3) motodaitōryō; ; (1) oorsprong; begin; origine; beginpunt; bron; wortel; moeder; (2) iemands antecedenten; afkomst; roots; (3) grondslag; basis; (4) reden; oorzaak; grond; kern; wezen; (5) kulas; stootbodem; broek van kanon; (6) onderstam van boom; (7) kapitaal; hoofdsom; kostprijs; (8) vroeger tijden
存在者 sonzaisha [fil.] zijnde; entiteit; wezen
存在 sonzai (1) bestaan; aanwezigheid; wezen; existentie; leven; [fil.] het zijn; wezenlijkheid; [form.] aanzijn; (2) entiteit; bestaand; wezenlijk iets; wezen; [i.h.b.] persoon; [i.h.b.] figuur; [vaak pej.] être
天性 tensei wezen; natuur; aard; inborst; karakter; inslag; instelling
本性 honshou (1) ware aard; natuur; wezen; (2) z'n zinnen; gezond verstand
本質 honshitsu wezen; essentie; natuur; aard; het essentiële; essence; substantie; het wezenlijke; wezenheid; kwintessens; essentialia
本性 honsei ware aard; wezen; natuur
本体 hontai (1) wezen; essentie; substantie; aard (der zaak); eigenlijke zaak; voorwerp op zich; werkelijke ding; ding op zich(zelf) (beschouwd); (2) ware vorm; ware aard; ware gedaante; (3) voornaamste deel; centrale deel; belangrijkste deel; hoofdzaak; hoofddeel; (4) [m.b.t. shintoïsme] voorwerp van verering; [m.b.t. boeddhisme] voornaamste beeltenis (van Boeddha); (5) [fil.] noumenon; [fil.] het zuiver gedachte ding; [fil.] ding in zichzelf; [fil.] Ding an sich; [fil.] metafysische realiteit
本来 honrai (1) aanvankelijk; oorspronkelijk; origineel; primair; (2) essentieel; principieel; fundamenteel; wezenlijk; eigenlijk; au fond; per se; op zichzelf; (3) normaliter; (van) nature; ~ van aard; in se; in eigenlijke zin; [i.h.b.] rechtmatig; ; (1) (in het) begin; van huis uit; (van) oorsprong; (in) origine; (in de) eerste plaats; (2) (in de) grond; (in) principe; (in) beginsel; (in) wezen
法然 hounen (1) [boeddh.] natuur; wezen; wezenlijkheid; (2) Hōnen [stichter van het Japanse reine land-boeddhisme, 1133-1212]
実体 jittai (1) ware vorm; werkelijke gedaante; (2) [fil.] substantie; wezen; hypostase
実質 jisshitsu substantie; essentie; wezen; inhoud
根本 konpon origine; ontstaan; oorsprong; wortel; essentie; wezen; basis; fundament; grondslag
骨髄 kotsuzui (1) beenmerg; (2) [fig.] wezen; essentie; (3) [fig.] kernpunt; crux; kwintessens
制度 seido stelsel; systeem; bestel; instituut; instelling; -wezen
sei (1) ziel; geest; (2) spirit; energie; fut; pit; vitaliteit; levendigheid; (3) essentie; wezen; kwintessens; (4) sperma; zaad; ; gedetailleerd; omstandig; nauwkeurig; minutieus; ; (1) a. fijn; nauwkeurig; (2) b. rijst pellen; (3) c. raffineren; (4) d. puurheid; essentie; het zuiverste; (5) e. wezen; ziel; (6) f. energie; fut; pit; (7) g. bezieling; vuur; ijver; elan; drive
精華 seika essentie; wezen; kwintessens; bloem; keur; puik; zuiverste voorbeeld; het beste; fine fleur; crème; [Belg.N.] kruim
生存する seizonsuru (1) leven; bestaan; existeren; zijn; wezen; (2) overleven; overblijven; subsisteren
生存 seizon (1) leven; bestaan; existentie; wezen; [form.] aanzijn; (2) overleving; subsistentie
sei -systeem; -stelsel; -wezen
生命 seimei (1) leven; (2) [fig.] leven; carrière; (3) ziel; wezen; essentie; iets vitaals
tai [maatwoord voor goden- en boeddhabeelden, lijken e.d.]; ; (1) a. lichaam; ledematen; (2) b. gedaante; vorm; (3) c. figuur; voorwerp; (4) d. wezen; essentie; substantie; (5) e. orgaan; organisatie; (6) f. lichamelijke opvoeding; ; (1) lichaam; lijf; (2) staat; toestand; gesteldheid; (3) vorm; voorkomen; gedaante; stijl; (4) wezen; essentie; substantie; aard; natuur; (5) [taalk.] substantief; substantivum; (6) sterkte; kloekheid; ruggengraat; (7) [ikebana] bovenste leidtak; (8) [wisk.] lichaam
体質 taishitsu (1) lichaamsgestel; gestel; constitutie; (2) wezen; natuur
機構 kikou (1) organisatie; structuur; opbouw; inrichting; systeem; samenstel; apparaat; machinerie; -wezen; (2) mechanisme; mechaniek; werk
hana (1) bloem; bloesem; [fig.] blom; [uitdr.] Flora's kinderen; (2) kersenbloesem; (3) fleur; het beste (in zijn soort); keur; puik; crème de la crème; het neusje van de zalm; je van het; [fig.] koningin [bv. van het bal enz.]; (4) [fig.] ziel; wezen; essentie; kwintessens; (5) [fig.] (vergankelijke) schoonheid; schijn; (6) fooi (voor geisha); douceur; (7) ikebana; bloemsierkunst; (8) speelkaart (met bloemmotief); figuurkaart; [meton.] plaatje
ne (1) wortel; (2) grondslag; oorsprong; roots; wortel; basis; oorzaak; (3) wezen; kern; (van) nature; grond; wezenlijke; (4) grond; reden
奥底 okusoko (1) bodem; diepste; diep; (2) wezen; essentie; binnenste; innigste
核心 kakushin kern; wezen; essentie; hart; essentiële; wezenlijke; kardinale; cruciale punt; kernpunt; hoofdzaak; hoofdpunt
有り ari (1) bestaan; zijn; (2) leven; ongedeerd zijn; (3) een leven leiden; (4) verstrijken; passeren; (5) zich bevinden; aanwezig zijn; bijwonen; (6) [世に~] het goed doen; succes hebben; welvaren; voorspoedig zijn; (7) opmerkelijk zijn; uitblinken; ; (1) 10. […~] [drukt een duurzame toestand of durativiteit uit]; (2) 11. […~] [koppelwerkwoordelijke functie]; (3) 12. [お(ん)…~ ; ご…~] [drukt een honoratieve constructie uit]; ; (1) bestaan; aanwezigheid; wezen; existentie; [form.] aanzijn; (2) bestaand; wezenlijk iets; wezen; entiteit; realiteit; werkelijkheid
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.43 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 29 treffers (zoekopdracht: 'wezen', strategie: exact). 
2005-2019