日蘭辭典+

35 resultaten voor ‘winnen’
日蘭辭典 (trefwoord)
katsu勝つ
t.w. (1) [勝利] overwinnen; i.w. overwining behalen. t.w. (2) [優る] overtreffen. ¶ 戰に勝つ den slag winnen. ¶ 困難に克つ moeilijkheden te boven komen. ¶ にはが勝ち過ぎる het is te zwaar voor mij.
ataru當る
(当たる・当る) i.w. (1) [接觸] aanraken; schaven (擦過). (2) [該當] overeenstemmen met; overeenkomen met. (3) [衝突] treffen; botsen; raken. (4) [的中] treffen. (想像等が) goed voorspellen; goed raden. (5) [當籤] winnen. (6) [成功] slagen. (7) [引受ける] ter hand nemen; aanvatten. (8) [探る] polsen. (9) [相當] slaan op; toepasselijk zijn op. (10) [中毒] vergiftigd zijn; ziek worden door. (11) [出會] ontmoeten. (12) [量る] meten. (13) [金額が] bedragen; komen op. (14) [日が當る] beschijnen; bestralen. (15) [火にあたる] zich warmen. (16) [方角] liggen in de buurt van. ¶ 一磅は約拾圓に當る een pond is ongeveer gelijk aan tien yen. ¶ 彈丸は當らなかった het schot raakte niet; het schot miste. ¶ 占が當る de voorspelling komt uit. ¶ 罸が當った het lot heeft gewonnen. ¶ 其の小説は當らなかった die roman had geen succes; het boek sloeg niet in. ¶ 事に當る hij neemt de zaak ter hand; hij bemoeit zich er mede. ¶ 先方の意向を當って見た ik heb hem eens gepolst. ¶ 各所で相場を當って見た方がよい het zou goed zijn op verschillende plaatsen naar den prijs te informeeren. ¶ 此の規則は右の場合に當る deze bepaling is in dit geval toepasselijk. ¶ 海老に中毒〔に當〕った de kreeft is mij slecht bekomen. ¶ 深さを當って見ると三尺あった de diepte bleek drie voet te bedragen. ¶ 此の窓に夕日があたる dit raam heeft de namiddagzon. ¶ 火に御あたりなさい warm u bij het vuur. ¶ 大阪は東京の西にあたる Osaka ligt westelijk van Tokio. ¶ 今や戦時に當り nu, dat het oorlog is. ¶ 局に當る者 autoriteiten, welke het aangaat; de betrokken autoriteiten. ¶ 何だか當てゝ御覧なさい raad eens wat het is.
aichaku愛着
zn. liefde v. ¶ 愛着さす de liefde winnen van; het hart veroveren van. ¶ 愛着する liefhebben.
uchiwa團扇
(団扇) zn. ronde waaier m. ¶ 團扇を使ふ zich waaien. ¶ 團扇を擧げる beslissen, wie overwonnen heeft.
kachi
(勝ち) zn. overwinning v. ¶ 勝を得る de overwinning behalen; het winnen. ¶ 吾々の勝だ wij hebben het gewonnen; wij hebben overwonnen.
sōba相場
zn. marktprijs m.; noteering v.; koers.; markt v.; speculatie (投機) v. ¶ 相場が下る in prijs dalen. ¶ 造り相場 geforceerde noteering. ¶ 大引相場 slotkoers. ¶ 寄つき相場 openingskoers. ¶ 見當相場 nominale noteering. ¶ 時の相場 geldende koers. ¶ 相場で儲ける winnen door speculatie. ¶ 人の相場が上る stijgen in de publieke achting. ¶ 相場に手を出す speculeeren; (俗) gokken. ¶ 相場表 koerslijst; marktbericht. ¶ 相場師 speculant.
kakutoku獲得
zn. verkrijging v.; aanwinst v. ¶ 獲得する verkrijgen; winnen.
SUPPLEMENT (trefwoord)
haisha敗者
zn. verliezer (de). ¶ 敗者たちも「賞」を受けたのです。つまり、勝ったチームにたたきのめされたのでした。 Haishatachi mo ‘shō’ wo uketa no desu. Tsumari, katta chīmu ni tatakinomesareta no deshita. De verliezers ontvingen ook een ‘prijs’. Ze werden namelijk verslagen door het winnende team. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <winnen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ゲットgetto (1) verkrijging; verwerving; behaling; (2) [sportt.] het punten behalen; winnen; het scoren
ゲットするgettosuru (1) verkrijgen; verwerven; behalen; (2) [sportt.] punten behalen; winnen; scoren
上がるagaru (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙; 花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂; 湯から] uit (het) bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価; 血圧; 気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) [成績; 腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) [双六; トランプ; マージャンで] winnen; uit zijn; (17) [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈; 月経; つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [バッテリーが] het laten afweten; leeglopen; (18) [魚; 貝; 虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) [領地; 役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; (26) [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; (27) […~] klaar-; af-; gereed-; (28) […~] hevig …; intens …; compleet …; (29) […~] [krachtterm]
入賞nyuushyou het behalen; winnen; veroveren; in de wacht slepen van een prijs; bekroning; prijswinning
入賞するnyuushyousuru een prijs behalen; winnen; veroveren; in de wacht slepen; bekroond worden
勝ち取るkachitoru behalen; verwerven; verkrijgen; winnen; bemachtigen; zich verzekeren van; te pakken krijgen; gaan strijken met
勝つ ; 克つ ; 贏つkatsu winnen; overwinnen; overtreffen; superieur zijn in iets; de overhand krijgen
shyou (1) mooi plekje (in de natuur); plekje natuurschoon; bezienswaardigheid; (2) overwinning; zege; winst; (3) [maatwoord voor overwinningen; zeges; gewonnen partijen]; (a) winnen; zegevieren; (b) overtreffen; uitmunten; (c) pittoresk; landschapsschoon
博すhakusu krijgen; verkrijgen; verdienen; verwerven; winnen; behalen; oogsten
博するhakusuru krijgen; verkrijgen; verdienen; verwerven; winnen; behalen; oogsten
取るtoru (1) nemen; vatten; pakken; grijpen; hanteren; (2) krijgen; ontvangen; winnen; halen; aannemen; aanvaarden; (3) kiezen; uitkiezen; pikken; (4) vragen; aanrekenen; innen; (5) begrijpen; interpreteren; opvatten; (6) wegnemen; verwijderen; weghalen; (7) vangen; oogsten; binnenhalen; (8) afnemen; afpakken; stelen; pikken; (9) vergen; vereisen; (10) boeken; reserveren; vastleggen; (11) innemen; bezetten
増す ; 益すmasu (1) toenemen; groeien; aan [invloed; kracht enz.] winnen; meerderen; vermeerderen; aangroeien; aanzwellen; stijgen; rijzen; [体重が] aankomen; (2) (nog) meer dan ~; boven ~ [in de constructie ~ ni mashite ~にまして of ~ ni mo mashite ~にもまして]; (3) doen toenemen; aanwakkeren; verhogen; vergroten; vermeerderen; uitbreiden; opvoeren; opdrijven
射止めるitomeru (1) met een schot vellen; neerschieten; doodschieten; neerhalen; neerleggen; (2) winnen; verwerven; binnenhalen; tot het zijne maken; op de kop tikken; in de wacht slepen; verschalken
引くhiku (1) trekken (aan); halen; [een hendel; de trekker enz.] overhalen; [naar zich] toetrekken; aanhalen; [een boog] spannen; opspannen; (2) [de aandacht] trekken; [klanten] aantrekken; [sympathie] winnen; [belangstelling] wekken; (3) [een vaartuig] jagen; slepen; [een schip] treilen; [een trekdier] geleiden; leiden; (4) citeren; aanhalen; (5) stammen uit; afstammen van; [系統を] afkomen van; spruiten uit; [i.h.b.] aarden naar; (6) [hout] zagen; [op een pottenbakkersschijf] draaien; (7) malen; vermalen; fijnmalen; (8) [een lijn; een draad] trekken; lijnen; spinnen; [een rechte] beschrijven; (9) aanhouden; rekken; (10) [gordijnen] dichttrekken; dichtdoen; (11) aanbrengen; besmeren; bedekken; bestrijken; (12) [elektriciteit] aanleggen; installeren; aansluiten; [water (door buizen enz.)] aanvoeren; [veroud.] aanleiden; (13) [een getal] aftrekken; [een bedrag] afhouden; in mindering brengen; afnemen; [iets in prijs] verlagen; afdoen; verminderen; reduceren; terugbrengen; [i.h.b.] korting geven; (14) [de troepen] terugtrekken; intrekken; [visnetten] ophalen; [de handen (van iets)] aftrekken; (15) overrijden; omrijden; omverrijden; aanrijden; (16) achteruitgaan; teruggaan; terugtrekken; afgaan (van); terugwijken; (17) zich retireren; zich terugtrekken; verlaten; [veroud.] resigneren; (18) afnemen; zakken; dalen; wijken; wegtrekken; teruglopen
当たるataru (1) raken; treffen; slaan; botsen tegen; stoten op; [gew.] hitten; itten; (2) [的に〜] raak zijn; doel treffen; aankomen; (3) [光; 雨; 風が〜] reiken; inwerken; vallen in; invallen; (4) pijn doen aan; deren; schrijnen; [果物は] gekneusd raken; bruine plekken krijgen; (5) [宝くじで〜] prijs hebben; in de prijzen vallen; [一等に〜] winnen; (6) [予測が〜] uitkomen; kloppen; (7) [批判が〜] terecht zijn; opgaan; (8) [芝居は〜] een succes zijn; (9) [果物が〜] goed vrucht dragen; (10) [フグに〜] vergiftigd raken; (11) [敵に〜] het opnemen tegen; ertegenaan gaan; bevechten; (12) [日曜日に〜] vallen op; overeenkomen met; [百円に〜] overeenstemmen met; corresponderen met; [東に〜] liggen; (13) [難局に〜] aanpakken; bij de hoorns vatten; pakken; (14) uithalen naar; tegen; zich afreageren op; (15) [辞書; 出典に〜] raadplegen; naslaan; [本人に〜] aftoetsen; (16) [課題が〜] toegewezen; toebedeeld krijgen; belast worden met; op z'n bord krijgen; opdraaien voor; aan bod komen; aan de beurt komen; (17) [任に〜] zich bezighouden met; waarnemen; op zich nemen; (18) [honkb.] vaak hits of homeruns scoren; (19) [mahjong] promoveren; (20) [胡麻を〜] fijnmalen; fijnstampen; vijzelen; (21) [ひげを〜] scheren; (22) [魚が〜] in het aas bijten; aanbijten
当てるateru (1) [ガーゼを] aanbrengen; [体温計を] aanleggen; zetten; leggen; opleggen; houden aan; tegen; plaatsen; drukken; (2) treffen; slaan tegen; inslaan in; raken; (3) raden; gokken op; oplossen; (4) winnen; succes behalen; boeken; het maken; z'n slag slaan; (5) blootstellen; in contact brengen met; onderwerpen aan; (6) gaan zitten op; plaatsnemen op; (7) [生徒に] het woord geven aan; de beurt geven; om antwoord vragen
当籤するtousensuru winnen; in de prijzen vallen; het winnende lot trekken
当選するtousensuru (1) gekozen worden; verkozen worden; (2) [一等に] winnen
得票tokuhyou (1) het behalen; krijgen; winnen; ontvangen van stemmen; (2) behaalde stemmen
得票するtokuhyousuru stemmen behalen; krijgen; winnen; ontvangen
採取するsaishyusuru vergaren; verzamelen; plukken; oogsten; binnenhalen; [血液を] inzamelen; [大豆から豆油を] winnen
採掘するsaikutsusuru ontginnen; exploiteren; delven; graven; uitdelven; uitgraven; opdelven; opgraven; winnen; uit de grond halen
掴む ; 攫む ; 抓む ; 握むtsukamu (1) grijpen; vastgrijpen; pakken; vastpakken; aanpakken; aanvatten; vatten; beetpakken; beetgrijpen; graaien; [in uitdr.] zich vastklampen (aan); (2) vatten; [m.b.t. clou; pointe enz.] snappen; begrijpen; [de slag van iets enz.] te pakken krijgen; [機会を] aangrijpen; grijpen; bij de haren grijpen; waarnemen; [m.b.t. bewijs enz.] de hand leggen op; bemachtigen; [de waarheid enz.] achterhalen; [iems. hart enz.] winnen
握るnigiru (1) grijpen; vastgrijpen; pakken; vastpakken; aanpakken; vatten; aanvatten; aangrijpen; beetpakken; beetgrijpen; in de hand klemmen; ter hand nemen; (2) verwerven; de hand leggen op; bemachtigen; in handen nemen; verkrijgen; komen aan; te pakken krijgen; winnen; in het bezit komen van; naar zich toe halen; (3) [握り飯; 握鮨を] maken; kneden
獲得するkakutokusuru verkrijgen; verwerven; behalen; bekomen; winnen; halen; [inform.] scoren; [m.b.t. kennis] opdoen; [form.] acquireren; in de wacht slepen; [veroud.] erlangen
稼ぐkasegu werken; geld verdienen; [tijd] winnen
貰うmorau (1) krijgen; ontvangen; verkrijgen; bekomen; verwerven; behalen; boeken; scoren; in ontvangst nemen; winnen; [in zijn gezin] opnemen; [tot vrouw] nemen; tot zijn eigendom maken; [een infectie] opdoen; oplopen; (2) laten ~; doen ~; gedaan krijgen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.51 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 27 treffers (zoekopdracht: 'winnen', strategie: exact). 
2005-2022