日蘭辭典+

53 resultaten voor ‘zaak’
日蘭辭典 (trefwoord)
anken案件
zn. zaak v.; aangelegenheid v.; proces o.
akinai
(商い) zn. (1) [商賣] handel m.; zaak v. (2) [職業] beroep o.; bedrijf o.
ken
zn. zaak v. ¶ の件に附いて wat betreft; in zake ...... ¶ あの件はどうなりましたか hoe is het daarmee afgeloopen?
shigoto仕事
zn. werk o.; arbeid (勞働) m.; taak () v. ¶ 仕事をする werken. ¶ 仕事日 werkdag. ¶ 仕事賃 werkloon; arbeidsloon. ¶ 仕事著 werkpak. ¶ 仕事嫌ひ arbeidschuw. ¶ 仕事werker. ¶ 針仕事 naaiwerk.
shōgyō商業
zn. handel m. ¶ 商業の commercieel. ¶ 商業界 handelswereld. ¶ 商業會議所 kamer van koophandel. ¶ 職業取引所 de beurs. ¶ 商業組合 gilde. ¶ 職業語 handelsterm; zakenterm. ¶ 職業證券 handelspapieren; documenten.
yōji用事
zn. zaken. v.mv ¶ 用事ある zaken hebben; bezig zijn; wat te doen hebben.
shutchō出張
zn. dienstreis v. ¶ 出張する op dienstreis gaan. ¶ 出張所 agentschap; branche. ¶ 出張中である voor dienst op reis zijn; voor zaken op reis zijn.
shōbai商賣
(商売) zn. (1) [商業] handel m. (2) [取引] transactie v. (3) [職業] bedrijf o.; beroep o. ¶ 商賣始める een zaak opzetten. ¶ 商賣をして居る zaken doen; in zaken zijn. ¶ 酒商賣をする handelen in spiritualiën. ¶ 商賣止める zich uit de zaken terugtrekken. ¶ 商賣する handel drijven; zaken doen; in den handel zijn. ¶ 商賣concurrent. 商賣handelaar; koopman. ¶ 商賣振 wijze van zaken-doen.
meiyo名譽
(名誉) zn. goede naam m.; eer v.; reputatie v. ¶ 名譽心 eerzucht. ¶ 名譽職 erebaantje. ¶ 名譽ある man van eer. ¶ 名譽關する問題 zaak van eer. ¶ 名譽賞牌 eeremedaille. ¶ 名譽快復 eerherstel; rehabilitatie. ¶ 名譽にかけての woord van eer. ¶ 名譽失う zijn reputatie verliezen. ¶ 名譽學位 eeregraad. ¶ 名譽博士 doctor honoris causa; eere-doctor.
ikisatsu經緯
(經緯) zn. omstandigheden v.mv.; bijzonderheden v.mv. ¶ のいきさつを明かにする de zaak in bijzonderheden uitleggen; omstandigen uitleg geven.
kaigyō開業

zn. opening van een zaak; begin van een bedrijf. ¶ 開業する zaak openen; bedrijf beginnen.

SUPPLEMENT (trefwoord)
kyū
(na-adj) (1) plotseling; plots; opeens; onverwacht. ¶ 急にがブレーキをかけたので、フロントガラスにをぶつけた。 Kyū ni kare ga burēki wo kaketa no de, furontogurasu ni atama wo butsuketa. Omdat hij plotseling op de rem trapte stootte ik mijn hoofd tegen het voorraam. ¶ 急な客が来たので、そのテレビ番組が見れなかった。 Kyū na kyaku ga kita no de, sono terebi bangumi ga mirenakatta. Omdat ik onverwacht bezoek had kon ik dat programma niet kijken. (2) urgent; dringend. ¶ 急な用事〔急用〕が出来て、パーティに行けなくなった。ごめんなさい。 Kyū na yōji [kyūyō] ga dekite, pāti ni ikenaku natta. Omdat zich een urgente zaak voordeed kon ik niet naar het feestje gaan. ¶ この事態は急を要する Kono jitai wa kyū wo yōsuru De situatie is urgent. ¶ これは急を要する事態だ。 Kore wa kyū wo yōsuru jitai da. Dit is een urgente situatie. (3) snel; woest (water). ¶ 急なで泳ぐのは大変危険だ。 Kyū na kawa de oyogu no wa taihen kiken da. Het is enorm gevaarlijk om in een snelstromende rivier te zwemmen. ¶ 彼女は急に老け込んできた。 Kanojo wa kyū ni fukekonde kita. Ze werd snel oud. (4) steil (helling); scherp (bocht). ¶ 急な坂 Kyū na saka. Een steile helling; Een plotse daling. ¶ 道路はそこで急な右カーブになっている。 Dōro wa soko de kyū na migi kābu ni natte iru. De weg maakt daar een scherpe bocht naar rechts. (TTC) (yamasv)
teishō提唱
(zn., suru-ww) (1) Het bepleiten [voorstellen; voorstaan; voorstellen; verdedigen; presenteren] van een zaak; voorstel; verdediging; presentatie. ¶ 提唱する teishōsuru [een zaak; iets] bepleiten; voorstaan; voorstellen; verdedigen; presenteren. ¶ 提唱者 teishōsha voorsteller; pleiter; verdediger; presentator. ¶ 彼の学説が初めて提唱されたは、それを信じなかった。 Kare no gakusetsu ga hajimete teishōsareta toki wa, dare mo sore wo shinjinakatta. Toen zijn theorie voor het eerst werd gepresenteerd vond die geen enkele steun. ¶ 電力不足対策のスーパークールビズとして、ポロシャツやアロハシャツの着用が提唱された。Denryokubusoku taisaku no sūpākūrubizu to shite, poroshatsu ya arohashatsu no chakuyō ga teishōsarete. In het kader van de Super Cool Biz maatregel voor het bestrijden van energietekorten werd het dragen van poloshirts en alohashirts [hawaïshirts] bepleit. [NB Cool Biz en later Super Cool Biz waren initiatieven van de Japanse overheid om bedrijven te stimuleren het mogelijk te maken om de airco op een lagere temperatuur zetten door werknemers zich luchtiger te laten kleden] (2) (a) Het uitleggen [verklaren; uiteenzetten; behandelen] van iets; uitleg; verklaring; uiteenzetting; lezing. (b) specifiek het uitleggen van de doctrines in Zenboeddhisme. ¶ 提唱する teishōsuru uitleggen; verklaren; behandelen; uiteenzetten. ¶ 禅家の提唱 Zenke no teishō Catechetische vraag voor meditatie in Zen.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <zaak>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
アフェアーafuxeaa (1) zaak; aangelegenheid; (2) verhouding; liefdesverhouding; liefdesgeschiedenis; liaison; amourette
ショップshyoppu winkel; zaak; handel; shop
ストアsutoa (1) winkel; zaak; (2) [bouwk.] stoa
一件ikken aangelegenheid; kwestie; zaak; geval; affaire
事件jiken (1) incident; voorval; gebeurtenis; gebeuren; evenement; geval; affaire; kwestie; (2) [jur.] zaak; [Lat.; jur.] res; affaire; [i.h.b.] schandaal
事柄kotogara aangelegenheid; zaak; kwestie; affaire; omstandigheden
事案jian geval; kwestie; zaak
事業jigyou (1) werk; onderneming; project; (2) onderneming; bedrijf; zaak
koto (1) ding; voorwerp; zaak; (2) zaak; aangelegenheid; affaire; omstandigheid; belang; (3) probleem; vraagstuk; kwestie; vraag; (4) feit; feitelijkheid; (5) omstandigheid; omstandigheden; toestand van een zaak; staat van zaken; toestand; situatie; (6) geval; (7) voorval; incident; onverwachte gebeurtenis; ongewone gebeurtenis; (8) ongeluk; ongeval; tegenspoed; pech; onheil; moeilijkheid; verwikkeling; (9) werk; werkzaamheid; ambtelijke werkzaamheid; functie; taak; opdracht; plicht; wat van iemand geëist wordt; (10) oorzaak; motief; reden; beweeggrond; (11) ervaring; ondervinding
ji (1) zaak; geval; werk; (2) [boeddh.] artha [= fenomeen; praktijk]; (a) ding; zaak; geval; (b) daad; handeling; werk; (c) dienen; ten dienste staan
仕事shigoto (1) werk; arbeid; karwei; klus; taak; affaire; zaak; opgave; bezigheid; werkzaamheid; (2) werk; baan; job; beroep; betrekking; emplooi; (3) [nat.; techn.] arbeid
ken (1) zaak; geval; aangelegenheid; affaire; kwestie; materie; casus; (2) [maatwoord voor gevallen van misdaad; ongevallen]; (3) [maatwoord voor faillissementen; schandalen; kwesties]; (4) [maatwoord voor aanvragen; bevragingen; aangiftes; petities]; (5) [maatwoord voor transacties]; (6) [maatwoord voor bezoeken aan een internetsite; treffers]; (7) [maatwoord voor agendapunten; onderwerpen]; (8) [maatwoord voor ingesproken boodschappen of ingestuurde berichten]
会社kaishya bedrijf; onderneming; zaak; firma; vennootschap; maatschappij; maatschap; associatie; kantoor; [meton.] werk; [afk.] Mij.
八百長yaochou doorgestoken kaart; complot; van tevoren afgesproken spel; werk; zaak; voorgekookte bedoening; opgelegd pandoer; [Belg.N.] opgezet spel; [veroud.] gemaakte mouw; [w.g.] bestoken werk; [gew.] noten met gaatjes; [gew.] opgemaakt spel
商売shyoubai (1) handel; zaak; nering; bedrijf; commercie; zaken; het zakenleven; het zakendoen; koophandel; koopmanschap; business; affaire; (2) beroep; werk; vak; branche; [Belg.N.] stiel
商店shyouten winkel; zaak; handelszaak; handel; shop
shyou (1) handel; zaak; winkel; (2) handelaar; koopman; handelsman; (3) [wisk.] quotiënt; uitkomst van een deling; (4) Shāng [Chinese dynastie; 1766-1122 v.Chr.; genoemd naar de hoofdstad van de Yīn 殷]
問題mondai (1) vraag; vraagstuk; probleem; opgave; kwestie; zaak; aangelegenheid; perikelen; (2) onderwerp; (discussie)punt; geschilpunt; (3) controverse; moeilijkheden; problemen; kritiek
売り場uriba (1) winkel; zaak; warenhuis; (2) winkeltafel; toonbank; uitstalbank; balie in een winkel; zaak; afdeling; counter; (3) kans om te verkopen; goede gelegenheid om te verkopen; geschikt moment om te verkopen
yatsu (1) kerel; vent; gast; knul; man; baas; knaap; gozer; heerschap; snuiter; vriend; jongen; [inform.] klant; creatuur; sujet; (2) ding; zaak; exemplaar; geval; (3) [denigrerend of sympathiserend] hij; zij
shi (1) kind; [i.h.b.] jongen; (2) deugdzame man; meester; [i.h.b.] Confucius; (3) zǐ [± traktaat; één van de vier categorieën boeken in het Klassiek Chinees]; (4) burggraaf; (5) rente; interest; (6) [go-spel] schijf waarmee men go speelt; (7) jij; je; (8) -er; -or; -aar; -eur [maakt van een zelfst. naamw. een nomen agentis]; (9) [Nara; Heian-gesch.] [achtervoegsel bij namen van edelvrouwen]; (10) [honoratief achtervoegsel bij persoonsnamen]; (11) [achtervoegsel na de eigen naam ten teken van bescheidenheid]; (a) kind; zoon; dochter; telg; (b) ei; vrucht; (c) deeltje; (d) heer; leraar; meester; (e) man; mens; (f) vrouwe …; (g) ding; zaak; iets; (h) burggraaf; (i) [astrol.] rat
kyoku (1) bureau; departement; afdeling; (2) (telefoon)centrale; (3) postkantoor; (4) televisiestation; radiostation; (5) spelletje go; (6) situatie; zaak; geval
店屋; 見世屋miseya winkel; zaak; handel; handelszaak; winkelzaak; bazaar; magazijn
店舗tenpo (1) winkel; winkelzaak; handelszaak; zaak; handel; shop; (2) [maatwoord voor winkels; handelszaken]
mise winkel; zaak; handel; bazaar; magazijn; firma; huis
御用goyou (1) [hoff.] iemands zaken; zaak; het benodigde; bestelling; wat iemand nodig heeft; (2) officiële zaken; opdracht; overheidsopdracht; [Jap.gesch.] hofzaken; (3) [Edo-periode] arrestatie; arrest; [als uitroep] u staat onder arrest!; halt in de naam der wet!; (4) dienst; het ten dienste staan van het regime; de overheid; (5) [hand.] loopjongen (die bij klanten bestellingen opneemt); loopknecht; bezorger; commis-voyageur
暖簾noren (1) gesplit gordijntje aan een winkelingang met de naam van de zaak erop; winkelgordijn; (2) gesplit gordijntje aan de ingang van een vertrek; (3) reputatie van een winkel; zaak; aanzien; goede naam; vermaardheid; krediet
案件anken (1) kwestie; zaak; geding; voorwerp van bespreking; (2) vraagpunt; discussiepunt; punt
洋行youkou (1) tocht; overtocht; gang; reis naar het Westen; (2) [in China] door buitenlanders gerunde winkel; zaak
物件bukken voorwerp; object; zaak
mono (1) ding; voorwerp; zaak; goed; stuk; artikel; waar; iets; object; brok; spul; materiaal; (2) aangelegenheid; kwestie; historie; affaire; materie; onderwerp; punt; (3) eigendom; bezit; have; goed; (4) kwaliteit; (5) rede; wat redelijk is; (6) -werk; -stuk; (7) -wekkend; -aanjagend; -barend; -gevend; wat ~ veroorzaakt
用事youji zaak; aangelegenheid; werk; affaire
用件youken zaak; aangelegenheid
shya (1) bedrijf; onderneming; zaak; firma; vennootschap; maatschappij; kantoor; [meton.] werk [verkorting van kaisha 会社]; (2) krantenuitgeverij; krantenbedrijf; krantenbureau; [pregn.] krant [verkorting van shinbunsha 新聞社]; (3) shintoïstisch heiligdom; shintotempel; godenschrijn; [angl.] schrijn; (4) genootschap; vereniging; organisatie; maatschappij; bond; club; [veroud.] sociëteit [verkorting van kessha 結社]; (5) [kwantor voor ondernemingen; heiligdommen en genootschappen]
訴えuttae (1) [jur.] proces; rechtsgeding; geding; rechtszaak; zaak; (gerechtelijke) actie; rechtshandeling; gerechtelijke stappen; rechtsvordering; (2) [jur.] appel; klacht; aanklacht; beschuldiging; accusatie; tenlastelegging; telastlegging; (3) [jur.] eis; aanvraag; aanvrage; (4) klacht; grief; ontevredenheidsbetuiging; verzuchting; bezwaar; (5) beroep; verzoek; oproep; bede
訴訟soshyou [jur.] proces; rechtsgeding; rechtszaak; procedure; geding; twistgeding; zaak; actie; rechtshandeling; rechtsdaad; rechtsvordering; eis
販売店hanbaiten winkel; zaak
遺失物ishitsubutsu verloren voorwerp; zaak; gevonden voorwerp
遺留品iryuuhin achtergelaten goed; zaak; dingen; spullen
開業kaigyou opening van een praktijk; zaak; het beginnen; opzetten van een zaak; oprichting van een zaak; vestiging van een praktijk; bedrijf; aanvang van z'n werkzaamheden [als arts; advocaat enz.]; installatie
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.61 sec. jiten.nl: 13 treffers, warandict: 40 treffers (zoekopdracht: 'zaak', strategie: exact). 
2005-2021