日蘭辭典+

57 resultaten voor ‘zacht’
日蘭辭典 (trefwoord)
amai甘い
bn. (1) [甘味] zoet. (2) [淡味] flauw; laf; smakeloos. (3) [愚鈍] dwaas; mal. (4) [叱り方が] slap; niet streng genoeg. (5) [やさしい] zacht. ¶ 子供に甘い toegevend voor kinderen. ¶ 甘い物 zoetigheid.
atatakai溫い
(温かい・暖い暖かい) bn. warm; zacht. ¶ 溫い冬 zachte winter. ¶ 溫い同情 warme sympathie;
yasashii優しい
bn. (1) [柔和] zacht; zachtmoedig; zachtaardig. (2) [優雅] bevallig. (3) [深切] vriendelijk; lief.
otonashiiおとなしい
(大人しい) bn. zoet; gehoorzaam; gedwee; tam; mak; gewillig; zacht.
sunao素直
zn. zachtheid v. ¶ 素直な zacht; gedwee; volgzaam; gewillig; gehoorzaam; onderworpen.
shizuka na靜な
(静かな) bn. rustig; stil; kalm; zacht.
shizuka ni靜に
(静かに、静に) bw. rustig; stil; kalm; zacht; zachtjes. ¶ 靜にする kalmeeren. ¶ 靜にしろ stilte! wees stil! ¶ まあ靜に houd je kalm. ¶ 心靜に考へて見給へ denk er eens kalm over na.
soyokaze微風
(そよ風) zn. zacht briesje o.; licht koeltje o.
ūnan柔軟

zn. zachtheid v. ¶ 柔軟なる zacht; buigzaam; plooibaar. ¶ 柔軟性 buigzaamheid; plooibaarheid. ¶ 柔軟體操 vrije gymnastische oefeningen.

SUPPLEMENT (trefwoord)
kiiro黄色
zn. geel ¶_市販のバナナはきれいな黄色をしているが、それはもともと 緑だったバナナに化学薬品を撒いた上で、果実を熟成させたものである De bananen die verkocht werden waren mooi geel, maar het het ging om [producten] die gerijpt waren door de oorspronkelijk groene bananen te besprenkelen met een chemisch middel. ¶ 何日か経過するとバナナは黄色になり、柔らかくなる。 Nadat er een aantal dagen was verstreken werden de bananen geel en zacht.
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:Aozora Bunko╱Mori Ōgai╱De wilde gans 〈11:4〉〈青空文庫〉森鴎外『雁』
肱掛からを見れば、高野槙から、爽かな朝風に、微か揺れていると、その向うの一面に茂っているとが見える

Hijikakemado kara soto wo mireba, kōyamaki no eda no aida kara, sawayaka na asakaze ni, kasuka ni yurete iru yanagi no ito to, sono mukō no ike ichimen ni shigette iru hasu no ha to ga mieru.

Wanneer hij door het raam naar buiten keek, kon hij tussen de takken van de parasolden door de zachtjes in de frisse ochtendwind bewegende afhangende takken van de treurwilg, en daarachter een dikke laag lotusbladeren op de vijver zien.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <zacht>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
しんみりしたshinmirishita (1) rustig; zacht; stil; (2) intiem; vertrouwelijk; persoonlijk; innig; confidentieel; (3) [~話] ontroerend; aandoenlijk
なだらかnadaraka (1) [m.b.t. helling; glooiing] zacht; lichtjes; zachtjes; (2) [m.b.t. verloop; ontwikkeling] vlot; gesmeerd; gladjes; soepel; van een leien dakje; probleemloos
スムーズsumuuzu glad; vlak; vloeiend; vlot; gemakkelijk; zacht
ソフトsofuto (1) software; programmatuur; [i.h.b.] DVD- of VHS-materiaal [verkorting van sofutowea ソフトウェア]; (2) slappe vilthoed; slappe deukhoed; slappe gleufhoed [verkorting van sofutobō ソフト帽]; (3) immaterieel; onstoffelijk goed; (4) zacht; soft; week; slap
ピアノpiano (1) piano; [meton.] klavier; [pej.] tingeltangel; (2) piano; [muz.] zacht
ピヤノpiyano (1) piano; [meton.] klavier; [pej.] tingeltangel; (2) piano; [muz.] zacht
フワフワfuwafuwa (1) zacht; licht; donzig; vlossig; flossig; luchtig; (2) luchthartig; wuft; lichtvaardig; lichtzinnig; frivool; (3) luchtigjes; licht; lichtjes
優しい; 恥しいyasashii (1) zacht; [m.b.t. stem] rustig; teder; mild; braaf; suave; zoet [als een lammetje]; (2) gracieus; bevallig; elegant; sierlijk; (3) vriendelijk; aardig; lief; liefdevol; minzaam; lieflijk; zachtaardig; goedaardig; goed; -vriendelijk [b.v. klantvriendelijk]; (4) attent; zorgzaam; begaan met; medelevend met; oplettend; bezorgd; voorkomend; gedienstig; (5) zich klein voelen; zich nietig voelen; zich schamen; zich generen; beschaamd zijn; zich opgelaten voelen; zich niet op zijn gemak voelen; in verlegenheid gebracht zijn [meestal 恥しい gespeld]; (6) nederig; teruggehouden; ootmoedig; modest; deemoedig; braaf [meestal 恥しい gespeld]
優しくyasashiku vriendelijk; aardig; zachtmoedig; zacht; zachtjes; teder; goedhartig
囁くsasayaku (1) fluisteren; zacht; met gedempte stem spreken; [niet alg.] wispelen; (2) fluisteren; bedekt(elijk) zeggen; praatjes; geruchten doen rondgaan; roddelen
地味なjimina (1) sober; eenvoudig; ongekunsteld; niet opzichtig; onopvallend; pretentieloos; ingetogen; [~色] zacht; rustig; stemmig; gedekt; (2) onopvallend; bescheiden; discreet; gereserveerd; terughoudend; teruggetrokken; niet opdringerig
地味jimi (1) sober; eenvoudig; ongekunsteld; niet opzichtig; onopvallend; pretentieloos; ingetogen; [m.b.t. kleuren] zacht; [m.b.t. kleuren] rustig; [m.b.t. kleuren] stemmig; [m.b.t. kleuren] gedekt; (2) onopvallend; bescheiden; discreet; gereserveerd; terughoudend; teruggetrokken; niet opdringerig
大人しいotonashii (1) zacht; (2) rustig; bedaard; kalm; stil; (3) gehoorzaam; volgzaam; gedwee; gewillig; zoet; gezeglijk; meegaand; inschikkelijk; (4) [m.b.t. dieren] tam; getemd; mak; niet wild; (5) zoet; braaf; goed; niet stout; (6) bescheiden; nederig; ingetogen
安眠するanminsuru rustig; gerust; zacht; zachtjes slapen
小さいchiisai (1) klein; gering; licht; onbeduidend; bescheiden; [m.b.t. stem] zacht; (2) klein; jong
小さなchiisana (1) klein; gering; licht; onbeduidend; bescheiden; [m.b.t. stem] zacht; (2) klein; jong
小声でkogoede met zachte; gedempte; ingehouden stem; op gedempte toon; op een fluistertoon; zacht; zachtjes; halfluid; fluisterend; binnensmonds; [muz.] sotto voce
柔らか; 軟らか; 和らかyawaraka (1) zacht; smeu; mals; donzig; (2) mild; zachtaardig; teder; (3) soepel; buigzaam; tegemoetkomend; coulant; flexibel; (4) behaaglijk (warm); mild; (5) sappig; vlot; (6) halfzacht; slap; verwijfd
柔らかい; 軟らかい; 和らかいyawarakai (1) zacht; smeu; mals; donzig; (2) zachtaardig; teder; mild; murw; (3) behaaglijk (warm); mild; (4) soepel; niet-stroef; vlot; (5) flexibel; coulant; tegemoetkomend; inschikkelijk
柔和nyuuwa zacht; zachtaardig; teder; mild
柔和なnyuuwana zacht; zachtaardig; teder; mild
柔軟juunan zacht; buigzaam; plooibaar; buigbaar; flexibel; soepel
淡々tantan (1) [~とした色] licht; bleek; zacht; flauw; flets; (2) kalm; rustig; sereen; koel; onaangedaan; onberoerd; stoïcijns; gelijkmoedig; gelaten; ongeïnteresseerd; onverschillig; (3) kabbelend; kalm vloeiend
淡白tanpaku (1) [cul.] licht gekruid; (2) [m.b.t. kleur; tint] gedekt; stemmig; zacht; (3) nuchter; eerlijk; ongekunsteld; indifferent; onverschillig
淡白な ; 淡泊な ; 澹泊なtanpakuna (1) [cul.] licht gekruid; (2) [m.b.t. kleur; tint] gedekt; stemmig; zacht; (3) nuchter; eerlijk; ongekunsteld; indifferent; onverschillig
温いnukui (1) [meteo.] warm; mild; zacht; (2) suf; dwaas; dom; (3) rijk; bemiddeld; gegoed
温和onwa mild; zacht; gematigd
温暖ondan lekker warm; zacht; gematigd
甘口amakuchi (1) honingzoete woorden; stroperige taal; lieve; suikerzoete woordjes; mooie praatjes; fluwelen tong; vleitaal; vleierij; flemerij; flikflooierij; [pej.] gefleem; (2) zoetekauw; zoetbek; zoeterik; snoeper; snoepkous; snoepdoos; (3) [m.b.t. wijnen] zoet; [m.b.t. tabak] licht; zacht; mild
穏やかodayaka (1) rust; bedaardheid; kalmte; geneigdheid het hoofd koel te houden; (2) stilte; geruisloosheid; roerloosheid; (3) mildheid; zachtheid; zachtaardigheid; welwillendheid; weldadigheid; gematigd karakter; niet agressief karakter; verzoeningsgezindheid; (4) vredigheid; vrede; harmonie; evenwicht; (5) rustig; bedaard; kalm; het hoofd koel houdend; (6) stil; geruisloos; roerloos; (7) mild; zacht; zachtaardig; welwillend; weldadig; gematigd; niet agressief; verzoeningsgezind; (8) vredig; vredevol; harmonieus; evenwichtig
穏やかなodayakana (1) rustig; bedaard; kalm; het hoofd koel houdend; (2) stil; geruisloos; roerloos; (3) mild; zacht; zachtaardig; welwillend; weldadig; gematigd; niet agressief; verzoeningsgezind; (4) vredig; vredevol; harmonieus; evenwichtig
素直sunao (1) braaf; gedwee; zoet; gehoorzaam; volgzaam; inschikkelijk; meegaand; mak; dociel; smijdig; gewillig; gezeglijk; handelbaar; zacht; zachtaardig; goedwillig; [i.h.b.] open; openhartig; eerlijk; naïef; (2) ongekunsteld; ongemaakt; ongemaniëreerd; ongedwongen; natuurlijk; oprecht; rechtuit; eenvoudig
緩々yuruyuru (1) traag; langzaam; ongehaast; lijzig; (2) ontspannen; op z'n gemak; kalmpjes; niet gejaagd; (3) slap; zacht; buigzaam; (4) [髪の毛が] weelderig; (5) uitgestrekt; omvangrijk; uitgebreid; (6) slobberig; flodderig; (7) waterig; (8) rustig; vredig; kalm
緩やか ; 寛やかyuruyaka (1) los; vrij; ongehinderd; ontspannen; soepel; (2) inschikkelijk; mild; coulant; gematigd; grootmoedig; edelmoedig; toegeeflijk; toegevend; inschikkelijk; goedig; lankmoedig; laks; indulgent; tolerant; verdraagzaam; (3) kalm; geleidelijk; rustig; matig; zacht; (4) loszittend; ruim; wijd
緩やかな ; 寛やかなyuruyakana (1) los; vrij; ongehinderd; ontspannen; soepel; (2) inschikkelijk; mild; coulant; gematigd; grootmoedig; edelmoedig; toegeeflijk; toegevend; inschikkelijk; goedig; lankmoedig; laks; indulgent; tolerant; verdraagzaam; (3) kalm; geleidelijk; rustig; matig; zacht; (4) loszittend; ruim; wijd
練るneru (1) zacht; op zijn gemak lopen; kuieren; pantoffelen; [inform.] kachelen; [gew.] kosteren; (2) in processie lopen; defileren; marcheren; paraderen; een optocht houden; (3) [粉を] kneden; [絵の具を] temperen; (4) [絹を] glans geven; doen glanzen; glanzend maken; polijsten; (5) [文章を] bijschaven; polijsten; bijvijlen; verfijnen; [構想を] uitwerken; ontwikkelen; [計画を] bijwerken; finetunen; (6) [胆力を] ontwikkelen; trainen; oefenen; cultiveren; vormen; uitbouwen; [兵を] drillen
jin (a) [plantk.] Japanse zwartenetel; (b) [plantk.] tuinboon; (c) [plantk.] sojaboon; (d) zacht; teer; (e) routinematig verstrijken
藹々aiai (1) dichtbegroeid; (2) overvloedig; rijk; vruchtbaar; (3) kalm; rustig; mild; zacht
軟材nanzai zachthout; weekhout; zacht; week hout
邌るneru (1) zacht; op zijn gemak lopen; kuieren; pantoffelen; [inform.] kachelen; [gew.] kosteren; (2) in processie lopen; defileren; marcheren; paraderen; een optocht houden
長閑 ; 閑nodoka (1) kalm; vredig; rustig; stil; sereen; (2) mild; zacht; zoel
長閑な ; 閑なnodokana (1) kalm; vredig; rustig; stil; sereen; (2) mild; zacht; zoel
静か ; 閑かshizuka (1) rustig; kalm; stil; bedaard; gerust; placide; vredig; vreedzaam; sereen; [pred.] koest; [inform.] gedeisd; [m.b.t. regen] mild; [muz.] quieto; [muz.] tranquillo; [muz.] tranquillamente; (2) stil; zacht; rustig; geluidloos
静かな ; 閑かなshizukana (1) rustig; kalm; stil; bedaard; gerust; placide; vredig; vreedzaam; sereen; [pred.] koest; [inform.] gedeisd; [m.b.t. regen] mild; (2) stil; zacht; rustig; geluidloos
静かにshizukani (1) rustig; kalm; stil; bedaard; gerust; placide; vredig; vreedzaam; sereen; koest; [inform.] gedeisd; [muz.] quieto; [muz.] tranquillo; [muz.] tranquillamente; (2) stil; zacht; rustig; geluidloos
rei (a) aantrekkelijk; mooi; (b) rustig; zacht
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.6 sec. jiten.nl: 11 treffers, warandict: 46 treffers (zoekopdracht: 'zacht', strategie: exact). 
2005-2021