日蘭辭典+

46 resultaten voor ‘zacht’
日蘭辭典 (trefwoord)
amai甘い
bn. (1) [甘味] zoet. (2) [淡味] flauw; laf; smakeloos. (3) [愚鈍] dwaas; mal. (4) [叱り方が] slap; niet streng genoeg. (5) [やさしい] zacht. ¶ 子供に甘い toegevend voor kinderen. ¶ 甘い物 zoetigheid.
atatakai溫い
(温かい・暖い暖かい) bn. warm; zacht. ¶ 溫い冬 zachte winter. ¶ 溫い同情 warme sympathie;
yasashii優しい
bn. (1) [柔和] zacht; zachtmoedig; zachtaardig. (2) [優雅] bevallig. (3) [深切] vriendelijk; lief.
otonashiiおとなしい
(大人しい) bn. zoet; gehoorzaam; gedwee; tam; mak; gewillig; zacht.
sunao素直
zn. zachtheid v. ¶ 素直な zacht; gedwee; volgzaam; gewillig; gehoorzaam; onderworpen.
shizuka na靜な
(静かな) bn. rustig; stil; kalm; zacht.
shizuka ni靜に
(静かに、静に) bw. rustig; stil; kalm; zacht; zachtjes. ¶ 靜にする kalmeeren. ¶ 靜にしろ stilte! wees stil! ¶ まあ靜に houd je kalm. ¶ 心靜に考へて見給へ denk er eens kalm over na.
soyokaze微風
(そよ風) zn. zacht briesje o.; licht koeltje o.
ūnan柔軟

zn. zachtheid v. ¶ 柔軟なる zacht; buigzaam; plooibaar. ¶ 柔軟性 buigzaamheid; plooibaarheid. ¶ 柔軟體操 vrije gymnastische oefeningen.

SUPPLEMENT (trefwoord)
kiiro黄色
zn. geel ¶_市販のバナナはきれいな黄色をしているが、それはもともと 緑だったバナナに化学薬品を撒いた上で、果実を熟成させたものである De bananen die verkocht werden waren mooi geel, maar het het ging om [producten] die gerijpt waren door de oorspronkelijk groene bananen te besprenkelen met een chemisch middel. ¶ 何日か経過するとバナナは黄色になり、柔らかくなる。 Nadat er een aantal dagen was verstreken werden de bananen geel en zacht.
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:Aozora Bunko╱Mori Ōgai╱De wilde gans 〈11:4〉〈青空文庫〉森鴎外『雁』
肱掛からを見れば、高野槙から、爽かな朝風に、微か揺れていると、その向うの一面に茂っているとが見える

Hijikakemado kara soto wo mireba, kōyamaki no eda no aida kara, sawayaka na asakaze ni, kasuka ni yurete iru yanagi no ito to, sono mukō no ike ichimen ni shigette iru hasu no ha to ga mieru.

Wanneer hij door het raam naar buiten keek, kon hij tussen de takken van de parasolden door de zachtjes in de frisse ochtendwind bewegende afhangende takken van de treurwilg, en daarachter een dikke laag lotusbladeren op de vijver zien.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <zacht>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
長閑な nodokana (1) kalm; vredig; rustig; stil; sereen; (2) mild; zacht; zoel
長閑 nodoka (1) kalm; vredig; rustig; stil; sereen; (2) mild; zacht; zoel
温い nukui (1) [meteo.] warm; mild; zacht; (2) suf; dwaas; dom; (3) rijk; bemiddeld; gegoed
素直 sunao (1) braaf; gedwee; zoet; gehoorzaam; volgzaam; inschikkelijk; meegaand; mak; dociel; smijdig; gewillig; gezeglijk; handelbaar; zacht; zachtaardig; goedwillig; [i.h.b.] open; openhartig; eerlijk; naïef; (2) ongekunsteld; ongemaakt; ongemaniëreerd; ongedwongen; natuurlijk; oprecht; rechtuit; eenvoudig
スムーズ sumuuzu glad; vlak; vloeiend; vlot; gemakkelijk; zacht
なだらか nadaraka (1) [m.b.t. helling, glooiing] zacht; lichtjes; zachtjes; (2) [m.b.t. verloop, ontwikkeling] vlot; gesmeerd; gladjes; soepel; van een leien dakje; probleemloos
軟材 nanzai zachthout; weekhout; zacht; week hout
地味な jimina (1) sober; eenvoudig; ongekunsteld; niet opzichtig; onopvallend; pretentieloos; ingetogen; [~色] zacht; rustig; stemmig; gedekt; (2) onopvallend; bescheiden; discreet; gereserveerd; terughoudend; teruggetrokken; niet opdringerig
地味 jimi (1) sober; eenvoudig; ongekunsteld; niet opzichtig; onopvallend; pretentieloos; ingetogen; [m.b.t. kleuren] zacht; [m.b.t. kleuren] rustig; [m.b.t. kleuren] stemmig; [m.b.t. kleuren] gedekt; (2) onopvallend; bescheiden; discreet; gereserveerd; terughoudend; teruggetrokken; niet opdringerig
しんみりした shinmirishita (1) rustig; zacht; stil; (2) intiem; vertrouwelijk; persoonlijk; innig; confidentieel; (3) [~話] ontroerend; aandoenlijk
静かな shizukana (1) rustig; kalm; stil; bedaard; gerust; placide; vredig; vreedzaam; sereen; [pred.] koest; [inform.] gedeisd; [m.b.t. regen] mild; (2) stil; zacht; rustig; geluidloos
静か shizuka (1) rustig; kalm; stil; bedaard; gerust; placide; vredig; vreedzaam; sereen; [pred.] koest; [inform.] gedeisd; [m.b.t. regen] mild; [muz.] quieto; [muz.] tranquillo; [muz.] tranquillamente; (2) stil; zacht; rustig; geluidloos
淡白な tanpakuna (1) [cul.] licht gekruid; (2) [m.b.t. kleur; tint] gedekt; stemmig; zacht; (3) nuchter; eerlijk; ongekunsteld; indifferent; onverschillig
淡白 tanpaku (1) [cul.] licht gekruid; (2) [m.b.t. kleur; tint] gedekt; stemmig; zacht; (3) nuchter; eerlijk; ongekunsteld; indifferent; onverschillig
小さい chiisai (1) klein; gering; licht; onbeduidend; bescheiden; [m.b.t. stem] zacht; (2) klein; jong
小さな chiisana (1) klein; gering; licht; onbeduidend; bescheiden; [m.b.t. stem] zacht; (2) klein; jong
囁く sasayaku (1) fluisteren; zacht; met gedempte stem spreken; [niet alg.] wispelen; (2) fluisteren; bedekt(elijk) zeggen; praatjes; geruchten doen rondgaan; roddelen
柔らか; 軟らか; 和らか yawaraka (1) zacht; smeu; mals; donzig; (2) mild; zachtaardig; teder; (3) soepel; buigzaam; tegemoetkomend; coulant; flexibel; (4) behaaglijk (warm); mild; (5) sappig; vlot; (6) halfzacht; slap; verwijfd
柔らかい; 軟らかい; 和らかい yawarakai (1) zacht; smeu; mals; donzig; (2) zachtaardig; teder; mild; (3) behaaglijk (warm); mild; (4) soepel; niet-stroef; vlot; (5) flexibel; coulant; tegemoetkomend; inschikkelijk
優しい; 恥しい yasashii (1) zacht; [m.b.t. stem] rustig; teder; mild; braaf; suave; zoet [als een lammetje]; (2) gracieus; bevallig; elegant; sierlijk; (3) vriendelijk; aardig; lief; liefdevol; minzaam; lieflijk; zachtaardig; goedaardig; goed; -vriendelijk [b.v. klantvriendelijk]; (4) attent; zorgzaam; begaan met; medelevend met; oplettend; bezorgd; voorkomend; gedienstig; (5) zich klein voelen; zich nietig voelen; zich schamen; zich generen; beschaamd zijn; zich opgelaten voelen; zich niet op zijn gemak voelen; in verlegenheid gebracht zijn [meestal 恥しい gespeld]; (6) nederig; teruggehouden; ootmoedig; modest; deemoedig; braaf [meestal 恥しい gespeld]
優しく yasashiku vriendelijk; aardig; zachtmoedig; zacht; zachtjes; teder; goedhartig
rei (1) a. aantrekkelijk; mooi; (2) b. rustig; zacht
フワフワ fuwafuwa (1) zacht; licht; donzig; vlossig; flossig; luchtig; (2) luchthartig; wuft; lichtvaardig; lichtzinnig; frivool; ; luchtigjes; licht; lichtjes
穏やか odayaka (1) rustig; bedaard; kalm; het hoofd koel houdend; (2) stil; geruisloos; roerloos; (3) mild; zacht; zachtaardig; welwillend; weldadig; gematigd; niet agressief; verzoeningsgezind; (4) vredig; vredevol; harmonieus; evenwichtig; ; (1) rust; bedaardheid; kalmte; geneigdheid het hoofd koel te houden; (2) stilte; geruisloosheid; roerloosheid; (3) mildheid; zachtheid; zachtaardigheid; welwillendheid; weldadigheid; gematigd karakter; niet agressief karakter; verzoeningsgezindheid; (4) vredigheid; vrede; harmonie; evenwicht
穏やかな odayakana (1) rustig; bedaard; kalm; het hoofd koel houdend; (2) stil; geruisloos; roerloos; (3) mild; zacht; zachtaardig; welwillend; weldadig; gematigd; niet agressief; verzoeningsgezind; (4) vredig; vredevol; harmonieus; evenwichtig
温暖 ondan lekker warm; zacht; gematigd
大人しい otonashii (1) zacht; (2) rustig; bedaard; kalm; stil; (3) gehoorzaam; volgzaam; gedwee; gewillig; zoet; gezeglijk; meegaand; inschikkelijk; (4) [m.b.t. dieren] tam; getemd; mak; niet wild; (5) zoet; braaf; goed; niet stout; (6) bescheiden; nederig; ingetogen
ピアノ piano piano; [muz.] zacht; ; piano; [meton.] klavier; [pej.] tingeltangel
ピヤノ piyano piano; [muz.] zacht; ; piano; [meton.] klavier; [pej.] tingeltangel
藹々 aiai (1) dichtbegroeid; (2) overvloedig; rijk; vruchtbaar; (3) kalm; rustig; mild; zacht
甘口 amakuchi [m.b.t. wijnen] zoet; [m.b.t. tabak] licht; zacht; ; (1) honingzoete woorden; stroperige taal; lieve; suikerzoete woordjes; mooie praatjes; fluwelen tong; vleitaal; vleierij; flemerij; flikflooierij; [pej.] gefleem; (2) zoetekauw; zoetbek; zoeterik; snoeper; snoepkous; snoepdoos
緩やか yuruyaka (1) los; vrij; ongehinderd; ontspannen; soepel; (2) inschikkelijk; mild; coulant; gematigd; grootmoedig; edelmoedig; toegeeflijk; toegevend; inschikkelijk; goedig; lankmoedig; laks; indulgent; tolerant; verdraagzaam; (3) kalm; geleidelijk; rustig; matig; zacht; (4) loszittend; ruim; wijd
緩やかな yuruyakana (1) los; vrij; ongehinderd; ontspannen; soepel; (2) inschikkelijk; mild; coulant; gematigd; grootmoedig; edelmoedig; toegeeflijk; toegevend; inschikkelijk; goedig; lankmoedig; laks; indulgent; tolerant; verdraagzaam; (3) kalm; geleidelijk; rustig; matig; zacht; (4) loszittend; ruim; wijd
柔和 nyuuwa zacht; zachtaardig; teder; mild
柔和な nyuuwana zacht; zachtaardig; teder; mild
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.55 sec. jiten.nl: 11 treffers, warandict: 35 treffers (zoekopdracht: 'zacht', strategie: exact). 
2005-2019