日蘭辭典+

45 resultaten voor ‘zetten’
日蘭辭典 (trefwoord)
abunaku危く
(危なく) bw. (1) [危險] gevaarlijk. (2) [殆ど] bijna; op het punt van. ¶ 危くなる gevaar loopen. ¶ 危くする op het spel zetten; wagen. ¶ 命を危くして met gevaar voor zijn leven; met levensgevaar.
aranuri粗塗
(粗塗り) zn. grondverf v. ¶ 粗塗する in de grondverf zetten.
arukōru酒精
(アルコール) zn. alcohol v. ¶ 純アルコール absolute alcohol. ¶ アルコール漬にする op sterk water zetten; in alcohol conserveren.
seimei生命
zn. leven o.; hart o.; kern v. ¶ 生命保險 levensverzekering. ¶ 生命を賭する zijn leven op het spel zetten.
fuchi
(縁) zn. (1) [] kant m. rand (、際、崖) m. (2) [額、枠] lijst v. ¶ 一枚の boordevol. ¶ 附ける in een lijst zetten. ¶ 頁の marge; kantlijn.
azukeru預ける

t.w. (1) [委託] toevertrouwen; opdragen; overlaten. (2) [銀行に] deponeeren; op deposito zetten. ¶ 荷物預ける bagage in bewaring geven; bagage als passagiersgoed verzenden (旅客荷として送る).

hakadoru捗取る

(捗る) i.w. opschieten; voortgang maken; vaart erachter zetten.

SUPPLEMENT (trefwoord)
azukeru預ける
t.w. in bewaring geven; afgeven; toevertrouwen; deponeren. ¶ この荷物を預けるが出来ますか。 Kono nimotsu wo azukeru koto ga dekimasu ka. Kan ik deze bagage afgeven? Kan ik deze tas in bewaring geven? (TTC) ¶ 銀行に預けるのが嫌いいるGinkō ni azukeru no ga kirai na hito mo iru. Er zijn ook mensen die er niet van houden om hun geld op de bank te zetten. (TTC) ¶ そのような大金を預けるな。 Kare ni sono yō na taikin wo azukeru na. Je moet hem niet zo’n groot geldbedrag toevertrouwen. (TTC) ¶ この案件どう処理するか、下駄を預けるよ。 Kono anken wo dō shorisuru ka, kimi ni geta wo azukeru yo. Hoe je deze zaak gaat behandelen [dat] laat ik helemaal aan jou over. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <zetten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
乗せる; のせる noseru (1) [op een vervoermiddel (de bus enz.)] zetten; plaatsen; [van bagage] laden; bevrachten; opladen; [een lifter enz.] oppikken; [iem. op de bus enz.] helpen; [i.h.b.] meevoeren; [passagiers enz.] meenemen; [i.h.b.] een lift geven; aan boord nemen; opnemen; (2) [op tafel enz.] zetten; plaatsen; stellen; leggen; [op de planken enz.] brengen; (3) iem. [door vleierij enz.] voor zich winnen; iem. aan zijn kant krijgen; iem. op zijn hand krijgen; iem. impalmen; iem. inpakken; iem. erin laten lopen; iem. erin laten trappen; iem. overhalen; iem. zover krijgen; (4) iem. [in het werk, complot enz.] betrekken; iem. laten deelnemen aan; iem. laten meedoen; (5) in de maat (laten) zijn met; in harmonie (laten) zijn met; (laten) harmoniëren; (6) [een boodschap enz.] overbrengen [langs telegrafische weg enz.]; transmitteren (via); transporteren (via); overvoeren (per)
載せる noseru (1) [op een vervoermiddel (de bus enz.)] zetten; plaatsen; [van bagage] laden; bevrachten; opladen; [een lifter enz.] oppikken; [iem. op de bus enz.] helpen; [i.h.b.] meevoeren; [passagiers enz.] meenemen; [i.h.b.] een lift geven; aan boord nemen; opnemen; (2) [op tafel enz.] zetten; plaatsen; stellen; leggen; [op de planken enz.] brengen; (3) iem. [door vleierij enz.] voor zich winnen; iem. aan zijn kant krijgen; iem. op zijn hand krijgen; iem. impalmen; iem. inpakken; iem. erin laten lopen; iem. erin laten trappen; iem. overhalen; iem. zover krijgen; (4) iem. [in het werk, complot enz.] betrekken; iem. laten deelnemen aan; iem. laten meedoen; (5) in de maat (laten) zijn met; in harmonie (laten) zijn met; (laten) harmoniëren; (6) [een boodschap enz.] overbrengen [langs telegrafische weg enz.]; transmitteren (via); transporteren (via); overvoeren (per); (7) [een advertentie in de krant enz.] zetten; plaatsen; opnemen; publiceren; optekenen; vermelden; te boek stellen
進める susumeru (1) vooruitbewegen; vooruitbrengen; vooruitschuiven; vooruitzetten; naar voren brengen; zetten; schuiven; bewegen; voortdrijven; aanzetten; voorwaarts zetten; voorwaarts doen gaan; [mil.] doen avanceren; (2) voortzetten; voortgaan met; vervolgen; doorgaan met; vorderen met; (3) bevorderen; stimuleren; bijdragen tot; vooruithelpen; in de hand werken; doen vooruitkomen; doen opschieten; verder ontwikkelen; uitbouwen; (4) bevorderen; promoveren; een hogere positie geven; op een hoger plan brengen; in rang verhogen; verheffen; opvoeren; hoger brengen; (5) [m.b.t. klok] voorzetten; vooruitzetten; voor laten lopen
据える sueru (1) plaatsen; installeren; zetten; leggen; stellen; (2) bevestigen; monteren; vastzetten; (3) een functie doen innemen; plaats doen nemen; installeren; bevestigen; aanstellen als; benoemen tot; (4) [目を] vestigen op; fixeren op; concentreren op; [度胸を] vatten; verzamelen; scheppen; [腰を] toeleggen; [腹を] bepalen; besluiten
接ぐ tsugu (1) verbinden; samenvoegen; bijeenvoegen; aaneenvoegen; bij elkaar voegen; zetten; aaneenzetten; [骨を] zetten; (2) [plantk.] enten
突く tsuku (1) steken; prikken; priemen; spietsen; (2) porren; poken; stompen; aanstoten; duwen; [inform.] douwen; stoten; rammen; [m.b.t. hoornvee] nijten; een stoot; por; zet; tik; klopje geven; [m.b.t. zegel] drukken; [m.b.t. bal] tikken; [m.b.t. biljartbal] stoten; [een pluimpje; klok enz.] slaan; [i.c.m. 溜め息を] slaken; [i.c.m. 溜め息を] lozen; (3) zetten; plaatsen; planten; [krukken enz.] gebruiken; [op de knieën] vallen [m.b.t. dunne; langwerpige voorwerpen die als steun geplaatst worden]; (4) aanvallen; belagen; [de geringste redeneerfout enz.] aangrijpen; [iets in zijn achilleshiel enz.] treffen; [iem. in zijn zwak enz.] tasten; [op de kern van de zaak enz.] slaan; (5) [alle weer; de elementen enz.] trotseren; het hoofd bieden; braveren; tarten; (6) [de neus enz.] prikkelen; [m.b.t. stank enz.: in de neus] slaan; snerpen (in); [door de ziel enz.] snijden; [iem. in zijn hart enz.] raken; treffen; diep schokken
付ける tsukeru (1) bevestigen aan; aanbrengen; aanleggen; vasthechten; vastmaken; [役馬を] spannen voor; aanhechten; hechten; [翻訳を] toevoegen; [×印を] aankruisen; [印を] afdrukken; [器具を] installeren; monteren aan; aanleggen; [接着剤で] plakken; [バター; クリーム; ジャムを] smeren; [しみを] maken; aanmaken op; (2) [傷; 跡を] achterlaten; nalaten; (3) zich eigen maken; aanleren; zich verwerven; [習慣を] zich aanwennen; [力を] opdoen; (4) [乳母を] engageren; aannemen; in de arm nemen; (5) [注意; 目を] vestigen op; [犯人; 車を] schaduwen; volgen; (6) [条件を] opleggen; [疑問符; コメント; 注文を] plaatsen; zetten; [名; 味を] geven; [実; 利子を] dragen; [点を] toekennen; (7) [料理を] opdienen; serveren; [仕事に片を] regelen; afdoen; afhandelen; zijn beslag geven; voor elkaar brengen; (8) [正札を] hechten; [値を] voorzien van; stellen op; (9) opschrijven; opnemen; noteren; aantekenen; boeken; [日記を] bijhouden; houden; (10) 10. [手を] beginnen met; aanvangen; [連絡を] opnemen; [火を] aanleggen; in brand steken
着ける tsukeru (1) aanleggen; [scheepv.] (af)meren; (aan de wal) vastleggen; vastmaken; stilhouden; stoppen; parkeren; [aan de kant enz.] zetten; [i.h.b.] voorrijden (tot aan ~); (2) doen raken; ertegenaan brengen; in aanraking brengen met; [de eerste hand enz.] leggen aan; (3) [iem. in een bep. positie] brengen; plaatsen; zetten; doen zitten; doen plaatsnemen; zitting doen nemen in; (4) aantrekken; aandoen; zich [in het zwart enz.] steken; zich kleden; [een lint in het haar enz.] steken; [een broche enz.] opsteken; [m.b.t. masker] opzetten; aanbrengen; (5) zich eigen maken; zich verwerven; aanleren
漬ける tsukeru inmaken; inleggen; [in een marinade enz.] leggen; [in de pekel; op sterkwater enz.] zetten
移す utsusu (1) [in zijn geheel op een andere plaats] zetten; verplaatsen; verschuiven; (2) overgieten; overschenken; schenken; (3) [een gerechtszaak] overbrengen; overdragen; (4) een andere richting; wending geven; afleiden; (5) [病気を] overdragen; doen overgaan; infecteren met; aansteken
植える ueru (1) planten; aanplanten; aanpoten; zaaien; (2) [planten of gewassen] kweken; telen; verbouwen; (3) [losse drukletters] zetten
入れる ireru (1) plaatsen in; indoen; inzetten in; inbrengen in; (2) inschenken; ingieten; bijgieten; (3) toevoegen; bijvoegen; invoegen; (4) binnenlaten; laten binnenkomen; (5) [iemand, bv. patiënt; student; gast etc.] toelaten; onder zijn hoede nemen; (6) kunnen bevatten; plaats hebben voor; groot genoeg zijn voor; ruim genoeg zijn voor [een bepaald aantal personen]; (7) aanwerven; aanbrengen; in dienst nemen; ronselen; rekruteren; (8) luisteren naar [een advies; verzoek; visie van iemand anders etc.]; gehoor geven aan; (9) tolereren; dulden; aanvaarden; begrip hebben voor; begrijpen; pikken; (10) 10. samengaan; kunnen samengaan; verenigbaar zijn; compatibel zijn; consistent zijn; (11) 11. meerekenen; meetellen; incalculeren; inbegrepen zijn; (12) 12. [茶; コーヒーを] maken; zetten; (13) 13. [スイッチを] aanswitchen; aansteken; aandraaien; aanzetten; aandoen; aanknippen; in werking stellen; zetten; inschakelen
組む kumu (1) ineenvlechten; in elkaar vlechten; vlechten; (2) ineenzetten; in elkaar zetten; in elkaar voegen; monteren; assembleren; opbouwen; (3) (de benen of de armen) kruisen; (iemands arm) beetpakken; arm in arm gaan lopen; aanklampen; aangrijpen; (4) [boekdr.] zetten; letterzetten; letterstaafjes naast elkaar zetten; ; (1) samengaan met; de krachten verenigen; gaan samenwerken met; zich voegen bij; zich verenigen met; partner worden van; (2) samenspannen met; heulen met; samenheulen met; collaboreren met; samenzweren met; complotteren met; onder een hoedje spelen met
並べる naraberu (1) naast elkaar plaatsen; dicht bij elkaar zetten; zij aan zij leggen; juxtaponeren; (2) schikken; (in een rij) opstellen; (op een rij) zetten; [stoelen e.d.] klaarzetten; [op een (speel)bord] plaatsen; (3) iets naast iets anders stellen; vergelijken; opwegen; (4) aan een stuk door [praten, klagen enz.]; [klachten, gebreken enz.] opnoemen; opsommen
生る naru (vrucht) dragen; (vruchten) voortbrengen; (vruchten) leveren; (vrucht) zetten; (in de vrucht) gaan staan; [m.b.t. fruit] groeien
署名する shomeisuru ondertekenen; tekenen; signeren; aftekenen; zijn handtekening plaatsen; zetten
仕掛ける shikakeru (1) beginnen (met; aan; te); een begin maken met; (2) voorbereiden; in gereedheid brengen; [爆発物を] plaatsen; [罠を] zetten; opzetten; [地雷を] leggen; (3) het met iem. aanleggen; uitdagen; provoceren; uitlokken; [喧嘩を] zoeken
施行する shikousuru [法律を] uitvoeren; ten uitvoer brengen; ten uitvoer leggen; toepassen; in werking stellen; zetten
熟す konasu (1) aan; in; tot gruis slaan; in stukken breken; uit elkaar doen vallen; stukbreken; brekend stukmaken; vergruizen; vergruizelen; verpulveren; verkruimelen; fijnmaken; (2) verteren; verwerken; digereren; (3) afhandelen; behandelen; [仕事を] klaren; opknappen; doen; afdoen; volbrengen; afmaken; afwerken; klaarspelen; fiksen; (4) verkopen; van de hand doen; zetten; (5) [役を] spelen; brengen; zijn rol volhouden; in zijn rol blijven
接する sessuru (1) grenzen (aan); aanliggen (tegen); palen (aan); liggen (aan); reiken tot aan; komen tegen; belendend; contigu; naburig zijn; (2) zich bezighouden met; behandelen; omgaan met; omspringen met; [m.b.t. clientèle] bedienen; dienen; zorgen voor; (3) in aanraking; contact komen met; te maken krijgen met; ontmoeten; ervaren; tegen het lijf lopen; stoten op; stuiten op; vinden; aantreffen; tegenkomen; betrokken raken bij; [een ongeval enz.] krijgen; [m.b.t. nieuws] vernemen; (4) [ook m.b.t. wisk.] raken (aan); aanraken; ; in aanraking; contact brengen met; aanbrengen; zetten; plaatsen tegen
止める tomeru (1) stoppen; stopzetten; stilleggen; stilhouden; laten stilstaan; stillen; stuiten; tot stilstand brengen; stilzetten; tot staan brengen; parkeren; stallen; [aan de kant enz.] zetten; neerzetten; arrêteren; [de dief enz.] houden; een halt toeroepen; een punt zetten achter ~; een einde maken aan [een ruzie enz.]; ophouden; stremmen; [de aanvoer enz.] staken; afbreken; afsnijden; [een paard enz.] tegenhouden; vasthouden; aanhouden; inhouden; keren; [fig.] afdammen; [m.b.t. geluid, pijn] weren; ophouden; stelpen; (2) [het licht enz.] uitdoen; uitschakelen; [m.b.t. gas, water, radio] uitdraaien; dichtdraaien; afsluiten; uitzetten; afzetten; [de stroom] afbreken; afsnijden; (3) [m.b.t. inflatie enz.] bedwingen; beheersen; afremmen; beteugelen; breidelen; in toom houden; in bedwang houden; intomen; [de groei enz.] belemmeren; (4) beletten; verhinderen; verbieden; voorkomen; ontzeggen; verhoeden
畳む tatamu (1) opvouwen; vouwen; samenvouwen; opklappen; [i.c.m. 旗; 帆を] opdoeken; [i.c.m. 旗; 帆を] bergen; [i.c.m. 扇; 翼を] dichtvouwen; [i.c.m. テントを] opbreken; [i.c.m. 本を] sluiten; [i.c.m. 本を] dichtdoen; [i.c.m. 石; 煉瓦 enz.] opstapelen; (2) opdoeken; opheffen; voorgoed sluiten; [uitdr.] zijn matten oprollen; er een einde aan maken; [een zaak enz.] aan de kant doen; zetten; stopzetten; liquideren; (3) [in zijn hart enz.] wegsluiten; [in gedachten enz.] houden; niet uiten; oppotten; [oneig.] opkroppen; (4) afmaken; van kant maken; uit de weg ruimen; opruimen; liquideren; [Barg.] mollen
出す dasu (1) te voorschijn halen; uithalen; eruit halen; [gew., お酒を] ophalen; naar buiten brengen; uitnemen; [トランプの札を] uitspelen; opspelen; zetten; [外に] uitlaten; buitenlaten; [水を] openzetten; laten lopen; lozen; (2) uitsteken; [旗を] uithangen; (3) uiten; slaken; [音; サインを] geven; maken; produceren; (4) publiceren; uitgeven; uitbrengen; op de markt brengen; uitvaardigen; openbaren; tonen; [i.h.b.] onthullen; ontbloten; laten blijken; aan de dag leggen; tentoonspreiden; uitstallen; etaleren; (5) serveren; opdienen; voorschotelen; te berde brengen; aankomen met; komen aanzetten met; leveren; afleveren; verschaffen; opgeven; verstrekken; aanbieden; presenteren; uitreiken; [証を] aanvoeren; (6) insturen; inzenden; inleveren; indienen; [新人選手を] inzetten; (7) sturen; zenden; afvaardigen; verzenden; opsturen; versturen; (8) uitsturen; uitzenden; [ガスを] uitstoten; emitteren; [熱を] ontwikkelen; (9) doen vertrekken; [船を] uitzetten; [列車を] inleggen; (10) 10. betalen; opbrengen; (11) 11. veroorzaken; opleveren; voortbrengen; geven; [スピードを] halen; opdrijven; (12) 12. [店; 支店を] openen; beginnen; ; (1) 13. […~] naar buiten …; uit-; (2) 14. […~] beginnen te …; het op een … zetten
立てる tateru (1) rechtop zetten; overeind zetten; opzetten; oprichten; opstellen; opslaan; opsteken; planten; [i.h.b.] stichten; [耳を] spitsen; (2) voordragen; [候補者として] voorstellen; aanstellen als; tot; installeren als; [王位に] plaatsen; benoemen tot; [証人を] oproepen; [代役を] opvoeren; (3) [計画; 規則を] maken; opstellen; ontwerpen; uitwerken; [目標を] stellen; [誓いを] afleggen; [意義を] opperen; [記録を] vestigen; (4) veroorzaken; teweegbrengen; [物音を] maken; [声を] verheffen; (een kik) geven; [湯気; 煙を] afgeven; [埃を] opjagen; [噂を] de wereld insturen; (5) [門; 戸; 雨戸; 障子を] sluiten; dicht doen; (6) [茶を] zetten; [i.h.b.] een theeceremonie uitvoeren; (7) respecteren; iem. in zijn waarde laten; [i.h.b.] steunen; [i.h.b.] bijstaan; ; enthousiast ~; geestdriftig ~ [aangesloten op de ren'yōkei]
回す; 廻す mawasu (1) (doen) draaien; draaien aan; wentelen; omdraaien; aandraaien; omwenden; omwentelen; omzwenken; ronddraaien; laten rondwentelen; aan het rollen brengen; doen tollen; [wasmachine, ventilator e.d.] aanzetten; [een vat, hoepel e.d.] (voort)rollen; (2) omgeven met [een muur, gracht enz.]; (3) doen reiken tot; (4) rondgeven; doorgeven; laten rondgaan; overhandigen; [塩を] aangeven; (5) uitzenden; sturen; rondzenden; omsturen; overzenden; opsturen; doorzenden; doorsturen; doorverwijzen [naar de specialist enz.]; overplaatsen; doorverbinden [met een ander toestelnummer]; (6) uitzetten; [op interest enz.] zetten; beleggen; ; rond-; om- [sluit aan op de ren'yōkei van dōshi]
捌く sabaku (1) goed uiteenhouden; niet verwarren; in het gareel houden; (2) kundig behandelen; in; op orde brengen; handig aanpakken; klaarspelen; regelen; afhandelen; oplossen; settelen; (3) uitleggen; uiteenzetten; uit de doeken doen; (4) van de hand doen; zetten; verkopen; (5) [髪; 裾を] losmaken; (6) [cul.] [鴨; 魚を] in plakken; stukken snijden; voorsnijden; trancheren; scheiden; (7) zich opvallend gedragen; (8) [shōgi] [駒を] oordeelkundig verzetten; hanteren; [honkb.] [球を] fielden; (9) [遊女が] iem. als klant afwijzen; weigeren
作動させる sadousaseru doen werken; doen draaien; doen lopen; doen functioneren; starten; in beweging zetten; brengen; aan de gang brengen; helpen; in werking brengen; zetten; stellen; activeren; actueren; aandrijven; drijven
売却する baikyakusuru verkopen; verhandelen; van de hand doen; zetten; afzetten
張る haru (1) zich opzetten; opzwellen; uitzetten; (2) verstrammen; verstijven; verstrakken; (3) 10. uitsteken; hoekig worden; (4) 11. zich uitstrekken (over het hele oppervlak); zich uitspreiden over; zich vormen; (5) 12. gespannen worden; nerveus worden; (6) 13. zich schrap zetten; trotseren; rivaliseren; (7) 14. prijzig zijn; duur zijn; nogal wegen; [i.h.b.] overtrokken zijn; ; (1) spannen; aanspannen; opspannen; strekken; [m.b.t. touw, lijn enz.] scheren; [gordijnen enz.] ophangen; [zijn takken enz.] uitspreiden; [テントを] opslaan; opzetten; [de vleugels] uitslaan; [de zeilen] zetten; rekken; (2) bespannen (met); aanbrengen; [壁紙を] behangen; [met stof enz.] overtrekken; bekleden (met); voorzien van; (3) [met water enz.] vullen; (4) [stelling enz.] nemen; [een zaak] opzetten; drijven; [een banket] aanrichten; [zijn macht, recht enz.] doen gelden; [geld enz.] zetten (op); verwedden; [zijn zin] doordrijven; (5) op de uitkijk staan; [naar een verdachte enz.] uitkijken; opwachten; (6) [zijn schouders enz.] rechten; [de ellebogen enz.] uitsteken; [de borst enz.] vooruit steken; (7) een klap geven; een draai om de oren geven; meppen; [sumō-jargon] harite 張り手 toebrengen
発動する hatsudousuru (1) in beweging brengen; zetten; in werking stellen; aan het werk zetten; inschakelen; op gang brengen; aan het rollen brengen; aanzetten; starten; (2) [jur.] uitoefenen; laten gelden; gebruiken; aanwenden; toepassen; inzetten; een beroep doen op; inroepen; (3) activeren; dynamiseren
填める hameru (1) [een deur enz.] inmonteren; monteren; fitten; inpassen; vatten; [een diamant enz.] zetten; invatten; inkassen; [goudsm.] kassen; (juist) plaatsen; inzetten; inbrengen; inleggen; [een ring enz.] aandoen; [aan iems. vinger enz.] steken; omdoen; [handschoenen enz.] aantrekken; (2) verstrikken; vangen; foppen; bedotten; bedriegen; in de val laten lopen; beetnemen; [fig.] beethebben; erin laten lopen; bedotten; erin luizen; ertussen nemen; te pakken nemen; [uitdr.] te grazen nemen
填め込む hamekomu inpassen; invoegen; inzetten; invatten; zetten; monteren; inkassen
置く oku (1) plaatsen; zetten; leggen; stellen; installeren; (2) laten liggen; achterlaten; (3) laten; zo laten; toelaten; toestaan; (4) oprichten; vestigen; instellen; stichten; grondvesten; openen; houden; (5) bewaren; opslaan; stockeren; conserveren; houden; een voorraad vormen; (6) uitzonderen; terzijde leggen; (7) erbij laten; er zich verder niet meer mee bemoeien; (8) tewerkstellen; werk geven; in dienst hebben; [bedienden] houden; (9) huisvesten; logeren; logies verlenen; (10) 10. aanstellen als; [een persoon] in een zekere functie plaatsen; benoemen; (11) 11. [soldaten] posteren; legeren; plaatsen; opstellen; (12) 12. een tussenruimte laten; een tijdsinterval laten; tijd tussen laten; afscheiden; op een afstand houden [zie ook het suffix -oki 置き]; (13) 13. verpanden; belenen; in onderpand geven; (14) 14. [m.b.t. een laagje goud, zilver etc.] voorzien; beleggen; bekleden; vergulden; verzilveren; (15) 15. [m.b.t. dauw, rijp, rijm, nachtvorst etc.] zich vormen; (16) 16. iets op voorhand doen; iets alvast doen [na een て-vorm van een werkwoord]; (17) 17. stoppen met schrijven; de pen neerleggen; een brief afsluiten
傾ける katamukeru (1) kantelen; doen overhellen; doen hellen; neigen; schuin houden; zetten; scheef houden; zetten; (2) tot de ondergang brengen; ruïneren; te gronde richten; verruïneren; [volkst.] verrinneweren; [gew.] reneweren; (3) richten; neigen; concentreren; wijden; [耳を] aanhoren
掛ける kakeru (1) ophangen; hangen; behangen; [鉤に] vasthaken; [十字架に] slaan; [審議に] aanhangig maken; (2) zetten tegen; plaatsen tegen; (3) bedekken; afdekken; spreiden over; overspreiden; overdekken; leggen op; [火に] op het vuur zetten; (4) [ケーブルを] leggen; [橋を] aanleggen; slaan; bouwen; installeren; (5) gaan zitten; plaatsnemen; zich neerzetten; (6) besprenkelen; gieten over; uitgieten over; begieten; bestrooien; [火を] in brand steken; [サラダにドレッシングを] aanmaken; (7) [眼鏡を] opzetten; [ショールを] omdoen; bekleden met; aankleden; (8) [ボタンを] dichtdoen; vastmaken; [錠を] sluiten; grendelen; vergrendelen; (9) [電話を] telefoneren; bellen; opbellen; een telefoontje plegen; [電報を] telegraferen; (10) 10. wegen; het gewicht vaststellen; (11) 11. vermenigvuldigen; (12) 12. [望みを] een wens doen; z'n hoop vestigen op; [問いを] richten; [思いを] verliefd worden op; [人に…の疑いを] aankijken op; (13) 13. [税を] opleggen; heffen; [面倒を] berokkenen; veroorzaken; bezorgen; aandoen; [心配を] met bezorgdheid vervullen; bezorgdheid teweegbrengen; zorgwekkend zijn; zorgen baren; verontrusten; troebleren; (14) 14. [機械を] aanzetten; [目覚し時計を] zetten; [ミシンを] met; op de machine naaien; [アイロンを] strijken; [レコード; CDを] opzetten; afdraaien; [時計のねじを] opwinden; (15) 15. [暇; 金を] besteden aan; (16) 16. [賞金を] uitloven; (17) 17. [診療に] onder medische behandeling plaatsen; onderwerpen aan; laten opnemen; [裁判に] voor het gerecht brengen; voor de rechter brengen; voorbrengen; laten voorkomen; consulteren; (18) 18. [雌牛を雄牛に] stieren; naar; onder de stier brengen; laten paren; laten bollen; (19) 19. [心に] denken aan; in acht nemen; in gedachten houden; voor ogen houden; rekening houden met; zich aantrekken; ter harte nemen; indachtig zijn; gedachtig zijn; onthouden
当てる ateru (1) [ガーゼを] aanbrengen; [体温計を] aanleggen; zetten; leggen; opleggen; houden aan; tegen; plaatsen; drukken; (2) treffen; slaan tegen; inslaan in; raken; (3) raden; gokken op; oplossen; (4) winnen; succes behalen; boeken; het maken; z'n slag slaan; (5) blootstellen; in contact brengen met; onderwerpen aan; (6) gaan zitten op; plaatsnemen op; (7) [生徒に] het woord geven aan; de beurt geven; om antwoord vragen
宛てがう ategau (1) aanbrengen; aanleggen; zetten; leggen; houden aan; (2) toewijzen; aanwijzen; toekennen; toebedelen; bestemmen; reserveren; (3) geven; voorzien van; leveren; verschaffen; verlenen; aanreiken; bezorgen; aan de hand doen; [仕事を] gunnen; (4) voor iem. uitkiezen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.62 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 37 treffers (zoekopdracht: 'zetten', strategie: exact). 
2005-2019