日蘭辭典+

22 resultaten voor ‘zien’
日蘭辭典 (trefwoord)
miru見る
(視る、觀る、觀る) t.w. (1) [見る] zien; aankijken. (2) [視る] kijken; aanschouwen. (3) [視察する] inspecteeren. (4) [遭遇する] ondervinden. (5) [試みる] probereeren; beproeven. (6) [觀察する] opnemen; waarnemen. (7) [判斷] beoordelen. (8) [凝視] staren. (9) [診察] onderzoeken. ¶ 見易い zichtbaar; duidelijk. ¶ 見るに足る bezienswaardig. ¶ 上に見よ zie boven. ¶ やって見る trachten om; probeeren. ¶ 上衣を着て見る jas aanpassen. ¶ 私の見る所では naar mijne meening; zooals ik het inzie. ¶ 大體より見て over ’t geheel beschouwd. ¶ どう見ても hoe men het ook beschouwt. ¶ 見ずに買ふ een kat in den zak koopen. ¶ 脈を見る pols voelen. ¶ 醫者に見て貰ふ dokter consulteeren. ¶ 辭書で見る in een woordenboek opzoeken. ¶ あてて見給へ raad eens. ¶ 痛い目を見る bittere ervaring hebben.
amage雨氣
(雨気) ¶ 雨氣を催し來た het ziet er uit naar regen.
amaru餘る
(余る) i.w. (1) [殘る] overblijven; te boven gaan; overschieten; resteeren. (2) [目に餘る] te groot om te overzien (餘り大きい); niet om aan te zien (餘りひどい). ¶ 力に餘る boven zijn krachten; boven zijn macht. ¶ 手に餘る niet te bedwingen; niet aankunnen; niet opgewassen zijn tegen.
ima
bw. (1) [現今] nu; thans; op ’t oogenblik; tegenwoordig; heden ten dage. (2) [直に] dadelijk; onmiddellijk. (3) [たった] zoo even; zoo juist; daar net. (4) [更に] nog; nogeens; nog meer. ¶ tegenwoordig; huidig; bestaand. ¶ から van nu af aan; voortaan; in ’t vervolg. ¶ までも tot nu toe; nog altijd. ¶ では dezer dagen; tegenwoordig; in den laatsten tijd. ¶ 迄 tot dusverre; tot nu toe. ¶ voorlopig; op het oogenblik; zooals de toestand nu is. ¶ 迄にない事件 iets, dat nog nooit is voorgekomen. ¶ かと in groote spanning. ¶ に始めぬ van ouden datum. ¶ に zoo dadelijk. ¶ に見ろ je zult het dadelijk zien. ¶ にも降りさうです het ziet er uit of het zoo dadelijk zal gaan regenen. ¶ 少し下さい geef mij nog wat. ¶ 二寸長く切って下さい snijd het twee duim langer af. ¶ 一つの方を下さい geef mij liever de andere.
mieru見える
i.w. (1) [に映る] zichtbaar zijn; gezien kunnen worden; in ’t gezicht komen. (2) [らしい] er uitzien als; aanzien hebben van; schijnen te zijn. (3) [出現] opdagen; verschijnen; komen. ¶ 見えなくなる onzichtbaar worden; verdwijnen. ¶ 見え出す in het gezicht komen. ¶ 日本人とは見えない hij ziet er niet uit als een Japanner. ¶ 病氣見える hij schijnt ziek te zijn. ¶ 先生はまだ見えない de leeraar is er nog niet.
kokorozashi
zn. (1) [意向] wil m.; meening v. (2) [意圖] bedoeling v. (3) [目的] doel o. (4) [親切] welwillendheid v.; vriendelijkheid v. (5) [贈物] geschenk o. ¶ 志を達する zijn doel bereiken; zijn wensch vervuld zien. ¶ 志を抱く een doel hebben. ¶ お志だけ澤山です ik neem gaarne den wil voor de daad.
SUPPLEMENT (trefwoord)
dare hitori誰一人
(frase) niemand; geen een/één (persoon); niet een/één (persoon) (in ontkennende zinnen). ¶ 彼らのことは誰一人知らない。 Karera no koto wa dare hitori shiranai. Ik ken niemand van ze. ¶ 誰一人、犯人を見ていない。 Dare hitori, hannin wo mite inai. Niemand heeft de misdadiger gezien. (yasamv) ¶ 誰一人僕の言うことに耳を貸そうとしなかったんだ。 Dare hitori boku no iu koto ni mimi wo kasō to shinakattan da. Er was niemand die wou luisteren naar wat ik te zeggen had. ¶ その仕事のお手伝いが出来る人はここには誰一人いません。 Sono shigoto no o-tetsudai ga dekiru hito wa koko ni wa dare hitori imasen. Er is hier niemand die je kan helpen met het werk. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <zien>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
目す mokusu (1) zien; bezien; bekijken; (2) beschouwen; aanzien; houden voor; achten; (3) met het oog wenken; een oogwenk geven
望む nozomu (1) een uitzicht hebben; (in de verte) zien; uitzien; overzien; overkijken; [w.g.] afogen; uitkijken; (2) wensen; willen; verlangen; begeren; verkiezen; believen; uit zijn op; staan naar; ambiëren; streven naar; dingen; verhopen; hopen; verwachten; uitkijken naar; vlassen op; talen naar; [Barg., volkst.] spinzen (op)
付き合う tsukiau (1) omgaan met; optrekken met; zich ophouden met; in gezelschap verkeren van; [bep. mensen enz.] zien; betrekkingen onderhouden met; omgang hebben met; contacten hebben met; [slecht; goed enz.] kunnen opschieten met; [goed; nauwelijks enz.] bevriend zijn met; [i.h.b.] verkering hebben met; een relatie hebben (met); met elkaar gaan; uitgaan met; vrijen; (2) gezelschap houden; vergezellen; meedoen met
分かる wakaru (1) begrijpen; verstaan; snappen; vatten; zien; inzien; beseffen; te weten komen; beetkrijgen; er achter komen; hoogte krijgen van; er wijs uit kunnen (worden); herkennen; onderkennen; kunnen volgen; begrijpelijk zijn; zich een begrip vormen van; (2) begrip kunnen opbrengen voor; begip tonen; begripvol zijn; redelijk zijn; (3) blijken (te zijn); duidelijk worden; aan het licht komen; vinden; weten; kennen; geïdentificeerd zijn; (4) waarderen; appreciëren; gevoel hebben voor; verstand hebben van; smaken
認める mitomeru (1) opmerken; zien; bespeuren; bekennen; waarnemen; in de gaten hebben; getuige zijn van; (2) [schuldig enz.] bevinden; vinden; achten; menen; oordelen; beschouwen; aanzien; houden voor; van mening zijn dat; (3) toegeven; erkennen; inzien; aanvaarden; accepteren; aannemen; honoreren; goedkeuren; toelaten; toestaan; sanctioneren; (4) erkennen; waarderen; appreciëren
見做す minasu beschouwen; aanzien; bezien; houden voor; achten; zien; opvatten; vinden; aanmerken; (zich) aanrekenen
見える mieru (1) zichtbaar zijn; gezien kunnende worden; te zien zijn; in zicht zijn; verschijnen; zien; (2) kunnen zien; in staat zijn te zien; (3) vinden; aantreffen; waarnemen; (4) komen; aankomen; opdagen; arriveren [beleefdheidsvorm voor kuru 来る]; (5) eruitzien (als); lijken; toeschijnen; voorkomen; de indruk wekken
見る miru (1) [iets bij wijze van proef doen]; (2) als je zou …; mocht je …; [gew.] moest je … [eindigend op de partikels ば of と]; (3) nu …; nou …; in de zich thans voordoende situatie dat … [eindigend op het partikel ば]; (4) wanneer …; toen … [eindigend op de partikels ば of と]; (5) ware … het geval; ; (1) zien; kijken (naar); [inform.] loeken; bekijken; bezien; aanzien; aankijken; gadeslaan; bezichtigen; beschouwen; [arch.] aanschouwen; [lit.t.] blikken; [Barg.] brillen; [Barg.] spannen; afgaande op …; getuige [het feit dat … enz.]; te oordelen naar …; uitgaande van …; (2) lezen; doorkijken; [新聞を] doorlopen; inzage nemen; inzien; naslaan [in een woordenboek e.d.]; raadplegen; consulteren; nazien; nagaan; checken; controleren; (3) ervaren; meemaken; ondervinden; beleven; (4) zorgen voor; verzorgen; passen op; letten op; toezien op; behartigen; waken over; toezien op; verplegen; [面倒を] zich aantrekken
御覧になる goranninaru (1) zien; aankijken [Dit werkwoord is de honorifieke vorm (sonkeigo 尊敬語) van miru 見る.]; (2) bekijken; aanschouwen [Dit werkwoord is de honorifieke vorm (sonkeigo 尊敬語) van miru 見る.]
捕らえる toraeru (1) vatten; pakken; grijpen; vangen; snappen; klissen; (2) te pakken krijgen; weten te vangen; [de kans] krijgen; [een idee] aangrijpen; bemachtigen; de hand leggen op; beetpakken; beetkrijgen; beetnemen; weten vast te leggen; [fig.] captiveren; (3) gevangennemen; arresteren; aanhouden; oppakken; inrekenen; [uitdr.] in de kraag vatten; [m.b.t. een bende] oprollen; [Barg.] schutten; (4) snappen; verstaan; komen achter [de waarheid enz.]; (kunnen) volgen; beethebben; begrijpen; bevatten; inzien; omvatten; (5) opvangen; zien; bemerken; gewaarworden; (6) aangrijpen; aanpakken; aandoen; roeren; ontroeren; treffen; raken; een diepe indruk maken op
直面する chokumensuru geconfronteerd worden met; oog in oog staan met; zich geplaatst; gesteld zien voor; voor ogen hebben; zien; onder ogen zien; staan tegenover
気付く kizuku opmerken; bemerken; weten; zien; bespeuren; ontwaren; waarnemen; voelen; beseffen; erg hebben in
拝見する haikensuru een kijkje nemen; in ogenschouw nemen; bekijken; bezichtigen; kijken naar; zien; inzien; beschouwen; [i.h.b.] lezen; [i.h.b.] onderzoeken; [i.h.b.] inspecteren
表明する hyoumeisuru uitdrukken; uiten; betuigen; manifesteren; laten blijken; zien; openbaren; blijk geven; tonen; duidelijk maken; kenbaar maken; te kennen geven; uitspreken; verklaren; aankondigen; bekendmaken; verkondigen; getuigen van; getuigenis afleggen van
会う au ontmoeten; zien; treffen; [突然~] aantreffen; stoten op; tegen het lijf lopen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.41 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 15 treffers (zoekopdracht: 'zien', strategie: exact). 
2005-2019