日蘭辭典+

28 resultaten voor ‘zijde’
日蘭辭典 (trefwoord)
ankoku暗黑
(暗黒) zn. duisternis v.; donkerheid v.; donkerte v. ¶ 暗黑donker; pikdonker; stikdonker. ¶ 暗黑面 de donkere zijde.
anoyoあの世
zn. hiernamaals o. ¶ あの世から van gene zijde van het graf.
hōmen方面
zn. (1) [方向、側] richting v.; zijde v.; kant m. (2) [見地] oogpunt o. ¶ 各方面より van alle kanten. ¶ 問題のすべての方面硏究する een kwestie van alle zijden bezien. ¶ 東京方面へ in de richting van Tokyo. ¶ 教育方面より見れば uit een opvoedkundig oogpunt. ¶ 此の方面は不案内でず ik ben in deze buurt niet bekend.
ichimen一面
zn. (1) [一方] een zijde v. (2) [一帶] de geheele oppervlakte v. ¶ 新聞一面 de eerste bladzijde van een courant. ¶ 一面識ある oppervlakkig kennen; een enkele maal ontmoet hebben.
hai-suru排する
t.w. (1) [打勝つ] overwinnen; i.w. te boven komen. t.w. (2) [押開く] openduwen; forceeren. (3) [排斥] uitsluiten; ter zijde zetten. ¶ 困難を排する moeilijkheden overwinnen.
naname
(斜め) zn. scheefheid v.; schuinte v. ¶ 斜の schuin; scheef; hellend. ¶ 斜に傾く hellen; schuin staan. ¶ 斜に見る van ter zijde aanzien; een schuinen blik slaan.
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:Aozora Bunko╱Mori Ōgai╱De wilde gans 〈1:8〉〈青空文庫〉森鴎外『雁』
時々はその箱火鉢の向側にしゃがんで、世間話の一つもする。

Ook zal hij af en toe aan de tegenoverliggende zijde van de stoof neerhurken om een praatje te maken.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <zijde>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
soba (1) zijde; zij; kant; flank; langs …; (2) nabijheid; buurt; naast …; bij …; aan …; nabij …; nabijgelegen …; dichtbij …; dichtbijgelegen …; naburig …; (3) [RTK~から] zodra (als); meteen (toen; als)
側面 sokumen (1) zijde; zij; kant; zijkant; flank; (2) aspect
te 22. [maatwoord voor shogi-; schaakzetten]; ; (1) 16. hand-; handgemaakt; handgemaakte …; (2) 17. hand-; meeneem-; (3) 18. [~keiyōshi; keiyōdōshi] [beklemtonend voorvoegsel]; ; (1) 19. in de richting van …; -waarts; (2) 20. [noemt een zekere kwaliteit]; (3) 21. [RYK~] -er [achtervoegsel waarmee nomina agentis gevormd worden]; ; (1) hand; [volkst.] jat; [inform.] klauw; krauwel; [Barg.] fietsen; (2) arm; (3) poot; [i.h.b.] voorpoot; (4) handvat; oor; (5) [meton.] hand; arbeidskracht; kracht; hulpkracht; hulp; helper; (6) [meton.] iems. handen; iems. bezit; (7) handschrift; schrift; (8) middel; truc; foefje; manoeuvre; techniek; (9) verwonding; wond; (10) 10. [将棋の] zet; (11) 11. [トランプの] hand; kaarten; (12) 12. richting; kant; zijde; (13) 13. soort; slag; merk; (14) 14. vaardigheid; bekwaamheid; (15) 15. betrekking; band
suji 11. [maatwoord voor langgerekte objecten zoals rivieren, obi's, lijnen, rookkolommen, wegen enz.]; ; (1) vezel; draad; [oneig.] zeen; [oneig.] pees; [oneig.] spier; (2) ader; (3) aanleg; talent; gave; (4) lijn; streep; voor; vore; (5) [geneal.] lijn; linie; afstamming; afkomst; komaf; descendentie; bloed; (6) draad; plot; intrige; verwikkeling; rode draad; verhaallijn; (7) rede; logica; ratio; zinnigheid; (8) [確かな; 信頼すべき~] zijde; bron; kringen; (9) traject; tracé; (10) 10. [囲碁; 将棋の] cruciale zet
一方 ippou aan de ene kant; enerzijds; ; (1) zijde; ene kant; andere kant; (2) partij; ene partij; andere partij; (3) enkele reis [in tegenstelling tot een reis heen en terug]; (4) [in combinatie met een voorafgaand werkwoord dat niet in de verleden tijd staat] blijven …; niets anders doen dan …; enkel maar …
gen a. scheepsboord; ; (1) [scheepv.] boord; scheepsboord; zijde; zij; scheepszijde; (2) [plantk.] [花弁の] rand; boord; zoom; limbus
hou (1) richting; kant; zijde; ~ heen; -waarts; [mijner-, jouwer-, enz] -zijds; (2) vlak; (competentie)gebied; terrein; domein; (3) veeleer ~; aan de ~ kant; eerder ~ (dan ~); wat beter; verkieslijker enz. is [verwijst vaak naar het voorkeursalternatief]; (4) kwadraat; tweede macht; vierkant; (5) methode; manier; wijze
hen (1) buurt; omgeving; omtrek; wijk; gebied; gewest; omstreek; rondte; nabijheid; (2) omtrent ~ [drukt een benadering uit]; (3) [wisk.] zijde; rib [van meetkundige figuur]
waki (1) zijde; zij; zijkant; flank; (onder de) oksel; (2) zijde; kant; (3) [nō-jargon] bijrol; bijfiguur; deuteragonist; waki; (4) tweede strofe in een Japans kettinggedicht (renga 連歌)
弱点 jakuten zwakke plek; plaats; zwak; teer punt; zwak; achilleshiel; zwakheid; kwetsbare plaats; zijde; gevoelige; pijnlijke; zere plek; gebrek; tekortkoming
tan kort; kortstondig; ; (1) gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; fout; mankement; tekort; behepsel; euvel; zwakke plek; plaats; zijde; zwak punt; manco; defect; [form.] feil; (2) [muz.] mineur; (3) tanka [verkorting van tanka 短歌]
短所 tansho gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; fout; mankement; tekort; behepsel; euvel; zwakke plek; plaats; zijde; zwak punt; zwakte; zwakheid; nadeel; ongunstige factor; min(punt); tegen; deficiëntie; imperfectie; onvolmaaktheid; manco; defect; [form.] feil
長所 chousho (1) sterk punt; sterke kant; zijde; goede; beste eigenschap; kwaliteit; fort; het voor; gunstig element; plus; (2) verdienste; merite; (3) voordeel; pluspunt; winstpunt; aanwinst; [fig.] troef; [gew., veroud.] avantage
サイド saido (1) kant; zijde; zij; (2) [sportt.] ploeg; team; ; bij-; neven-
kinu (1) zijdevezel; (2) zijdeweefsel; zijde; zij
yoko (1) horizontale richting; zijdelingse richting; dwarse richting; dwarste; transverse richting; transversale richting; (2) zijde; zij; boord (van een schip); (3) breedte; wijdte; (4) buitenaf
men [maatwoord voor vlakke voorwerpen (bv.: spiegels, luiten, suzuri 硯 [inktstenen]; maskers; schaakborden; bundels papier; kaartspelen; tennisbanen e.d.)]; ; (1) gezicht; aangezicht; gelaat; figuur; snuit; snoet; smoel; facie; [inform.] toet; [volkst.] snufferd; [volkst.] bakkes; [vulg.] smoelwerk; [volkst., fig.] postzegel; [Barg.] treiter; [Barg., volkst.] ponem; [min.] tronie; [Barg.] gebbe; [Barg.] kakement; [slang] fiselefasie; [slang] fiselemie; (2) masker; mombakkes; mom; [Barg.] schiebaart; (3) masker [bij lassen, sport: kendō, honkbal enz.]; (4) pagina (van een krant); bladzijde; (5) [wisk.] oppervlakte; vlak; (6) [technol.] facet [afschuining onder een hoek van 45°]; helling; schuinte; wand; (7) kant; aspect; zijde; latus; vlak; opzicht; gebied; (8) men [klap in het gezicht: bepaalde score in het kendō]
傍ら katawara naast; buiten; behalve; daarnaast; daarbuiten; [gew.] nevens; [gew.] neffens; ; zijde; zij; kant; zijkant
kawa (1) zijde; zij; kant; rij; (2) [時計の] kast; omhulsel
gawa (1) kant; zijde; zij; (2) partij; iems. aanhang; (3) [m.b.t. horloge] kast; omhulsel
友禅 yuuzen (1) yūzen-verfmethode [= zijdeverftechniek met rijstpasta-coating]; (2) yūzen-weefsel; [i.h.b.] zijde; kimono met yūzen-druk; (3) Yūzen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.44 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 21 treffers (zoekopdracht: 'zijde', strategie: exact). 
2005-2019