日蘭辭典+

24 resultaten voor ‘zitten’
日蘭辭典 (trefwoord)
amari餘り
(余り) zn. (1) [以上] meerdere o.; overmaat v. (2) [殘餘] rest v.; restant v.; overschot o.; teveel o. (3) [差額] saldo o. ¶ 悲しさの餘り overmaat van smart. ¶ 四十餘り over de veertig. ¶ 食事の餘り overblijfselen van eten. ¶ 餘りはお前にやる je mag de rest houden. (俗) laat maar zitten. ¶ 餘りの resteerend; waardeloos.
agura胡座
zn. gekruiste beenen v.mv. ¶ 胡座をかく met gekruiste beenen zitten.
suwaru座る
(坐る、据る据わる) i.w. zitten (op den grond); gezeten zijn. ¶ 度胸が据はる zich verstouten.
zaga坐臥
(座臥) zn. zitten en liggen; dagelijksch leven o.
damaru默る

(黙る) i.w. zwijgen. ¶ 默って zwijgend; zonder iets te zeggen. ¶ 默って居て zonder iets te doen; zonder een hand uit te steken. ¶ 默れ zwijg!; hou je mond!; stilte! ¶ こんなをされては默って居れぬ ik kan dat niet op me laten zitten.

kakeruかける
(掛ける, 懸ける) (1) [吊す] ophangen; hangen. (2) [計量する] wegen. (3) [かけ渡す] bouwen; leggen; slaan. (4) [果す] opleggen; heffen. (5) [心配を] veroorzaken; bezorgen. (6) [, 時間を] besteden. (7) [錠を] sluiten. (8) [乘ずる] vermenigvuldigen. (9) [注ぎかける] besprenkelen. i.w. (10) [腰を] gaan zitten. t.w. (11) [を放す] in brand steken. (12) [掛を] afbetalen. (13) [交尾さす] laten paren. (14) [著せる] aankleeden; bekleeden met. (15) [上へ廣げる] overdekken met; overspreiden. (16) [鑑定に] onderwerpen aan. ¶ 電話線をかける telefoon aanleggen. ¶ 刷毛をかける afborstelen. ¶ かける vier met drie vermenigvuldigen. ¶ 電報をかける telegram zenden; telegrafeeren. ¶ 電話を掛ける telefoneeren; opbellen. ¶ 醫者かける dokter consulteeren. ¶ 氣に掛ける ter harte nemen. ¶ 問を掛ける vraag richten tot. ¶ 思を掛ける verliefd worden op. ¶ 讀み掛ける beginnen te lezen. ¶ に掛ける op het vuur zetten.
matagaru跨る
i.w. (1) [等に] schrijlings zitten op. (2) [亙る] zich uitstrekken over. (3) [等] overbruggen.
ji

zn. (1) [順序] volgorde v.; bn. (2) [の] volgend. ¶ 年度 het volgend boekjaar. ¶ 席に座る zitten naast. ¶ 第四 de vierde afmeting; de vierde dimensie.

SUPPLEMENT (trefwoord)
chōzai長座位
zn. postitie waarbij men met gestrekte benen zit; met gestrekte benen zitten.
TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:Aozora Bunko╱Mori Ōgai╱De wilde gans 〈1:7〉〈青空文庫〉森鴎外『雁』
大抵どの下宿屋にも特別に幅を利かせているがあるもので、そう云うは第一金廻りが好く、小気(こぎ)が利いていて、お上さんが箱火鉢を控えて据わっている前の廊下通るときは、きっと声を掛ける。

Vrijwel ieder pension heeft wel een gast die zich daar in bijzondere mate doet gelden, en die gast zit dan goed in de slappe was, is schrander, en zal wanneer hij de passage doorloopt ter hoogte van [de kamer] waar de hospita bij haar stoof zit, beslist uitgebreid groeten.

N.B. De uitdrukking 小気が利くkomt voor zover ik weet alleen voor in het werk van 森鴎外 (Mori Ōgai). De frase wordt vermeld in het boek 『名著にある美しい日本語』 (Mooi Japans in meesterwerken).
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <zitten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
似合うniau passen; betamen; voegen; sieren; [着物が] (goed) staan; (goed) zitten; (goed) kleden; [場合に] geschikt zijn; passend zijn; voegzaam zijn
sen (1) [~の] vorig; (2) voorheen; eertijds; vroeger; (3) voorbeurt; (4) [go; shōgi] het eerst moeten uitspelen; aan de voorhand zijn; zitten; (5) [ここを~と] erop of eronder; alles of niets; (a) voorst; meest vooruit; (b) voorafgaand; voorgaand; (c) het initiatief nemen; pionier; (d) vooraf; op voorhand; (e) vroeger; eerder; tevoren; (f) vorig; (g) tegenpartij
刺さるsasaru blijven steken; vast (blijven) zitten; blijven hangen; vastraken; klem raken
合うau (1) passen; gepast zijn; passend zijn; geschikt zijn; zitten; (2) goed staan; passen; betamen; behoren; voegen; sieren; (3) overeenstemmen; overeenkomen; stroken; matchen; beantwoorden aan; in overeenstemming zijn; harmoniëren; samengaan; samenvallen; coïncideren; (4) kloppen; juist zijn; correct zijn; [帳尻が] sluiten; gelijk uitkomen; (5) [時計が] gelijklopen; (6) renderen; lonend zijn; de moeite lonen
困るkomaru (1) in moeilijkheden zijn; zitten; ellende ondergaan; in nood zijn; in benarde omstandigheden zijn; problemen hebben; ondervinden; in de problemen zitten; met een probleem zitten; omhoogzitten met; in problemen komen; in de nesten zitten; mooi uit zijn met; d'r mooi mee zitten; ertoe zitten; in verlegenheid zitten; omhoog zitten; in ongelegenheid zijn door; geen weg weten met; (2) lijden; afzien; bedroefd zijn; verdrietig zijn; verdriet hebben; (3) hulpbehoevend zijn; hulp nodig hebben; in nood zijn; verlegen zijn; zitten om; zich in armoede bevinden; tot armoede vervallen zijn; financieel aan de grond zitten; (4) verward zijn; verward staan; in de war zijn; niet weten wat te doen; verbluft staan; de kluts kwijt zijn; het noorden kwijt zijn; perplex staan; onthutst zijn; (5) verveeld raken; lastig gevallen worden; last ondervinden; gekweld worden; gehinderd worden; (6) ongerieflijk zijn; niet passen
寄り添うyorisou aan gaan liggen; zitten; staan tegen; zich nestelen bij; tegen; dicht aankruipen tegen; zich aanvlijen tegen; kroelen
i (1) verblijf; aanwezigheid; (2) het (gaan) zitten
断水するdansuisuru van watertoevoer afgesneden zijn; zonder water(voorziening) zitten
的中するtekichuusuru (1) het doel treffen; een voltreffer zijn; (in de roos) zitten; raak slaan; inslaan; [fig.] de spijker op de kop slaan; (2) juist raden
腰掛けるkoshikakeru gaan zitten; zitten; plaatsnemen [Dit werkwoord wordt enkel gebruikt voor het zitten op een stoel of een ander zitmeubel; maar niet voor het zitten op de grond.]
詰めるtsumeru (1) [op zijn post] blijven; zich paraat houden; op wacht staan; posten; (2) vullen (met); [koffers enz.] pakken; opvullen (met); stoppen; volstoppen; dichtstoppen; proppen; toeproppen; stouwen; [tandh.] plomberen; (3) (nauwer) doen aansluiten; dicht(er) opeen doen staan; zitten; dichter bij elkaar plaatsen; doen aanschikken; doen opeenpakken; aanhalen; (4) inkorten; verkorten; korter maken; bekorten; korten (met); afkorten; [m.b.t. kledingstuk] inleggen; [m.b.t. voorsprong; afstand] verkleinen; verminderen; [op de uitgaven enz.] besnoeien; bezuinigen; [de uitgaven enz.] beperken; inperken; [m.b.t. adem] inhouden; [m.b.t. vinger] knotten; (5) een eind maken aan [een discussie enz.]; beëindigen; afwikkelen; afronden; z'n beslag geven; ten einde brengen; de laatste hand leggen aan; (6) (onverdroten; onafgebroken; ononderbroken; continu; doorlopend; non-stop; de hele tijd; aanhoudend; constant) blijven ~; (geconcentreerd; ingespannen; intensief; intens) bezig zijn met ~; (7) schaak geven; schaak zetten; (schaak)mat zetten; (schaak)mat geven
足癖ashikuse (1) eigenaardige manier van lopen; zitten; (2) [sumō-jargon] voettechniek; voetwerk; voetenwerk
遅れているokureteiru (1) achter zijn; achterop zijn; zitten; achterblijven; achterliggen; achterstaan; achteraanblijven; geen gelijke tred houden; [gew.] in het achtergat zitten; (2) [時計が] achterlopen; achtergaan
違う ; 交うchigau (1) verschillen; schelen; uiteenlopen; ontlopen; verschillend; different; onderscheiden zijn; anders zijn (dan); afwijken; zich onderscheiden (qua); variëren (naargelang); ander(e) ~; (2) [m.b.t. antwoord enz.] verkeerd; fout; abuis; mis zijn; ernaast zijn; zitten; het mis hebben; [i.h.b.] zich vergissen; (3) [i.c.m. 気が] gek; krankzinnig worden; (4) [in de constructie ~ to chigau ~とちがう: de Kansai-variant van ~ dewa nai ~ではない]; (5) (elkaar) kruisen; (elkaar) passeren
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 0.65 sec. jiten.nl: 10 treffers, warandict: 14 treffers (zoekopdracht: 'zitten', strategie: exact). 
2005-2021