Digitalisatie van 日蘭辭典 Nichi-Ran jiten (Japans-Nederlands woordenboek), Peter Adriaan van de Stadt, 1934

Digitalisatie van 日蘭辭典

Deze pagina’s geven een overzicht van de voortgaande digitalisatie van het woordenboek 日蘭辭典 Nichi-Ran jiten (Japans-Nederlands woordenboek), van Peter Adriaan van de Stadt, samengesteld in 1934.

Zoek een pagina via paginanummer (tussen 1 en 1311) of een woord:

Pagina 100

daijin 大臣

zn. minister m. ¶ 大臣職 portefeuille v.

daijin 大盡

(大尽) zn. rijkaard m.; millionair m.

daijinbutsu 大人物

zn. groot man m.

daijizairyoku 大自在力

zn. almacht v.

daijō 大乘

(大乗) zn. Mahayana v.

daijōbu 大丈夫

(1) [安全] veiligheid v. (2) [確實] zekerheid v. ¶ 大丈夫の veilig; zeker; betrouwbaar. ¶ 大丈夫です maak u niet ongerust; ge kunt erop rekenen.

daijōfu 大丈夫

zn. groot man m.; man van eer; man van zijn woord.

daika 代價

(代価) zn. prijs m.; kosten mv.

daikaidō 大會堂

zn. kathedraal v,; dom m. domkerk v.

daikako 大過去

zn. meer dan volmaakt verleden tijd.

daikaku 臺閣

(台閣) zn. het kabinet o. ¶ 臺閣諸君 de ministers.

daikan 代官

zn. gedeputeerde m.; gedelegeerde m.

daikan 大寒

zn. hevige koude v.

daikibo 大規模

zn. groote schaal.

daikien 大氣焔

(大気焔, 大気炎) zn. opsnijderij v.

daikin 代金

zn. zn. prijs m.; kostprijs m.; kosten mv. ¶ 代金引換郵便 zending tegen rembours.

daikirai 大嫌い

zn. haat m.; afkeer m. ¶ 猫が大嫌い ik kan katten niet uitstaan; ik heb erg het land aan katten.

daikō 乃公

vnw. ik (尊大自稱の語).

daikoku 大黑

zn. God van den rijkdom. ¶ 大黑柱 steunpilaar; centraal pilaar.

daikon 大根

zn. knolraap v.; raap v.; slecht acteur (へぼ役者) m. ¶ 大根漬 gezouten knollen.

daiku 題句

zn. motto o.

daiku 大工

zn. timmerman m. ¶ 大工をする timmeren.

daikun-i 大勳位

(大勲位) zn. groote orde van de chrysanthemum.

daikyōji 大經師

(大経師) zn. behanger m.; maker van kakemono’s.

daikyū 大弓

zn. lange boog m. ¶ 大弓場 boog-schiet-terein.

daimeishi 代名詞

zn. voornaamwoord o. ¶ 不定代名詞 onbepaald voornaamwoord. ¶ 關係代名詞 betrekkelijk voornaamwoord. ¶ 人稱代名詞 persoonlijk voornaamwoord. ¶ 指示代名詞 aanwijzend voornaamwoord. ¶ 所有代名詞 bezittelijk voornaamwoord.

daimoku 題目

zn. (1) [題號] titel m. (2) [主題] onderwerp o.; thema o. (3) [日蓮宗の] gebed der Nichiren secte.

daimyō 大名 zn. daimyo m.; feudaal heer m.

Aantal gevonden regels: 28
Tijd: 0.261 sec.