日蘭辭典+

8 resultaten voor ‘minderen’
日蘭辭典 (trefwoord)
zōhyō雜兵

(雑兵) zn. gemeene soldaten m.mv.; minderen m.mv.

zassotsu雜卒

(雑卒) zn. gemeene soldaten m.mv.; minderen m.mv.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <minderen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
下がる sagaru (1) dalen; zakken; naar beneden komen; [ずぼん;靴下が] afzakken; zinken; (2) neerhangen; omlaag hangen; afhangen; [かーてんが] vallen; (3) achteruitgaan; achterwaarts gaan; naar achteren wijken; achteruitwijken; (4) [段階;程度;数値が] dalen; naar beneden gaan; afnemen; zakken; minder worden; teruglopen; minderen
消える kieru (1) [火が] uitgaan; doven; uitdoven; uitpieteren; verglimmen; [lit.t.] verblinken; [veroud.] uitblaken; [w.g.] verdoven; (2) [雪が] smelten; wegsmelten; dooien; (3) verdwijnen; uit het zicht verdwijnen; [fig.] in rook; damp opgaan; [fig.] verdampen; zich oplossen; vervagen; verijlen; [雲が] wegdrijven; [痛みが] wijken; geleidelijk minder worden; minderen; slijten; [望みが] vervliegen; [音が] wegsterven; versterven; [veroud.] verklinken; [gew.] verhelmen; [泡が] uiteenspatten; (4) uitsterven; ophouden te bestaan; [噂が] overwaaien; voorbijgaan; [鉱脈が] uitgeput raken; (5) wegslijten; afslijten; uitslijten
減らす herasu verminderen; minderen; reduceren; terugbrengen; herleiden; terugschroeven; verkleinen; kleiner maken; besnoeien; afbouwen; verlagen; bekorten; beperken; inkorten; inkrimpen; verkorten; inperken
減る heru (1) afnemen; verminderen; krimpen; teruglopen; kleiner worden; minder worden; minderen; achteruitgaan; dalen; slinken; zakken; inkrimpen; [i.h.b.] slijten; verslijten; (2) terugdeinzen; terugschrikken; versagen [meestal in combinatie met een negatie]
減少する genshousuru afnemen; teruglopen; dalen; verminderen; zakken; slinken; minderen; krimpen; achteruitgaan; vallen
絞る;搾る shiboru (1) persen; pijnen; pressen; uitpersen; uitknijpen; wringen; uitwringen; [牛乳;乳を] melken; [涙を] trekken; (2) inspannen; forceren; [智恵を] afpijnigen; pijnigen; [弓を] opspannen; spannen; [従業員を] zwaar drillen; zwaar trainen; (3) afdwingen; afzetten; afpersen; uitzuigen; knevelen; plukken; uitbuiten; exploiteren; (4) berispen; een uitbrander; schrobbering; standje geven; onder handen nemen; ernstig onderhouden; duchtig doorhalen; flink aanpakken; ervan langs geven; uitfoeteren; scherp terechtwijzen; [uitdr.] de mantel uitvegen; [uitdr.] de oren wassen; [uitdr.] het vuur na aan de schenen leggen; [uitdr.] door de wringer halen; (5) (alleen 絞る) samentrekken; dichtrijgen; [れんずを] sluiten; diafragmeren; (6) (alleen 絞る) lager; zachter zetten; minderen; verminderen; reduceren; doen afnemen; [えんじんを] smoren; knijpen; (7) (alleen 絞る) beperken; limiteren; terugbrengen; verengen; verfijnen; (8) (alleen 絞る) [sumō-jargon] in bedwang houden; eronder houden; inklemmen; zijn bewegingsvrijheid ontnemen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.43 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 6 treffers (zoekopdracht: 'minderen'). 
2005-2026