日蘭辭典+

22 resultaten voor ‘wegdoen’
日蘭辭典 (trefwoord)
uriharau賣拂ふ
(売り払う, 売払う) t.w. opruimen; geheel verkoopen; wegdoen; i.w. zich ontdoen van.
uritobasu賣飛す

(売飛す) t.w. wegdoen; opruimen; uitverkoopen.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <wegdoen>
仕舞う;終う shimau (1) sluiten; dichtdoen; [i.h.b.] voorgoed sluiten; stopzetten; opdoeken; opheffen; [met de zaak enz.] ophouden; (2) opbergen; bergen; wegbergen; wegdoen; wegleggen; wegzetten; wegstoppen; [i.h.b.] terugleggen; [i.h.b.] terugzetten; [i.h.b.] terugplaatsen; [i.h.b.] weer op zijn plaats zetten; leggen; [~ている;ておく] bewaren; opzijleggen; opslaan; (3) beëindigen; afmaken; eindigen; tot een eind brengen; een einde maken (aan); afsluiten; afronden
処分する shobunsuru (1) wegdoen; van de hand doen; afhandelen; beschikken; afdoen; maatregelen treffen; nemen; opruimen; afwikkelen; liquideren; (2) afrekenen met; onder handen nemen; straffen; een appeltje schillen met; (3) ruimen; afmaken; uit zijn lijden helpen; een spuitje geven
処理する shorisuru (1) afhandelen; afdoen; afwikkelen; uitmaken; regelen; opknappen; (2) wegdoen; zich ontdoen van; verwerken; wegwerken; (3) behandelen
売り払う uriharau verkopen; opruimen; van de hand doen; wegdoen
売り捌く urisabaku verkopen; opruimen; van de hand doen; wegdoen
始末する shimatsusuru (1) beheren; behandelen; afhandelen; in behandeling nemen; in orde brengen; verwerken; afdoen; regelen; voor z'n rekening nemen; behartigen; (2) zich ontdoen van; wegdoen; uit de weg ruimen; wegwerken; weggooien; (3) zuinig zijn met; sparen op; zuinig omgaan met; zuinig zijn met
廃す haisu (1) [制度を] afschaffen; afdanken; opdoeken; (2) [君主を] afzetten; aan de kant schuiven; zetten; van de troon stoten; onttronen; (3) [jur.] [法律を] herroepen; intrekken; opheffen; annuleren; tenietdoen; vernietigen; abrogeren; (4) [習慣を] ophouden met; stoppen met; opgeven; zich ontdoen van; wegdoen; afzien van
廃する haisuru (1) [制度を] afschaffen; afdanken; opdoeken; (2) [君主を] afzetten; aan de kant schuiven; zetten; van de troon stoten; onttronen; (3) [jur.] [法律を] herroepen; intrekken; opheffen; annuleren; tenietdoen; vernietigen; abrogeren; (4) [習慣を] ophouden met; stoppen met; opgeven; zich ontdoen van; wegdoen; afzien van
廃棄する haikisuru (1) wegdoen; weggooien; zich ontdoen van; afdanken; dumpen; wegwerpen; aan kant zetten; naar de schroothoop verwijzen; op de schroothoop gooien; aan de dijk zetten; (2) afschaffen; intrekken; opzeggen; herroepen; opheffen; abrogeren; tenietdoen; nietig verklaren; vernietigen; annuleren
廃止する haishisuru afschaffen; opheffen; een eind maken aan; beëindigen; ophouden met; opdoeken; wegdoen; [法律を] intrekken; herroepen; abrogeren; tenietdoen; vernietigen; nietig verklaren; ongedaan maken; annuleren
打ち遣る uchiyaru (1) weggooien; wegdoen; zich ontdoen van; (2) verwaarlozen; in de steek laten; aan zijn lot overlaten; dumpen; (3) op een afstand houden
打っ遣る utcharu (1) weggooien; wegdoen; zich ontdoen van; (2) verwaarlozen; in de steek laten; aan zijn lot overlaten; verlaten; achterlaten; opgeven; zich niet aantrekken; negeren; niet letten op; (3) [sumō-jargon] op z’n allerlaatst een achterwaartse pivot-worp uitvoeren; (4) [fig.] de rollen omdraaien; nog net de overwinning behalen; net niet verslagen worden
払う;掃う harau (1) verwijderen; wegdoen; opruimen; wegnemen; wegruimen; vrijmaken; ontruimen; (uit de weg) ruimen; weghalen; wegvegen; vegen; wissen; [een telraam] terugzetten op nul; zuiveren (van); [tranen enz.] afvegen; ontdoen van; [tuinb.] dieven; [tuinb.] afsnoeien; afhelpen van; verdrijven; verjagen; [een kwaal enz.] boeten; (2) [een zwaard e.d.] zwaaien; maaien; [i.h.b. iem. de voet] lichten; [een uithaal e.d.] afslaan; (3) betalen; neertellen; neerleggen; delgen; kwijten; contenteren; [een schuld] afdoen; [een schuld] afkomen; [een schuld] honoreren; [inform.] dokken; vereffenen; over de brug komen; overkomen; [m.b.t. rekening] gladmaken; [Barg.] roeren; [Barg.] besjollemen; (4) [eer] betuigen; [eer] bewijzen; [eerbied] betonen; zich [inspanningen] getroosten; zich [moeite] geven; (5) van de hand doen; verkopen; (6) [~に注意を] acht slaan op; aandacht besteden aan; aandacht schenken aan; letten op; opletten; bij de les blijven; achten; acht geven; oppassen
捨てる;棄てる suteru (1) wegwerpen; weggooien; wegsmijten; vergooien; dumpen; storten; afdanken; wegdoen; lozen; [kaartsp.] ecarteren; (2) in de steek laten; aan zijn lot overlaten; achterlaten; verlaten; laten zitten; laten zakken; verzaken; weggaan bij; de bons geven; (3) opgeven; prijsgeven; laten varen; neerleggen; abandonneren; afstand doen van; afstappen van; aan de kant zetten; schuiven; vaarwel zeggen; de rug toekeren; renonceren; verloochenen; afzweren; zich niet meer storen aan; laten vallen; verloren geven; [fig.] overboord gooien; [uitdr.] op de schroothoop gooien; [uitdr.] met de vuilnisman meegeven; [uitdr.] naar de schroothoop verwijzen
整理する seirisuru (1) ordenen; regelen; (rang)schikken; in orde brengen; maken; orde scheppen; brengen in; inrichten; reguleren; redderen; beredderen; arrangeren; klaren; [fig.] op een rijtje zetten; organiseren; [i.h.b.] classificeren; [journal.] persklaar maken; [journal.] redigeren; (2) stroomlijnen; efficiënter maken; orde op zaken stellen (binnen); in het reine brengen; opruimen; opknappen; aan kant maken; opredderen; schoon schip maken (met); grote schoonmaak houden; saneren; [i.h.b.] herstructureren; [i.h.b.] reorganiseren; (3) wegwerken; wegdoen; afhandelen; disponeren; beschikken; van de hand doen; zich ontdoen van; [m.b.t. boedel] liquideren; [m.b.t. schulden] afdoen; [m.b.t. schulden] vereffenen; [m.b.t. schulden] consolideren; [euf.;m.b.t. personeel] afslanken; [euf.;m.b.t. personeel] laten afvloeien; [fig.] besnoeien; [fig.] inkrimpen
無くす nakusu verliezen; kwijtraken; erbij inschieten; derven; zoekmaken; wegmaken; wegdoen; afvoeren; schrappen; bannen; [i.h.b.] verspelen
脱ぎ捨てる nugisuteru (1) uittrekken; uitdoen; verwijderen; uitgooien; afwerpen; afgooien; uitschieten; [スリッパを] uitschoppen; [殻を] vervellen; (2) van zich werpen; wegdoen; wegwerpen; afdanken; afleggen; terzijde leggen; aan de kant schuiven; zich ontdoen van; weggooien; wegsmijten; laten vallen; zich bevrijden van; zich losmaken van; afschudden
遣っ付ける yattsukeru (1) verslaan; overwinnen; afmaken; uitschakelen; vellen; winnen van; doden; ervan langs geven; de volle laag geven; een pak slaag geven; zwaar aanpakken; de das omdoen; [fig.] afdrogen; inmaken; inblikken; afranselen; afstraffen; afrossen; een afstraffing geven; zijn portie geven; zijn vet geven; ik zal hem!; een gevoelig lesje geven; afrekenen met; korte metten maken; 'em een kantje geven; (2) scherp bekritiseren; heftig tekeergaan tegen; aanvallen; te lijf gaan; uithalen naar; afkammen; afbreken; afkraken; de grond in boren; neerhalen; neersabelen; hekelen; kraken; aftroeven; de grond in trappen; op de korrel nemen; roskammen; de vloer aanvegen met; (3) afwerken; afmaken; afdoen; afhandelen; [問題を] afwikkelen; afronden; komaf maken met; wegdoen; wegwerken; zich ontdoen van; uit de weg ruimen; (4) aandurven te ~; durven te ~; wagen te ~; het bestaan te ~; zo brutaal zijn te ~; het lef hebben te ~; erdoorheen sukkelen; met vallen en opstaan het einde halen; het klaarspelen; het gedaan krijgen; het voor elkaar boksen; het bolwerken; het fiksen; stellen; flikken; opknappen; schiemannen; lappen; het 'm leveren; het presteren om ~; het rooien; weten te ~; (5) vreten; zuipen
除く nozoku (1) wegnemen; wegruimen; wegdoen; weghalen; eruit halen; verwijderen; aan de kant zetten; [twijfel e.d.] opheffen; ontlasten van; [de pijn e.d.] verdrijven; afhelpen van; elimineren; schrappen; uit de weg ruimen; ruimen; afschaffen; (2) uitsluiten; buitensluiten; uitlaten; weglaten; achterwege laten; weren; terzijde laten; terzijde schuiven; opzijzetten; erbuiten laten; overslaan; omitteren; uitzonderen
除去する jokyosuru verwijderen; wegruimen; wegwerken; wegnemen; weghalen; wegdoen; removeren; elimineren; zich af maken van
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.44 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 20 treffers (zoekopdracht: 'wegdoen'). 
2005-2026