
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <zakken>
下がる sagaru (1) dalen; zakken; naar beneden komen; [ズボン;靴下が] afzakken; zinken; (2) neerhangen; omlaag hangen; afhangen; [カーテンが] vallen; (3) achteruitgaan; achterwaarts gaan; naar achteren wijken; achteruitwijken; (4) [段階;程度;数値が] dalen; naar beneden gaan; afnemen; zakken; minder worden; teruglopen; minderen
下落する gerakusuru dalen; zakken; achteruitgaan; afnemen; minder worden; [価値が] in waarde verminderen; devalueren; depreciëren
低下する teikasuru (1) dalen; zakken; [m.b.t. prijzen] lager worden; verlagen; (2) achteruitgaan; teruglopen; teruggaan; achteruitlopen; achteruitboeren; aftakelen; vervallen; verworden; ontaarden; de kreeftengang gaan; er niet beter op worden; slechter worden; verslechteren; afzakken; verlopen; [m.b.t. kwaliteit] verarmen
俯く utsumuku het hoofd laten hangen; zakken; de blik; ogen neerslaan; naar beneden kijken
冷める sameru (1) afkoelen; koelen; koud worden; (2) bekoelen; koelen; betijen; bedaren; luwen; minder worden; flauwer worden; verslappen; verflauwen; verkillen; afnemen; verminderen; slinken; [fig.] tanen; afslijten; [ook m.b.t. koorts] slijten; [m.b.t. koorts] dalen; [m.b.t. koorts] zakken
引く hiku (1) trekken (aan); halen; [een hendel;de trekker enz.] overhalen; [naar zich] toetrekken; aanhalen; [een boog] spannen; opspannen; (2) [de aandacht] trekken; [klanten] aantrekken; [sympathie] winnen; [belangstelling] wekken; (3) [een vaartuig] jagen; slepen; [een schip] treilen; [een trekdier] geleiden; leiden; (4) citeren; aanhalen; (5) stammen uit; afstammen van; [系統を] afkomen van; spruiten uit; [i.h.b.] aarden naar; (6) [hout] zagen; [op een pottenbakkersschijf] draaien; (7) malen; vermalen; fijnmalen; (8) [een lijn;een draad] trekken; lijnen; spinnen; [een rechte] beschrijven; (9) aanhouden; rekken; (10) [gordijnen] dichttrekken; dichtdoen; (11) aanbrengen; besmeren; bedekken; bestrijken; (12) [elektriciteit] aanleggen; installeren; aansluiten; [water (door buizen enz.)] aanvoeren; [veroud.] aanleiden; (13) [een getal] aftrekken; [een bedrag] afhouden; in mindering brengen; afnemen; [iets in prijs] verlagen; afdoen; verminderen; reduceren; terugbrengen; [i.h.b.] korting geven; (14) [de troepen] terugtrekken; intrekken; [visnetten] ophalen; [de handen (van iets)] aftrekken; (15) overrijden; omrijden; omverrijden; aanrijden; (16) achteruitgaan; teruggaan; terugtrekken; afgaan (van); terugwijken; (17) zich retireren; zich terugtrekken; verlaten; [veroud.] resigneren; (18) afnemen; zakken; dalen; wijken; wegtrekken; teruglopen
沈む shizumu (1) zinken; verzinken; vergaan; wegzinken; verdwijnen; (2) wegzakken; zakken; verzakken; inzakken; ineenzakken; (3) [m.b.t. zon;maan] ondergaan; dalen; (4) in de put raken; terneergeslagen raken; down raken; neerslachtig worden; gedeprimeerd raken; ontmoedigd raken; zwaarmoedig worden; moedeloos worden; tot zwaarmoedigheid vervallen; (5) [m.b.t. mahjong e.d.] lager scoren dan de beginstand; (6) [m.b.t. bokser] neergaan; tegen de vlakte gaan; kennismaken met het canvas; tegen het canvas gaan
減る heru (1) afnemen; verminderen; krimpen; teruglopen; kleiner worden; minder worden; minderen; achteruitgaan; dalen; slinken; zakken; inkrimpen; [i.h.b.] slijten; verslijten; (2) terugdeinzen; terugschrikken; versagen [meestal in combinatie met een negatie]
減少する genshōsuru afnemen; teruglopen; dalen; verminderen; zakken; slinken; minderen; krimpen; achteruitgaan; vallen
減退する gentaisuru verminderen; afnemen; achteruitgaan; teruggaan; dalen; teruglopen; slinken; zakken
落ちる ochiru (1) vallen; ten val komen; neerstorten; neerdonderen; in het stof bijten; tuimelen; duiken; een duik nemen; (2) omvallen; invallen; instorten; neerstorten; in elkaar vallen; in elkaar storten; (3) [m.b.t. zon;maan etc.] ondergaan; achter de horizon verdwijnen; zakken; (4) niet slagen (bij een examen); struikelen; zakken; stralen; bakken; buizen; falen; sjezen; afgaan; (5) weglaten; uitvallen; achterwege laten; ontbreken; niet gebruiken; (6) verkleuren; verschieten; verbleken; bleek worden; vervalen; valer worden; (7) in de handen van de vijand vallen; ingenomen worden; vallen; raken bij; verloren gaan; te gronde gaan; (8) [m.b.t. een druppel) druppen;druppelen;in druppels neervallen;druipen;(9) vluchten;ontvluchten;de vlucht nemen;het hazenpad kiezen;de plaat poetsen;de benen nemen;er vandoor gaan;op de loop gaan;(10) terugvallen;achteruitgaan;een neerwaartse trend vertonen;een dalende trend vertonen;naar een ongunstige positie afzakken;(11) inferieur zijn;achterstaan bij;niet zo goed zijn als;minder zijn dan;niet kunnen tippen aan;(12) [m.b.t. wind) luwen;gaan liggen;bedaren;kalmer worden;verzachten;(13) [m.b.t. rivier;stroom etc.] uitmonden in; instromen in; uitlopen in; (14) [m.b.t. bliksem) inslaan;treffen;(15) [m.b.t. vissen] stroomafwaarts gaan; stroomafwaarts zwemmen; (16) flauwvallen; bewusteloos vallen; het bewustzijn verliezen; van zijn stokje vallen; van zijn stokje gaan; bezwijmen; sterven; doodgaan; overlijden; ontslapen; heengaan
落ち込む ochikomu (1) erin vallen; naar binnen vallen; invallen; (2) invallen; inzinken; zinken; inzakken; verzakken; instorten; (3) inzakken; zakken; teruglopen; verminderen; achteruitgaan; dalen; afnemen; minder worden; (4) neerslachtig worden; ontmoedigd raken; de moed verliezen; depressief worden
落っこちる okkochiru (1) vallen; storten; tuimelen; (2) [試験に] zakken; struikelen; (3) verliefd worden
薄らぐ usuragu dunner worden; verdunnen; slijten; afnemen; minder worden; [色が] vervagen; verschieten; verbleken; [興味が] verflauwen; bekoelen; [熱;痛みが] verminderen; zakken; dalen; wegtrekken
降下する kōkasuru afdalen; dalen; vallen; neergaan; naar beneden gaan; [飛行機が] hoogte verliezen; zakken; [急に] duiken; een duik nemen; duikelen; [inform.] kukelen
Tijd: 1.27 sec. jiten.nl: 1 treffer, warandict: 15 treffers (zoekopdracht: 'zakken').
2005-2026
