
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
shukkō・出港
zn. vertrek o. ¶ 出港免狀 uitklaring. ¶ 出港を禁止する niet veroorlooven te vertrekken; aan den ketting leggen. ¶ 出港する vertrekken; uitzeilen.
shuppatsu・出發
(出発) zn. vertrek o. ¶ 出發點 beginpunt; “start” (英語). ¶ 出發する vertrekken; zich op weg begeven.
SUPPLEMENT (trefwoord)
shukkō・出航
zn. vertrek; afreis; afvaart. ¶ 出航する vertrekken; afreizen; afvaren; het anker lichten. ¶ 船の出航を許さない de afvaart van een schip verhinderen [niet toestaan]; een schip aan de ketting leggen. ¶ 定期出航 vertrektijd. 出航日 vertrekdag. Vgl. shukkō 出港.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <vertrekken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
お暇する oitomasuru (1) gedag zeggen; vaarwelzeggen; weggaan; afscheid nemen; vertrekken; ervandoor gaan; (2) z'n ontslag nemen; z'n baan opgeven; uittreden; uit dienst treden
スタートする sutaatosuru starten; beginnen; vertrekken; aan de gang gaan; een start maken
上り nobori (1) klim; beklimming; bestijging; opstijging; opgang; opkomst; rijzing; het oprijzen; het omhooggaan; [scheepv.] opvaart; [i.h.b.] opwaartse helling; opweg; (2) naar een belangrijker centrum gaand; naar de stad gaand; [i.h.b.] perronkant waar de treinen naar de stad (m.n. Tokio) vertrekken
上京する joukyousuru naar Tokio gaan; komen; overkomen; reizen; afreizen; naar de hoofdstad trekken; vertrekken
乗り出す noridasu (1) [scheepv.] uitvaren; vertrekken; zee kiezen; wegzeilen; onder zeil gaan; (2) aanvatten; aanvangen; een aanvang maken met; beginnen aan; van start gaan; zich begeven; wagen in; zich storten in; z'n debuut maken; (3) beginnen rijden met; op; (4) [体を] zich overbuigen; zich vooroverbuigen; [窓から身を] uit het raam leunen
出て行く deteiku (1) weggaan; vertrekken; heengaan; ervandoor gaan; zich uit de voeten maken; opkrassen; 'm smeren; [veroud.] zich wegpakken; (2) zijn entree maken; verschijnen; opdagen; te voorschijn komen
出る deru (1) naar buiten gaan; naar buiten komen; zich vertonen; uitbreken; uitgaan; uitkomen; verlaten; vandaan gaan (bij); vertrekken; [m.b.t. boot] afvaren; [i.h.b.] afstuderen (aan); [i.h.b.] aftrek vinden; weggaan; (2) verschijnen; opkomen; voor de dag komen; opduiken; te voorschijn komen; zich voordoen; rijzen; voorkomen; [aan de telefoon enz.] komen; [m.b.t. zon] opgaan; rijzen; doorkomen; [m.b.t. bloemknoppen enz.] uitkomen; uitlopen; [i.h.b.] ontdekt worden; [m.b.t. geesten;spoken] waren; (3) uitsteken; naar buiten steken; opsteken; uitspringen; oprijzen; (4) bijwonen; aanwezig zijn bij; gaan naar; deelnemen aan; meedoen aan; [voor het gerecht enz.] verschijnen; in [zaken;het bedrijfsleven;de politiek enz.] gaan; (5) [m.b.t. wegen] leiden naar; voeren naar; uitkomen op; tegenkomen; bereiken; aantreffen; vinden; stuiten op; (6) te buiten gaan; overschrijden; gaan over; passeren; (7) ontspruiten (aan); komen uit; voortkomen (uit); voortspringen uit; ontstaan uit; beginnen; ontspringen; ontsnappen; [fig.] opwellen; [lit.t.] ontwellen; zijn oorsprong ontlenen aan; zijn oorsprong vinden in; teruggaan op; afstammen van; afkomen van; stammen uit; voortspruiten uit; (8) verschijnen; uitkomen; uitgegeven worden; gepubliceerd worden; [i.h.b. de pers enz.] halen; (9) krijgen; verkrijgen; [arch.] bekomen; [m.b.t. gerecht] opgediend worden; geserveerd worden; [m.b.t. bedrag;premie] uitgekeerd worden; (10) toenemen; rijzen; [m.b.t. wind] opsteken; aanwakkeren; [m.b.t. snelheid] optrekken; (11) zich … gedragen; een … houding nemen; (12) [m.b.t. thee] trekken
出帆する shuppansuru [scheepv.] uitzeilen; wegzeilen; uitvaren; wegvaren; vertrekken; afgaan
出発する shuppatsusuru (1) vertrekken; heengaan; afreizen; zich op weg begeven; [旅行に] aanvaarden; op weg gaan; verlaten; [fig.] afsteken; [m.b.t. vliegtuig] opstijgen; [m.b.t. vaartuig] afvaren; (2) starten; van start gaan; beginnen; uitgaan van
失礼します shitsureishimasu (1) neem(t) (u) me niet kwalijk; pardon; excuseer; sorry; vergeef mij; het spijt me; ik heb me te verontschuldigen (wegens ~); (2) mag; kan ik binnenkomen?; (3) ik moet er weer vandoor; ik moet (nu) gaan; vertrekken
失礼する shitsureisuru (1) onbeleefd zijn; ongemanierd zijn; lomp zijn; grof zijn; onhoffelijk zijn; onwellevend zijn; (2) afscheid nemen; gedag; vaarwel; goedendag; adieu zeggen; vertrekken; weggaan
家路につく iejinitsuku naar huis gaan; vertrekken; naar huis teruggaan; terugkeren; op huis aangaan
引き取る hikitoru (1) terugnemen; (terug) overnemen; (2) vorderen; opvorderen; terugvorderen; terugeisen; reclameren; aanspraak maken op; claimen; opvragen; (3) zich belasten met; verantwoordelijkheid opnemen voor; onder z'n hoede nemen; zorgen voor; instaan voor; [話を] beantwoorden; antwoorden op; (4) [息を] sterven; z'n laatste adem(tocht) uitblazen; de laatste snik geven; de geest geven; (5) weggaan; zich terugtrekken; zich verwijderen; heengaan; verlaten; vertrekken; (6) [mil.] zich terugtrekken; aftrekken; de aftocht blazen; afrukken
御出でなさる oidenasaru (1) [honoratieve variant van iku] gaan; vertrekken; zich begeven; (2) [honoratieve variant van kuru] komen; arriveren; (3) [honoratieve variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; blijven; (4) [honoratieve variant van …teiru]
御出でになる oideninaru (1) [尊敬語] gaan; vertrekken; zich begeven; heengaan; (2) [尊敬語] komen; aankomen; arriveren; (3) [尊敬語] zijn
御座します owashimasu (1) [honoratieve variant van aru en iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (2) [honoratieve variant van aru] hebben; bezitten; beschikken over; disponeren over; (3) [honoratieve variant van iku] gaan; vertrekken; zich begeven; (4) [honoratieve variant van kuru] komen; arriveren; (5) [honoratieve variant van …てある en …ている
御座す owasu (1) [honoratieve variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (2) [honoratieve variant van aru] hebben; bezitten; beschikken over; disponeren over; (3) [honoratieve variant van iku] gaan; vertrekken; zich begeven; (4) [honoratieve variant van kuru] komen; arriveren; (5) […~] [honoratieve variant van dearu]; (6) […~] [honoratieve variant van aru (continuïteit) of van iku;kuru (verloop;overgang)]
御座所 gozasho privévertrek (van een keizer; edelman); particulier vertrek van een vorst; keizerlijke appartementen; vertrekken; zitkamer
捩る yojiru vlechten; twisten; wringen; verwringen; vertrekken; kronkelen
旅立つ tabidatsu op reis vertrekken; vertrekken; de reis aanvaarden
歪む yugamu buigen; krommen; kromtrekken; verwrongen raken; vertrekken; vervormen; [心が] ontaarden; verworden
発車する hasshasuru vertrekken; uitrijden; afreizen
発進する hasshinsuru starten; vertrekken; [飛行機が] opstijgen; opvliegen
立ち出づ tachiizu (1) vertrekken; weggaan; opstappen; eropuit gaan; trekken; naar buiten komen; (2) langskomen; bezoeken; aankomen; arriveren; (3) zich mengen in; zich bemoeien met; (4) verschijnen; voor de dag komen; opduiken; zich vertonen; tevoorschijn komen; komen opdagen
立ち去る tachisaru weggaan; heengaan; verlaten; vertrekken; zich wegpakken
船出する funadesuru [scheepv.] uitvaren; wegvaren; vertrekken; afgaan
行く;往く;逝く yuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid;schoonzoon;adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst.;m.b.t. mannen] schieten; (10) blijven ~ [drukt voortduring;voortgang van een handeling of toestand uit]
退去する taikyosuru vertrekken; weggaan; heengaan; verlaten; ontruimen; evacueren; uitwijken; wegtrekken; zich terugtrekken
退社する taishasuru (1) uit dienst treden; de dienst verlaten; het bedrijf vaarwelzeggen; weggaan bij een firma; vertrekken; uittreden; (2) weggaan van kantoor; ophouden; uitscheiden met werken; de dagtaak beëindigen; naar huis gaan; afnokken; (3) terugtrekken uit een genootschap; bedanken als lid
途に就く tonitsuku vertrekken; afreizen; gaan reizen; zich begeven naar; de reis aanvaarden
離陸する ririkusuru opstijgen; starten; van start gaan; vertrekken; de grond verlaten
顰める shikameru [顔を] fronsen; vertrekken; tot rimpels samentrekken; grimassen; grimassen trekken; maken; bekken trekken; trekkebekken; [Belg.N.] smoelen; muilen trekken
飛び立つ tobitatsu opstijgen; vertrekken; wegvliegen; opvliegen; de vlucht aanvangen
Tijd: 2.03 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 33 treffers (zoekopdracht: 'vertrekken').
2005-2026
