日蘭辭典+

33 resultaten voor ‘vertrek’
日蘭辭典 (trefwoord)
shuppatsu出發
(出発) zn. vertrek o. ¶ 出發點 beginpunt; “start” (英語). ¶ 出發する vertrekken; zich op weg begeven.
shukkō出港
zn. vertrek o. ¶ 出港免狀 uitklaring. ¶ 出港を禁止する niet veroorlooven te vertrekken; aan den ketting leggen. ¶ 出港する vertrekken; uitzeilen.
shussei出征
zn. expeditie v.; vertrek naar het front. ¶ 出征する naar het front gaan; deelnemen aan den strijd. ¶ 出征中である aan het front zijn; deelnemen aan een expeditie.
shussen出船
zn. vertrek van een schip.
hatchaku發著

(発着) aankomst en vertrek. ¶ 發著時間表 dienstregeling; spoorboekje. ¶ 汽船發著所

zashiki座敷

zn. kamer v.; vertrek o.; zaal v. ¶ 座敷がたがい lang blijven. ¶ 座敷牢 huisarrest; kamerarrest. ¶ 座敷敷が掛かる door gasten geroepen zijn; dienst hebben.

tsugeguchi吿口

(告げ口) zn. klikspaan m. & v. ¶ 吿口する klikken; verklappen. ¶ 吿げる mededeelen; berichten; bekendmaken; kennisgeven; vertellen. ¶ 別れを吿げる afscheid nemen; voorgenomen vertrek aankondigen.

SUPPLEMENT (trefwoord)
shukkō出航
zn. vertrek; afreis; afvaart. ¶ 出航する vertrekken; afreizen; afvaren; het anker lichten. ¶ 船の出航を許さない de afvaart van een schip verhinderen [niet toestaan]; een schip aan de ketting leggen. ¶ 定期出航 vertrektijd. 出航日 vertrekdag. Vgl. shukkō 出港.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <vertrek>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
お暇 oitoma (1) afscheid; vertrek; vaarwel; terugkeer naar huis; thuiskeer; (2) ontslag; ontslagneming; ontslagname; resignatie; exit; uittreding; uitdiensttreding; ontheffing
お立ち otachi vertrek; afreis
スタート sutaato (1) start; begin; vertrek; (2) start; startplaats; vertrekpunt; (3) START [afkorting van: Strategic Arms Reduction Talks;Treaty]; (4) start!
ルーム ruumu (1) kamer; vertrek; (2) klas; (3) [scheepv.] handvat van roeiriem; (4) Rûm
出帆 shuppan [scheepv.] het uitzeilen; het wegzeilen; het uitvaren; het wegvaren; uitvaart; afvaart; vertrek
出港 shukkou vertrek; afvaart uit een haven
出発 shuppatsu (1) vertrek; afreis; heengaan; [fig.] aftocht; [m.b.t. vaartuig] afvaart; [m.b.t. vliegtuig] opstijging; (2) start; begin
出馬 shutsuba (1) vertrek te paard; [i.h.b.] opmars; uitrukking; veldtocht; campagne; [veroud.] optocht; aanmars; (2) vertrek; het tegemoet gaan; (3) [pol.] kandidaatstelling; kandidatuur; verkiesbaarstelling
shutsu (1) aanwezigheid; (2) vertrek; verlating; (3) afstammeling; [fig.] zoon; (4) ontsnapping; (5) [bijb.] Exodus; [Hebr.] Sjemot; [afk.] Exod.; [afk.] Ex.; (6) opdringerig; bemoeiziek; vrijpostig; brutaal; (a) uitgaan; eruit gaan; (b) gaan naar; (c) verschijnen; (d) uitblinken; uitmunten; (e) zich voordoen; gebeuren; (f) uitbrengen; naar buiten brengen; (g) betalen; (h) doen verschijnen; laten zien; (i) voortbrengen; (j) oorsprong; herkomst
別れ wakare (1) afscheid; scheiding; het uiteengaan; vertrek; (2) vaarwel; gedag
名残 nagori (1) wat er overblijft; rest; resten; restant; restanten; overblijfsel; overblijfselen; spoor; sporen; (2) herinnering; aandenken; souvenir; (3) vaarwel; afscheid; vertrek; (4) afscheidspijn
shitsu (1) kamer; vertrek; [m.b.t. trein] coupé; (2) vrouw des huizes; echtgenote; gemalin; [form.] gade; [lit.t.] eega
引取り hikitori (1) inontvangstneming; ontvangst; aanneming; aanvaarding; acceptatie; overneming; opneming; [w.g.] inzorgneming; (2) vertrek; het weggaan; wegtrekking; terugtrekking
御先に osakini (1) na u; jou; ga je gang maar; gaat u voor; (2) excuseer dat ik er even langs wil; neem me niet kwalijk dat ik het eerst ga; vertrek
御出で oide (1) vertrek; (2) komst; bezoek; (3) aanwezigheid; verblijf; (4) [shintoïsme] overbrenging van het draagschrijn naar een tijdelijke bestemming; ± translatie; (5) ga; (6) kom; (7) blijf; (8) […ておいで] [drukt een honoratief bevel uit]
bou (1) kamertje; vertrek; (2) [rel.] cel; kluis; (3) [Chin.astron.] Kamer; Fáng [= één van de achtentwintig maanhuizen]; (a) bijvertrek; [i.h.a.] kamer; vertrek; (b) echtelijke slaapkamer; echtelijke gemeenschap; (c) ruimte; cel; (d) [Jap.gesch.] provincie Awa 安房
itoma (1) vrije tijd; (2) vrijaf; vakantie; verlof; (3) ontslag; uitdiensttreding; ontheffing; (4) afscheid; vertrek; vaarwel; (5) scheiding; (6) kier; opening; (7) rouwretraite
発進 hasshin (1) start; vertrek; [ろけっとの] lancering; (2) af!; start!; go!
船出 funade [scheepv.] het uitvaren; het wegvaren; uitvaart; vertrek
行き;往き;行;往 yuki (1) vertrek; afvaart; afreis; heenreis; heenrit; heenvlucht; heenweg; (2) reis; tocht; trek; trip; koers; vaart; gang; loop; beloop; het stevenen; het tijgen; het zich begeven; het heengaan; (3) heenreisbiljet; kaartje enkele reis; enkeltje; (4) met bestemming ~; naar ~
退出 taishutsu vertrek; verlating; terugtrekking; terugtreding; terugwijking
退去 taikyo vertrek; terugtrekking; terugtocht; ontruiming; uitwijking; uittocht; [大勢の] exodus
部屋 heya (1) kamer; vertrek; ruimte; lokaal; cubiculum; [studentent.] kast; [Barg.] klapper; (2) [sumō-jargon] stal; heya [verblijf waar een groep worstelaars onder patronage van een oud-kampioen getraind wordt]; (3) [maatwoord voor kamers]
ma (1) ruimte; plaats; tussenruimte; interval; entre-deux; (2) vertrek; kamer; ruimte; (3) pauze; onderbreking; tijdsinterval; (4) tijd; moment; poos; (5) gelegenheid; kans; ruimte; [i.h.b.] geluk; (6) [muz.] maat; [i.h.b.] cesuur; rustpunt; [oneig.] ritme; tempo; timing
離陸 ririku [luchtv.] take-off; start; vertrek; het opstijgen; het verlaten van de grond
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.73 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 25 treffers (zoekopdracht: 'vertrek'). 
2005-2026