
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <bibberen>
おどおどする odoodosuru (1) bangig zijn; bedeesd zijn; beschroomd zijn; schuchter zijn; verlegen zijn; timide zijn; bevangen zijn; bleu zijn; schroomvallig zijn; schuw zijn; blohartig zijn; vreesachtig zijn; angsthazerig zijn; bangelijk zijn; (2) beven van angst; schrik; bibberen; sidderen; trillen
がたつく gatatsuku (1) kletteren; rammelen; ratelen; klepperen; kleppen; klateren; (2) sidderen; beven; rillen; huiveren; trillen; bibberen; (3) wiebelen; wankelen; gammel zijn; krakkemikkig; krikkemikkig zijn; wankelbaar zijn
びびる bibiru (1) bang worden; schrik krijgen; schrikken; het in z'n broek doen; 'm knijpen; terugkrabbelen; terugdeinzen; ervoor terugschrikken; bibberen; (2) schromen; zich generen; verlegen zijn; (3) gierig zijn; krenterig zijn
怖じける ojikeru (1) bang zijn; beven; sidderen; bibberen; bevangen zijn van schrik; met schrik vervuld zijn; doodsbenauwd zijn; in paniek zijn; (2) terugdeinzen; terugschrikken; ineenkrimpen van angst; huiveren
性交する seikōsuru geslachtsgemeenschap hebben; geslachtelijke; echtelijke; [arch.] vleselijke; seksuele gemeenschap hebben; lijfsgemeenschap hebben; huwelijksgemeenschap hebben; geslachtelijke; echtelijke; [arch.] vleselijke; seksuele; intieme omgang hebben; geslachtsverkeer hebben; seksueel verkeer hebben; seks hebben; bedrijven; seksen; seksueel contact hebben; copuleren; de liefde bedrijven; paren; de geslachtsdaad verrichten; bedrijven; de liefdesdaad verrichten; bedrijven; de paringsdaad verrichten; bedrijven; de huwelijksdaad verrichten; bedrijven; de echtelijke; huwelijkse plicht(en) vervullen; vrijen; coïteren; cohabiteren; naar bed gaan; kroelen; krollen; uitwonen; [euf.] slapen; [euf.] de daad verrichten; bedrijven; [euf.;scherts.] voetjes warmen (met); [euf.] trouwen; [euf.;veroud.] naderen; [pregn.] aanraken; [pregn.] aanliggen; [form.] coïre; [form.] zonam solvere; [form.] samenkomen; [bijb.] bekennen; [bijb.;♂] (in)komen tot; [w.g.] bijslapen; [w.g.] bijwonen; [veroud.] zich te vleze begeven; [veroud.] elkaar gerieven; [arch.] (zich) verenigen; [arch.] zich vleselijk vermengen; [inform.] neuken; [inform.] rampetampen; [inform.] bonken; [inform.] vozen; [inform.] pezen; [inform.] platgaan; [inform.;♂] punten; [inform.;♂] rammen; [inform.] pielen; [inform.] afschroeven; [inform.] krikken; [inform.] wielen; [inform.] strijken; [inform.;Ind.N.] fieken; [inform.] doppen; [inform.] een dopje; doppie maken; [inform.] de koffer in duiken; kruipen; [inform.] voor Kaap Kont liggen; [inform.] een kind maken; [inform.] binnenbeens spelen; [inform.] een kransje breien; [inform.] de hongersnood verdrijven; [inform.;Belg.N.] het beest met de twee ruggen maken; [inform.;scherts.] het plafond witten; [inform.;scherts.;niet alg.] de koffie opschenken; [volkst.] een kunstje; wip(je); wippertje; nummertje maken; [volkst.;♂] een punt zetten; [volkst.;♂] op de veter nemen; [volkst.] wippen; [volkst.] van Wippenstein gaan; [volkst.] nummeren; [volkst.] pompen; [volkst.] schroeven; [volkst.] palen; [volkst.] palen laaien; [volkst.] potloden; [volkst.] tampen; [volkst.;♂] z'n platte tampie uitgooien; [volkst.] pennen; [volkst.] prikken; [volkst.] stiften; [volkst.] hompiekurken; [volkst.] sodemieteren; [volkst.] raggen; [volkst.] afraggen; [volkst.] kezen; [volkst.] kienen; [volkst.] jenzen; [volkst.] votsen; [volkst.] joekelen; joekeren; [volkst.] dreutelen; [volkst.] flensen; [volkst.] fleppen; [volkst.] piepjanknor gaan; [volkst.] de pijp uitkloppen; [gew.;inform.] strietsen; [gew.;inform.] vossen; [gew.;inform.] ketsen; [gew.;inform.;♂] vogelen; [gew.;inform.;♂] bedvogelen; [gew.;volkst.] kleunen; [gew.] meteen gaan; [gew.] vazelen; [gew.] haspelen; [vulg.] naaien; [vulg.;Belg.N.] poepen; [vulg.] emmeren; [vulg.] geilpompen; [vulg.] soppen; [vulg.] poken; [vulg.] kieren; [vulg.] afhakken; [vulg.] eiers in de pan slaan; [vulg.] op de muts; dot; stoffer; schroef gaan; [vulg.] van preut trekken; [vulg.;♂] een veeg geven; [vulg.;♂] vegen; [vulg.;♂] eroverheen gaan; [vulg.;♂] op z'n staart gaan staan; [Barg.] van bil gaan; [Barg.] op de kruk gaan; [Barg.] stoten; [Barg.] fikken; [Barg.] fietsen; [Barg.] piepelen; [Barg.] bibberen; [Barg.] latten; [Barg.] fluiten; [Barg.;volkst.] peunen; [Barg.;volkst.] pandoeren; [Barg.;volkst.] tokkelen
恐れ戦く osoreononoku beven; bibberen; sidderen van angst
戦く ononoku huiveren; sidderen; beven; rillen; bibberen; trillen
戦慄く wananaku (1) huiveren; sidderen; rillen; beven; bibberen; trillen; (2) [声;楽器の音が] vibreren; trillend klinken; (3) kreuken; kreukelen; krullen; (4) woelen; ritselen
身振いする miburuisuru rillen; huiveren; sidderen; beven; trillen; bibberen
震える furueru (1) beven; trillen; lillen; vibreren; resoneren; [muz.;veroud.] trembleren; [muz.] tremuleren; (2) huiveren; bibberen; rillen; sidderen
Tijd: 1.43 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 10 treffers (zoekopdracht: 'bibberen').
2005-2026
