
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
yudetamago・茹玉子
zn. gekookt ei o.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <ei>
お玉 otama (1) kippenei; ei; (2) soeplepel; scheplepel; opscheplepel; pollepel
へえ hee hé!; gut!; wat!; [veroud.] ei!; [gew.] alla!
エッグ eggu ei; [i.h.b.] kippenei
卵子 ranshi (1) [plantk.;dierk.] ovum; ei; eitje; eicel; (2) [plantk.] ovulum
卵鏃文 ranzokumon [bouwk.] ei-en-pijl
卵;玉子 tamago (1) ei; [i.h.b.] kippenei; [kindert.] tikkenei; [volkst.] patroon; [vulg.] neukpatroon; [魚の] kuit; [虱の] neet; [蛙の] rit; [牡蠣の] zaad; [蛇の] broed; (2) […の~] in de dop; in spe; toekomstig; aankomend; ontluikend; in wording
卵 ran (1) [biol.] ovum; ei; eitje; eicel; (a) ei; (b) eicel
営 ei (1) werking; het werken; (2) kamp; kampement; kwartier; legerplaats; kazerne
嬰 ei (1) boreling; pasgeborene; neonaat; (2) [Jap.muz.] verhoging met een halve toon; (3) [muz.] kruis; verhoging met een halve toon; (a) baby; pasgeborene; (b) omgeven; omsluiten; (c) vatten; (d) toevoegen; toedoen; (e) aanraken; beroeren; (f) [muz.] verhoging met een halve toon; kruis
子 shi (1) kind; [i.h.b.] jongen; (2) deugdzame man; meester; [i.h.b.] Confucius; (3) zǐ [± traktaat;één van de vier categorieën boeken in het Klassiek Chinees]; (4) burggraaf; (5) rente; interest; (6) [go-spel] schijf waarmee men go speelt; (7) jij; je; (8) -er; -or; -aar; -eur [maakt van een zelfst. naamw. een nomen agentis]; (9) [Nara;Heian-gesch.] [achtervoegsel bij namen van edelvrouwen]; (10) [honoratief achtervoegsel bij persoonsnamen]; (11) [achtervoegsel na de eigen naam ten teken van bescheidenheid]; (a) kind; zoon; dochter; telg; (b) ei; vrucht; (c) deeltje; (d) heer; leraar; meester; (e) man; mens; (f) vrouwe …; (g) ding; zaak; iets; (h) burggraaf; (i) [astrol.] rat
影 ei (a) schaduw; (b) licht; (c) beeld; vorm; (d) afbeelding; weergave
意気地なし ikujinashi (1) lafheid; lafhartigheid; slapheid; weekheid; willoosheid; karakterloosheid; kleinhartigheid; (2) lafaard; bloodaard; zwakkeling; slappeling; bloemzak; angsthaas; iemand zonder ruggengraat; karakter; [inform.] ei; sul; lulletje; doetje; slapjanus; labbekak; lafbek; mietje; watje; koekje; schuimpje
曳 ei trekken; slepen
永 ei langdurig; altijddurend
泳 ei zwemmen
癭 ei (a) knobbel; buil; bobbel; (b) [plantk.] knoest; kwast; knobbel; (c) [geneesk.] keelziekte
英 ei (1) bloem; bloemkroon; corolla; (2) superioriteit; meerderheid; hogere kwaliteit; grootheid; uitmuntendheid; voortreffelijkheid; uitnemendheid; (3) meerdere; superieur; uitmuntend iemand; held; bol; kei; baas; kraan; uitblinker; bolleboos; poehaan; hoogvlieger; [veroud.] overvlieger; coryfee; [gew.] uitloper; [gew.] kadee; (4) Engeland; [afk.] Eng.; [bij uitbr.] Groot-Brittannië; het Verenigd Koninkrijk
衛 ei (1) [Chin.gesch.] Wèi [= staat tijdens de Zhōu-dynastie;11e eeuw-209 v.Chr.]; (a) verdedigen; bewaker
贏 ei (a) rest; overschot; (b) langer worden; rekken
鱝;鱏 ei [dierk.] rog
Tijd: 1.39 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 20 treffers (zoekopdracht: 'ei').
2005-2026
