
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
sonokurai・其位
(其の位、そのくらい、そのぐらい) bw. ongeveer; om en bij
tejika・手近
zn. nabijheid v. ¶ 手近な nabijgelegen. ¶ 手近な例 voor de hand liggend voorbeeld. ¶ 手近に nabij; dichtbij; in de buurt.
kinjo・近所
zn. buurt v.; nabijheid v.; omgeving v. ¶ 近所の naburig; nabijgelegen; in de buurt. ¶ 近所に nabij; in de buurt van; dichtbij.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <nabij>
の傍らに nokatawarani naast; aan de kant; zijde van; opzij van; bij; dichtbij; nabij; vlakbij; kortbij; langs; [gew.] nevens; [gew.] neffens
手近 tejika (1) binnen; in; onder handbereik; vlak bij de hand; dicht in de buurt; vlakbij; dichtbij; dichtbijgelegen; nabij; nabijgelegen; kortbij; (2) vertrouwd; gewoon; bekend
手近な tejikana (1) dichtbijgelegen; nabij; dichtbij; nabijgelegen; (2) vertrouwd; gewoon; bekend
接近する sekkinsuru (1) aanliggen tegen; kunnen tippen aan; dicht bij elkaar staan; liggen; in de buurt komen; gewaagd zijn aan; (2) naderen; nader komen tot; benaderen; naderbij; dichterbij komen; nabij; dichtbij komen; [form.] genaken; niet ver af zijn van; dicht passeren; (3) avances maken; toenadering zoeken; de eerste stappen doen; dichter aankruipen (tegen); aansluiting; anschluss zoeken bij; het aanleggen met; aanpappen met; intiem worden met; familiair worden met
濃い koi (1) (van een kleur) donker; (van een kleur) niet licht; (van een kleur); diep; (2) (van koffie; thee; etc.) sterk; (van koffie; thee; etc.) scherp; prikkelend; (3) (van soep) dik; (van soep) rijk; (4) (van mist) dicht; (5) (van baard) zwaar; (van baard) dichtbegroeid; (6) (van een relatie; vriendschap; etc.) intiem; (van een relatie,; vriendschap; etc.) vertrouwelijk; (van een relatie; vriendschap; etc.); persoonlijk; (van een relatie; vriendschap; etc.) innig; (van een; relatie; vriendschap; etc.) nauw; (van een relatie; vriendschap; etc.); nabij
目先の mesakino (1) direct; onmiddellijk; nabij; (2) [dierk.] teugel- [m.b.t. streek tussen oog en wortel van de bovensnavel]
直 jiki (1) zo; dadelijk; meteen; direct; onmiddellijk; gelijk; in een ogenblik; strakjes; gauw; binnen korte tijd; spoedig; binnenkort; [pred.] op handen; (2) dichtbij; nabij; kortbij; vlakbij; dicht in de buurt; vlak naast; bijna; welhaast; tegen
程近い hodochikai dichtbij; dichtbijgelegen; nabij; nabijgelegen; vlakbij; naburig; niet veraf
立ち寄る tachiyoru (1) naderen; nabij; dichterbij; naderbij komen; (2) langskomen; aanlopen; aandoen; binnenlopen; binnengaan; binnenwippen; aanwippen; onderweg bezoeken; langsgaan; aangaan
襲来する shūraisuru (1) komen aanstormen; binnenvallen; toestromen; overrompelen; in groten getale neerstrijken; (2) naderen; eraan komen; nabij; dichterbij komen
足下 ashimoto (1) [meton.] voet; plek waar iem. staat; loopt; wat voor de voeten ligt; (2) onderbeen; (3) iems. onmiddellijke omgeving; iems. toestand; iems. situatie; (4) manier van lopen; gang; tred; (5) kwetsbare punt; zwakke plek; (6) vaste voet; basis; steun; (7) onderbouw van een huis; grondslag; (8) recent; nabij; (9) [ton.] schoeisel; voetbekleding; (10) [ton.] voetlicht; (11) [landb.] graan dat bij het dorsen voor de voeten valt; (12) [Jap.bouwk.] decoratieve dakpan onderaan aan weerszijden van de onigawara 鬼瓦
身近 mijika (1) nabij; dicht; naast; in de buurt; dichtbij; nabijzijnd; (2) vertrouwd
身近な mijikana (1) nabij; dicht; naast; dichtbij; nabijzijnd; (2) vertrouwd
身近に mijikani nabij; dichtbij; in de buurt
近い chikai (1) nabij; dicht(bij); na; vlak (bij); in de buurt van; [目が] bijziend; (2) intiem; nauw; naverwant; [m.b.t. vriendschap] dik; (3) om en (na)bij; nagenoeg; zo goed als; haast; vrijwel; bijna; op het punt; grenzend aan
近くの chikakuno nabij; dichtbij; dichtbijgelegen; nabijgelegen; in de nabijheid; aangelegen; naburig; belendend; aangrenzend; aanpalend; aanliggend
近接している kinsetsushiteiru liggen aan; nabij; dichtbij; zich bevinden aan; nabij; dichtbij; grenzen aan; palen aan
近接する kinsetsusuru naderen; in de buurt komen van; nabij; dichterbij komen
近接の kinsetsuno nabij; nabijgelegen; naburig; dichtbij; dichtbijgelegen; aanpalend; belendend; aangrenzend; aanliggend; contigu
迫る;逼る semaru (1) naderen; naderbij; dichterbij komen; nabij; dichtbij komen; in de buurt komen (van); [m.b.t. gevaar enz.] dreigen; op handen zijn; aanstaande zijn; voor de deur staan; imminent zijn; [veroud.] aanstaan; (2) [van pijn;verdriet enz.] zich verkrimpen; (3) nopen; pressen; onder druk zetten; pressie uitoefenen; aansporen; pushen; aandringen (op); trachten te bewegen (tot); aanzetten (tot); drijven (tot); persen (tot)
迫れる;逼れる semareru (1) kunnen naderen; naderbij; dichterbij kunnen komen; nabij; dichtbij kunnen komen; in de buurt kunnen komen (van); [m.b.t. gevaar enz.] kunnen dreigen; op handen kunnen zijn; aanstaande kunnen zijn; voor de deur kunnen staan; imminent kunnen zijn; [veroud.] kunnen aanstaan; (2) [van pijn;verdriet enz.] zich kunnen verkrimpen; (3) kunnen nopen; kunnen pressen; onder druk kunnen zetten; pressie kunnen uitoefenen; kunnen aansporen; kunnen pushen; kunnen aandringen (op); kunnen trachten te bewegen (tot); kunnen aanzetten (tot); kunnen drijven (tot); kunnen persen (tot)
間近に majikani (1) vlakbij; nabij; dichtbij; onmiddellijk naast; allernaast; om de hoek; op korte afstand; twee passen ervandaan; [Belg.N.] op een boogscheut; (2) ophanden; aanstaand; te gebeuren; voor de deur; boven het hoofd; in aantocht; op komst; op til; op gaal; binnenkort te verwachten; nakend; naderend; imminent; dreigend
間近の majikano (1) vlakbij; nabij; dichtbij; allernaast; (2) ophanden zijnd; in aantocht zijnd; te gebeuren; te verwachten; aanstaand; komend; nakend; naderend; imminent; dreigend
間近 majika (1) vlakbij; nabij; dichtbij; onmiddellijk naast; allernaast; om de hoek; op korte afstand; twee passen ervandaan; [Belg.N.] op een boogscheut; (2) ophanden zijn; aanstaand; te gebeuren staan; voor de deur staan; boven het hoofd hangen; in aantocht zijn; op komst zijn; op til zijn; op gaal zijn; binnenkort te verwachten zijn; nakend; naderend; imminent; dreigend
Tijd: 1.33 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 24 treffers (zoekopdracht: 'nabij').
2005-2026
