
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <opkomen>
やって来る yattekuru komen opdagen; [乗物で] komen aanrijden; aankomen; komen aanzetten; komen aangezet; opkomen; verschijnen; zich laten zien; zich vertonen; aanbreken
上がる agaru (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙;花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂;湯から] uit (het) bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価;血圧;気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) [成績;腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) [双六;トランプ;マージャンで] winnen; uit zijn; (17) [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈;月経;つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [バッテリーが] het laten afweten; leeglopen; (18) [魚;貝;虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) [領地;役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; (26) [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; (27) […~] klaar-; af-; gereed-; (28) […~] hevig …; intens …; compleet …; (29) […~] [krachtterm]
上昇する;上升する jōshōsuru stijgen; omhooggaan; klimmen; rijzen; opgaan; opkomen
兆す kizasu (1) ophanden zijn; zich aandienen; zich aankondigen; tekenen; verschijnselen vertonen; te verwachten zijn; te gebeuren staan; (2) uitbotten; uitspruiten; uitlopen; ontkiemen; uitkomen; uitschieten; (3) [fig.] ontstaan; ontspruiten; opkomen; kiemen; ontluiken
出づ izu (1) naar buiten komen; (2) vertrekken naar; (3) verlaten; (4) verschijnen; te voorschijn komen; (5) opkomen; opduiken; (6) overschrijden; (7) uitsteken; (8) optreden; ten tonele komen; (9) doorbreken; (10) zich vormen; (11) gebeuren; zich voordoen; (12) voortkomen; geboren worden; (13) stammen uit; z'n oorsprong vinden in; (14) zich openbaren; zich manifesteren
出る deru (1) naar buiten gaan; naar buiten komen; zich vertonen; uitbreken; uitgaan; uitkomen; verlaten; vandaan gaan (bij); vertrekken; [m.b.t. boot] afvaren; [i.h.b.] afstuderen (aan); [i.h.b.] aftrek vinden; weggaan; (2) verschijnen; opkomen; voor de dag komen; opduiken; te voorschijn komen; zich voordoen; rijzen; voorkomen; [aan de telefoon enz.] komen; [m.b.t. zon] opgaan; rijzen; doorkomen; [m.b.t. bloemknoppen enz.] uitkomen; uitlopen; [i.h.b.] ontdekt worden; [m.b.t. geesten;spoken] waren; (3) uitsteken; naar buiten steken; opsteken; uitspringen; oprijzen; (4) bijwonen; aanwezig zijn bij; gaan naar; deelnemen aan; meedoen aan; [voor het gerecht enz.] verschijnen; in [zaken;het bedrijfsleven;de politiek enz.] gaan; (5) [m.b.t. wegen] leiden naar; voeren naar; uitkomen op; tegenkomen; bereiken; aantreffen; vinden; stuiten op; (6) te buiten gaan; overschrijden; gaan over; passeren; (7) ontspruiten (aan); komen uit; voortkomen (uit); voortspringen uit; ontstaan uit; beginnen; ontspringen; ontsnappen; [fig.] opwellen; [lit.t.] ontwellen; zijn oorsprong ontlenen aan; zijn oorsprong vinden in; teruggaan op; afstammen van; afkomen van; stammen uit; voortspruiten uit; (8) verschijnen; uitkomen; uitgegeven worden; gepubliceerd worden; [i.h.b. de pers enz.] halen; (9) krijgen; verkrijgen; [arch.] bekomen; [m.b.t. gerecht] opgediend worden; geserveerd worden; [m.b.t. bedrag;premie] uitgekeerd worden; (10) toenemen; rijzen; [m.b.t. wind] opsteken; aanwakkeren; [m.b.t. snelheid] optrekken; (11) zich … gedragen; een … houding nemen; (12) [m.b.t. thee] trekken
出現する shutsugensuru verschijnen; optreden; zich voordoen; gebeuren; voorkomen; te voorschijn komen; opduiken; opkomen; acte de présence geven
出馬する shutsubasuru (1) te paard vertrekken; [i.h.b.] zich naar het slagveld begeven; opmarcheren; uitrukken; ten strijde; in het veld; te velde rukken; ten strijde; te velde trekken; (2) ergens naartoe trekken; tegemoet gaan; (3) [pol.] zich kandidaat stellen; zich verkiesbaar stellen; kandidaat zijn; kandideren; meedoen; deelnemen; [Belg.N.] opkomen
勃起する bokkisuru (1) stijf worden; overeind komen; zich oprichten; omhoog gaan; [volkst.] steigeren; (2) een erectie krijgen; [inform.] ‘m overeind krijgen; [inform.] een stijve (pik); een harde; een paal krijgen; [vulg.] een tent in zijn broek krijgen; [scherts.] het geweer presenteren; (3) [fig.] opwellen; aanzwellen; opborrelen; opbruisen; opkomen; zich oprichten; oprijzen; opslaan; [form.] ontstijgen
台頭する taitōsuru (1) de kop opsteken; het hoofd omhoogsteken; z'n hoofd verheffen; zich vertonen; op de voorgrond treden; (2) opkomen; opgang maken; opgeld doen; veld; terrein winnen; vooruitgaan
名乗り出る nanorideru zich aanmelden; zich opgeven; zich voorstellen; zich aandienen; [犯人が] zich aangeven; [pol.] zich kandidaat stellen; kandidaat zijn; staan; [Belg.N.] opkomen
思い当たる omoiataru (1) opkomen; invallen; te binnen schieten; iem. voorkomen dat; (2) denkend erop komen; zich herinneren; zich te binnen brengen; zich voor de geest halen; (3) beseffen; zich realiseren
思い浮かぶ omoiukabu opkomen; voor de geest komen; in de geest oprijzen; invallen
持ち上がる mochiagaru (1) zich verheffen; oprijzen; rijzen; omhooggaan; opwaarts gaan; opgetild worden; een omhoogheffende beweging maken; (2) zich (plotseling) voordoen; zich vertonen; uitbreken; gebeuren; voorvallen; zich aandienen; opduiken; de kop opsteken; ontstaan; opkomen; plaatsgrijpen; (3) [担任が] mee overgaan naar een hogere klas
昇る noboru rijzen; opgaan; omhooggaan; opkomen; stijgen; klimmen; [i.h.b.] opvaren
流行する ryūkōsuru (1) opkomen; in de mode komen; populair worden; in zwang raken; mode worden; opgang maken; opgeld doen; in trek raken; in de lift zitten; zich allerwegen verspreiden; grasseren; (2) wijd verspreid raken; gaan heersen; om zich heen grijpen; woekeren; woeden
流行る hayaru (1) opkomen; in de mode komen; opgang maken; in (zwang) raken; in trek raken; in de lift zitten; populair worden; mode worden; [fig.] ingang vinden; opgeld doen; furore maken; een rage worden; (2) [van ziekten enz.] woeden; om zich heen grijpen; woekeren; heersen; grasseren; rondwaren; (3) lekker draaien; goedlopend zijn; bloeien; welvaren; vooruitgaan; [veroud.] opnemen; veel klandizie hebben; goed beklant zijn; [i.h.b.] een drukke praktijk hebben; goeie zaken doen; het gaat [de zaak enz.] voor de wind; het gaat goed met [de onderneming enz.]; het gaat iem. naar den vleze
浮かび上がる ukabiagaru (1) komen bovendrijven; naar boven (komen) drijven; opdrijven; opduiken; bovenkomen; boven water komen; opkomen; oprijzen; (2) aan het licht komen; voor de dag komen; aan de oppervlakte komen; treden; te voorschijn komen; treden; verschijnen; verrijzen; (3) ontstijgen; zich losmaken uit; van
浮べる;泛かべる ukaberu (1) doen varen; met een boot varen; laten drijven; doen zeilen; [een nieuw schip] te water laten; (2) vertonen [op het aangezicht]; laten merken op het aangezicht; door het gezicht uitgedrukt worden; uitstralen; stralen; glunderen; sprankelen; schitteren; van zich laten uitgaan; van zich laten afstralen; (3) [tranen] in de ogen krijgen; [tranen] plengen; wegpinken; (4) invallen; in gedachten komen; zich herinneren; opkomen; zich voorstellen; voor zijn geestesoog verschijnen
涌き出る;湧き出る wakideru opspuiten; opwellen; opborrelen; opkomen; naar boven komen
生える haeru (1) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; [arch.] opwassen; opkomen; ontstaan; [w.g.] ontgroeien; uitschieten; uitlopen; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [i.h.b.] begroeien; [i.h.b.] overgroeien; [i.h.b.] bedekken; (2) groeien; wassen; [van kiezen] doorkomen; [van tanden;baard enz.] krijgen
生じる shōjiru (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); uitgaan van; resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten; (3) teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; dragen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren
生ずる shōzuru (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten; (3) teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren
発祥する hasshōsuru ontstaan; ontspruiten; voortkomen; beginnen; aanvangen; opkomen
登場する tōjōsuru (1) [dramaturgie] opkomen; in het stuk optreden; het toneel betreden; op het toneel verschijnen; uit de coulissen te voorschijn komen; optreden; (2) betrokken zijn; zijn intrede doen; zijn entree maken; in het spel komen; in beeld komen
盛り上がる moriagaru (1) oprijzen; verrijzen; zich verheffen; [土が] aanwassen; (2) opkomen; opgang maken; opgeld doen; aanzwellen; opbruisen
立ち上がる tachiagaru (1) opstaan; (rechtop) gaan staan; overeind gaan staan; overeind komen; oprijzen; zich oprichten; (2) opkomen; opstaan; optreden; zich roeren; in actie komen; [in verzet;opstand;het geweer] komen (tegen); (3) er weer bovenop komen; weer overeind komen; opkrabbelen; overeind krabbelen; zich herstellen; (4) [sumō-jargon] vanuit hurkpositie aanvallen; toespringen; chargeren; attaqueren; (5) [comp.] opstarten; booten
興隆する kōryūsuru bloeien; opbloeien; opkomen; een hoge vlucht nemen
起こる;起る;興る;熾る okoru (1) gebeuren; zich voordoen; voorvallen; plaatshebben; plaatsgrijpen; geschieden; niet achterwege blijven; niet uitblijven; (2) ontstaan uit; zijn oorzaak hebben in; het gevolg zijn van; (3) [van warmte;elektriciteit etc.] geproduceerd worden; opgewekt worden; gegenereerd worden; verwekt worden; (4) een aanval hebben [van een ziekte]; (5) (興る) opkomen; bloeien; welvarend zijn; voorspoedig zijn; (6) (熾る) beginnen te branden; vlam vatten; ontvlammen
Tijd: 1.18 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 29 treffers (zoekopdracht: 'opkomen').
2005-2026
