RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <kind>
お子様 okosama [hon.] kind
キッド kiddo (1) geitenleer; (2) kind; joch; jong; (3) Kidd; Kyd
一子 isshi (1) kind; zoon; dochter; (2) enig kind; enige zoon; enige dochter; (3) [go] schijf
児童 jidō (1) (onmondig) kind; onvolwassene; [verzameln.] jeugd; (2) [jur.] minderjarige
児 ji (1) kind; (2) jongen; (3) ik [= zelfreferentie van een kind in betrekking tot zijn ouder]; (a) kind; kindje; (b) kroost; (c) jongere; jongen
子供 kodomo (1) kind; jongen; meisje; [meton.] jonge harten; (2) baby; zuigeling; (3) nakomeling; zoon; dochter; kroost; afstammeling
子等 kora (1) kinderen; nakomelingen; (2) [vleinaam en aanspreekwoord] kind; meisje
子;児 ko (1) kind; (2) jong (van een dier); pasgeboren dier; (3) rente; interest
子 shi (1) kind; [i.h.b.] jongen; (2) deugdzame man; meester; [i.h.b.] Confucius; (3) zǐ [± traktaat;één van de vier categorieën boeken in het Klassiek Chinees]; (4) burggraaf; (5) rente; interest; (6) [go-spel] schijf waarmee men go speelt; (7) jij; je; (8) -er; -or; -aar; -eur [maakt van een zelfst. naamw. een nomen agentis]; (9) [Nara;Heian-gesch.] [achtervoegsel bij namen van edelvrouwen]; (10) [honoratief achtervoegsel bij persoonsnamen]; (11) [achtervoegsel na de eigen naam ten teken van bescheidenheid]; (a) kind; zoon; dochter; telg; (b) ei; vrucht; (c) deeltje; (d) heer; leraar; meester; (e) man; mens; (f) vrouwe …; (g) ding; zaak; iets; (h) burggraaf; (i) [astrol.] rat
小人 shōnin [m.b.t. prijslijst e.d.] kind
小姓 koshō (1) [Jap.gesch.] page; schildknaap; edelknaap; ridderdienaar; [i.h.b.] mignon; schandknaap; (2) [Jap.gesch.] hofjonker aan het shogunaat te Edo; (3) kind; knaap
尼っ子 amakko [bel.] wicht; meid; griet; kind; deerne; deern
尼 ama (1) [boeddh.;chr.] non; kloosterzuster; zuster; (2) [Jap.gesch.] ama-coiffure [Heian-dameskapsel waarbij het haar tot op de schouders gedragen wordt]; (3) meisje met een ama-kapsel; (4) [Kantō-jargon;min.] wijf; bitch; mokkel; deerne; deern; griet; miep; trien; treze; trees; madam; kind; kip; (5) rouge; blush; blusher; (6) wijfjeshond; teef; [gew.] klits; klis; (7) kyōgen-masker dat een non voorstelt; nonnenmasker
幼児 yōji kind; peuter; kleuter; klein grut
幼年 yōnen (1) jonge; vroege leeftijd; kinderjaren; kindertijd; kinderleeftijd; kindsheid; jeugd; [男性の] jongenstijd; jongensjaren; [女性の] meisjesjaren; (2) kind; [男性の] jongen; [女性の] meisje
御子 oko (1) [hon.] (uw) kind; (2) meisje (van plezier); (3) mens; persoon
御子 miko (1) godenkind; kind van een god; (2) keizerskind; keizerlijke nazaat; kind van een keizer; (3) Keizerlijke Hoogheid; prins van den bloede; (4) [hon.] (uw) kind; (5) [chr.] Gods Zoon; Zoon van God [= Jezus Christus]
息 soku (a) adem; ademen; (b) leven; (c) rusten; op adem komen; (d) bedaren; tot rust brengen; (e) kind; zoon; (f) rente
愛縁;相縁;合縁 aien (1) [boeddh.] liefdesrelatie; liefdesbetrekking; minne; min; (2) hechte relatie als tussen ouder; kind; man; vrouw of leraar; discipel
未熟児 mijukuji te vroeg geboren baby; kind; premature baby; couveusekind; vroeggeborene; prematuurtje
童子 dōji (1) kindje; koter; jochie; kind; kereltje; baasje; [i.h.b.] schoolkind; leerling; (2) knechtje; page; (3) [boeddh.] kumāra [= lekenkind;bodhisattva;dienstknecht;incarnatie als jongeling;jonge pupil van een bonze]; (4) [nō-jargon] dōji-masker [= masker dat een kami of magiër in kindergedaante voorstelt]; (5) pupil; oogpupil; oogappel
童部 warawabe (1) kind; jongetje; meisje; kinderen; (2) m'n vrouwtje; (3) knechtje; hulpje; meidje; (4) tempeldienaartje; (5) straatjochie; straatbengel; straatvlegel; boefje
童 warabe (1) kind; (2) kind dat dienaar is; page
胎児 taiji [geneesk.] conceptus; embryo; vrucht; foetus; ongeboren vrucht; kind; leven; baby; [jur.] ongeborene; [uitdr.] hansje-in-de-kelder
若葉 wakaba (1) jong blad; blaadje; (2) jonge blaren; jong gebladerte; frisgroene loof; (3) [fig.] spruit; kind
阿魔 ama [Kantō-jargon;min.] wijf; bitch; mokkel; deerne; deern; griet; miep; trien; treze; trees; madam; kind; kip