日蘭辭典+

55 resultaten voor ‘kind’
日蘭辭典 (trefwoord)
kodomo子供
zn. kind o.; jongen (男) m.; meisje (女) o. ¶ 子供の時 kinderjaren; kindsheid; prille jeugd. ¶ 子供らしい kinderachtig. ¶ 子供の如き kinderlijk. ¶ 子供を産む een kind krijgen; bevallen. ¶ 子供なき kinderloos. ¶ 子供だまし iets om kinderen zoet te houden; kinderachtig troostmiddel. ¶ 子供好き liefde voor kinderen.
abare暴れ
bn. lastig; dartel; wild. ¶ 暴れ兒 een lastig kind.
yanchaやんちゃ
zn. ondeugendheid v. ¶ やんちゃな ondeugend. ¶ やんちゃ者 ondeugend kind; kwajongen.
shiseiji私生兒
zn. natuurlijk kind o.; onecht kind o.; onwettig kind o.; bastaard m.
demoでも
bw. zelfs; vw. en toch; evenwel; zelfs indien; zoowel......als; hoezeer ook. ¶ 子供でも分かる zelfs een kind begrijpt dat. ¶ でも僕に話して呉れゝば宜しかったのに en toch wou ik dat je het me verteld had. 馬鹿でもなく利口でもない hij is noch dom noch knap. ¶ 人はいくら金持ちでも hoe rijk men ook zij.
ue
zn. (1) [頂] top m. (2) [] bovenste gedeelte v.; bovenkant m. ¶ このない喜び grootste vreugde. ¶ いやがにも tot overmaat. ¶ 下からまで van onder tot boven. ¶ の bovenst; hoogst. ¶ の文 bovenstaande zin. ¶ 五つからの子供 kinderen van vijf jaaren ouder. ¶ 丘の huis op den heuvel. ¶ 其の bovendien; daarenboven. ¶ naar boven. ¶ op; bovenop; na (後に). ¶ onder invloed van drank. ¶ 歸京の toen ik in Tokyo terug kwam. ¶ 再考ので bij nadere overweging. ¶ かくなるは nu het zoover gekomen is. ¶ ……のに出る overtreffen; meer zijn dan. ¶ 一番は八つです het oudste kind is acht. ¶ にはある niets is volmaakt; alles is voor verbetering vatbaar.
ushinau失ふ
t.w. verliezen; i.w. kwijtraken; beroofd worden van. ¶ 子を失ふ een kind verliezen. ¶ 職を失ふ buiten betrekking geraken; baantje verliezen. ¶ 失ふ blind worden. ¶ 面目失ふ beschaamd staan.
kaeru歸る
(帰る(F)、還る、還る、復る) i.w. (1) [戾る] terugkeeren; thuiskomen; naar huis gaan. (2) [去る] heengaan; weggaan. (3) [反射] terugkaatsten. ¶ 元の位置に復る in den vorigen staat terugkeeren. ¶ 歸らぬ旅 de laatste reize; uitvaart. ¶ お歸り遊ばせ welkom thuis. ¶ 子供の復りたいものですなあ wat zou ik graag weer een kind zijn! ¶ 覆水盆に還らず gedane zaken nemen geen keer; wat gebeurd is, is gebeurd.
morau貰ふ
t.w. (1) [受ける] ontvangen; krijgen. (2) [......して貰ふ] gedaan krijgen; i.w. behandeld worden. ¶ 妻を貰ふ een vrouw krijgen; trouwen. ¶ 養子を貰ふ een kind adopteeren. ¶ 病氣貰ふ ziek worden. ¶ 靴を修繕して貰ふ schoenen laten repareeren. ¶ 選擧して貰ふ gekozen worden. ¶ 醫者に見て貰ふ dokter consulteeren.
inga因果
zn. (1) [原因結果] oorzaak en gevolg. (2) [不運] noodlot o. (3) [應報] vergelding v. ¶ 因果關係 causaal verband; causaliteit. ¶ 因果應報 vergelding; karma. ¶ 因果法則 wet van oorzaak en gevolg. ¶ 因果の noodlottig; rampzalig. ¶ 因果諦める berusten in zijn lot. ¶ 因果を宿す zwanger zijn door een misstap. ¶ 親の因果報いる de kinderen boeten voor de zonden der ouders.
haeru生える
i.w. groeien; opkomen. ¶ 草の生えた庭 een tuin, begroeid met gras. ¶ 此は齒が生え掛かって居る dit kind krijgt tandjes.
chōshi長子
zn. oudste kind.
kōshi孝子
damasu騙す

t.w. bedriegen; oplichten; verlakken; in den nek zien; (俗) verneuken; belazeren. ¶ 泣く兒を騙す een kind zoet houden. ¶ に騙される door en vrouw voor den gek gehouden worden.

gizetsusuru義絶する

t.w. relaties verbreken. ¶ 子供を義絶する kind onterven; kind verstoten; kind niet meer erkennen.

kōshi孝子
kuneru曲る

i.w. zich kronkelen; krom zijn. ¶ 曲つた krom. ¶ 曲つた松の枝 kronkelige dennetak. ¶ 心の曲つた子 lastig kind; onhandelbaar kind.

yōsha幼者

(幼者) zn. kind m.; minderjarige m. & v.; de jeugd v.

yōshi養子

zn. pleegkind o.; geadopteerd kind o.; aangenomen zoon (dochter v.) m. ¶ 養子に行く geadopteerd worden. ¶ 養子にする adopteeren; aannemen als kind. ¶ 養子緣組 adoptie.

yōji幼兒

(幼児) zn. zuigeling m. & v.; klein kind o. ¶ 幼兒洗禮 kinderdoop.

wasuregatami忘形見

zn. (1) [物] souvenir o.; aandenken o. (2) [遺子] nagelaten kind o.

warabe

zn. kind o.; jongentje o.

umarego生兒

(生児) zn. pas geboren kind o.

uigo初子

zn. eerstgeborene m.; eerste kind o.

ubuge產毛

(産毛) zn. dons o.; haar van een pasgeboren kind.

tsureko連子

zn. stiefkind o.; kind, dat mede ten huwelijk wordt gebracht.

tsune

zn. normale toestand m.; gewone omstandigheden v.mv. ¶ 常ならぬ ongewoon; abnormaal. ¶ 常とする er een gewoonte van maken; gewoon zijn om. ¶ 常の gewoon; normaal; gebruikelijk. ¶ 常の如く als gewoonlijk. ¶ 常に gewoonlijk; in den regel; meestal. ¶ 世の常 de menschelijke natuur. ¶ 常ならぬ身になる in gezegende omstandigheden zijn; kind verwachten.

tsukeru附ける

(付ける) t.w. (1) [接合] bevestigen; hechten; vastmaken. i.w. (2) [裝ふ] uitrusten. t.w. (3) [尾行] volgen. (4) [値を] bieden. (5) [點火] aansteken. ¶ 身に附ける bij zich hebben. ¶ 鈕を附ける knoop aanzetten. ¶ ペン軸にペンを附ける pen in den penhouder steken. ¶ 帳面に附ける inboeken. ¶ 船を棧橋に著ける een schip langszij van de kade brengen. ¶ 煙草を附ける sigaar aansteken. ¶ 電燈を附ける licht aandraaien. ¶ 名を附ける naam geven, noemen. ¶ 人の後を附ける iemands spoor volgen. ¶ 氣を附ける aandacht vestigen; oppassen. ¶ 子供に財產を附ける kapitaal vastzetten op een kind. ¶ 道を附ける weg maken. ¶ 色を附ける kleuren. ¶ 値を附ける bieden voor.

SUPPLEMENT (trefwoord)
mamaママ
(1) mama; mam; mams; mammie; moeder. NB evenals in het Nederlands wordt ‘mama’ in het Japans vooral gebruikt door kinderen voor ‘moeder’ en door volwassenen om zichzelf of een andere moeder aan te duiden aan kinderen; tevens komt het ook voor dat ‘mama’ gebruikt wordt door volwassenen om hun moeder aan te spreken of aan te duiden, maar veel minder vaak. (2) titel voor de eigenares van een bar. ¶ ママのお手伝いをしたって? Mama no otetsudai wo shita tte? Heb jij mammie geholpen? (TTC) ¶ 宿題をやってから、私はママとおしゃべりした。 Shukudai wo yatte kara, watashi wa mama to oshaberishita. Nadat ik m’n huiswerk gedaan had heb ik met mam gebabbeld. (TTC) ¶ ママ、パパの書斎はパパに掃除してもらったらどうなの。 Mama, papa no shosai wa papa ni sōjishite morattara dō na no. Mam, waarom laat je pappa zelf zijn studeerkamer niet schoonmaken? (TTC) どこの国でも、何時の時代でも、子供は親の価値観を見習って育つものである。いわゆる「教育ママ」の教育に対する考え方が、子供を精神的にいびつに育ててしまっていると指摘する声もある。 Doko no kuni de mo, itsu no jidai de mo, kodomo no oya no kachikan wo minaratte sodatsu mono de aru. Iwayuru ‘kyōiku mama’ no kyouiku ni taisuru kangaegata ga, kodomo wo seishinteki ni ibitsu ni sodatete shimatte iru to shitekisuru koe mo aru. Het is van alle tijden en plaatsen dat kinderen hun waarden ontlenen aan hun ouders. Er zijn evenwel ook mensen aangeven dat de opvattingen van de zogeheten ‘kyōiku mama’ (onderwijs mama’s) over onderwijs, kinderen een opvoeding bezorgen die mentaal verwrongen is. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <kind>
お子様 okosama [hon.] kind
キッド kiddo (1) geitenleer; (2) kind; joch; jong; (3) Kidd; Kyd
一子 isshi (1) kind; zoon; dochter; (2) enig kind; enige zoon; enige dochter; (3) [go] schijf
児童 jidō (1) (onmondig) kind; onvolwassene; [verzameln.] jeugd; (2) [jur.] minderjarige
ji (1) kind; (2) jongen; (3) ik [= zelfreferentie van een kind in betrekking tot zijn ouder]; (a) kind; kindje; (b) kroost; (c) jongere; jongen
子供 kodomo (1) kind; jongen; meisje; [meton.] jonge harten; (2) baby; zuigeling; (3) nakomeling; zoon; dochter; kroost; afstammeling
子等 kora (1) kinderen; nakomelingen; (2) [vleinaam en aanspreekwoord] kind; meisje
子;児 ko (1) kind; (2) jong (van een dier); pasgeboren dier; (3) rente; interest
shi (1) kind; [i.h.b.] jongen; (2) deugdzame man; meester; [i.h.b.] Confucius; (3) zǐ [± traktaat;één van de vier categorieën boeken in het Klassiek Chinees]; (4) burggraaf; (5) rente; interest; (6) [go-spel] schijf waarmee men go speelt; (7) jij; je; (8) -er; -or; -aar; -eur [maakt van een zelfst. naamw. een nomen agentis]; (9) [Nara;Heian-gesch.] [achtervoegsel bij namen van edelvrouwen]; (10) [honoratief achtervoegsel bij persoonsnamen]; (11) [achtervoegsel na de eigen naam ten teken van bescheidenheid]; (a) kind; zoon; dochter; telg; (b) ei; vrucht; (c) deeltje; (d) heer; leraar; meester; (e) man; mens; (f) vrouwe …; (g) ding; zaak; iets; (h) burggraaf; (i) [astrol.] rat
小人 shōnin [m.b.t. prijslijst e.d.] kind
小姓 koshō (1) [Jap.gesch.] page; schildknaap; edelknaap; ridderdienaar; [i.h.b.] mignon; schandknaap; (2) [Jap.gesch.] hofjonker aan het shogunaat te Edo; (3) kind; knaap
尼っ子 amakko [bel.] wicht; meid; griet; kind; deerne; deern
ama (1) [boeddh.;chr.] non; kloosterzuster; zuster; (2) [Jap.gesch.] ama-coiffure [Heian-dameskapsel waarbij het haar tot op de schouders gedragen wordt]; (3) meisje met een ama-kapsel; (4) [Kantō-jargon;min.] wijf; bitch; mokkel; deerne; deern; griet; miep; trien; treze; trees; madam; kind; kip; (5) rouge; blush; blusher; (6) wijfjeshond; teef; [gew.] klits; klis; (7) kyōgen-masker dat een non voorstelt; nonnenmasker
幼児 yōji kind; peuter; kleuter; klein grut
幼年 yōnen (1) jonge; vroege leeftijd; kinderjaren; kindertijd; kinderleeftijd; kindsheid; jeugd; [男性の] jongenstijd; jongensjaren; [女性の] meisjesjaren; (2) kind; [男性の] jongen; [女性の] meisje
御子 oko (1) [hon.] (uw) kind; (2) meisje (van plezier); (3) mens; persoon
御子 miko (1) godenkind; kind van een god; (2) keizerskind; keizerlijke nazaat; kind van een keizer; (3) Keizerlijke Hoogheid; prins van den bloede; (4) [hon.] (uw) kind; (5) [chr.] Gods Zoon; Zoon van God [= Jezus Christus]
soku (a) adem; ademen; (b) leven; (c) rusten; op adem komen; (d) bedaren; tot rust brengen; (e) kind; zoon; (f) rente
愛縁;相縁;合縁 aien (1) [boeddh.] liefdesrelatie; liefdesbetrekking; minne; min; (2) hechte relatie als tussen ouder; kind; man; vrouw of leraar; discipel
未熟児 mijukuji te vroeg geboren baby; kind; premature baby; couveusekind; vroeggeborene; prematuurtje
童子 dōji (1) kindje; koter; jochie; kind; kereltje; baasje; [i.h.b.] schoolkind; leerling; (2) knechtje; page; (3) [boeddh.] kumāra [= lekenkind;bodhisattva;dienstknecht;incarnatie als jongeling;jonge pupil van een bonze]; (4) [nō-jargon] dōji-masker [= masker dat een kami of magiër in kindergedaante voorstelt]; (5) pupil; oogpupil; oogappel
童部 warawabe (1) kind; jongetje; meisje; kinderen; (2) m'n vrouwtje; (3) knechtje; hulpje; meidje; (4) tempeldienaartje; (5) straatjochie; straatbengel; straatvlegel; boefje
warabe (1) kind; (2) kind dat dienaar is; page
胎児 taiji [geneesk.] conceptus; embryo; vrucht; foetus; ongeboren vrucht; kind; leven; baby; [jur.] ongeborene; [uitdr.] hansje-in-de-kelder
若葉 wakaba (1) jong blad; blaadje; (2) jonge blaren; jong gebladerte; frisgroene loof; (3) [fig.] spruit; kind
阿魔 ama [Kantō-jargon;min.] wijf; bitch; mokkel; deerne; deern; griet; miep; trien; treze; trees; madam; kind; kip
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.23 sec. jiten.nl: 29 treffers, warandict: 26 treffers (zoekopdracht: 'kind'). 
2005-2026