
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
donaru・怒鳴る
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <razen>
がみがみ言う gamigamīu afsnauwen; afbekken; afblaffen; afkatten; snauwen tegen; aansnauwen; toesnauwen; snibbig spreken; van zich af bijten; geselslagen uitdelen; uitkafferen; razen; uitvaren; opspelen
吠える;吼える;咆える hoeru (1) blaffen; aanblaffen; bassen; bauwen; blekken; [m.b.t. leeuw e.d.] brullen; briesen; [m.b.t. wolf e.d.] huilen; [m.b.t. rundvee e.d.] bulken; aanslaan [van jachthond bv.]; [jachtt.] hals geven; (2) [m.b.t. mens als onderwerp] gillen; brullen; bulderen; schreeuwen; joelen; (3) [m.b.t. wind e.d.] huilen; gieren; razen; loeien
吹かす fukasu (1) uitblazen; door blazen naar buiten brengen; [タバコを] roken; [ボールを] hoog overschieten; (2) [エンジンを] laten doordraaien; loeien; razen; een dot gas geven; (3) […風を] uithangen; zich gedragen als; (4) opscheppen; uitbazuinen
吹き荒ぶ fukisusabu (1) fel blazen; zeer hard waaien; woeden; stormen; razen; hevig tekeergaan; bulderen; loeien; huilen; (2) recreatief blazen; spelen op
怒鳴る donaru (1) schreeuwen; roepen; uitroepen; brullen; joelen; (2) bulderen; tieren; razen; donderen; tekeergaan; uitvaren; opspelen
息巻く ikimaku (1) woedend; razend; woest zijn; razen; woeden; tekeergaan; (2) in woede razen; tieren; dreigen; driftig spreken; bulderen; uitvallen; (3) zich doen; laten gelden; grote invloed; macht uitoefenen; de plak zwaaien; domineren
暴れ狂う abarekuruu uitzinnig tekeergaan; als een dolle tekeergaan; helemaal losslaan; razen
狂う kuruu (1) krankzinnig worden; gek worden; zot worden; dol worden; zijn verstand verliezen; (2) amok maken; razen; woest zijn; (3) wanhopig verliefd zijn op; uitzinnig verliefd zijn op; helemaal weg zijn van; (4) mankementen vertonen; mankeren; niet in orde zijn; haperen; niet functioneren; in de war zijn; spaak lopen; (5) mislopen; in het honderd lopen; foutlopen; verkeerd lopen; uit de hand lopen; (6) scheef zijn; gewrongen zijn; verwrongen zijn; krom zijn; uit de vorm zijn; vervormd zijn; (7) zijn doel missen; naast het doel gaan; niet treffen; niet raken; (8) ontstemd zijn; niet meer zuiver gestemd zijn
疾走する shissōsuru zich in volle vaart; met volle kracht voortbewegen; vliegen; stormen; razen; scheuren; [道を] afjakkeren
荒くれる arakureru zich ruw; wild; baldadig gedragen; wild tekeergaan; razen; rauzen
荒れる areru (1) in verval zijn; vervallen; verlaten zijn; (2) woest zijn; woeden; razen; stormen; onstuimig worden; woelig worden; oneffen worden; (3) [肌が~] ruw worden
荒れ狂う arekuruu (1) als een bezetene tekeergaan; woest worden; amok maken; over de rooie gaan; [馬が] op hol slaan; kolderen; de kolder in de kop krijgen; (2) [風;波が] stormen; woeden; razen; wild tekeergaan
荒立つ aradatsu (1) hevig; woest worden; hoog oplopen; [波が] hoog rijzen; (2) verergeren; ingewikkelder worden; gecompliceerd worden; (3) woeden; razen; zich woest gedragen; hevig tekeergaan
譫言を言う uwagotōiu (1) ijlpraat uitslaan; ijlen; verward; onsamenhangend spreken; razen; delireren; raaskallen; (2) onzin uitslaan; uitkramen; verkopen; nonsens verkopen; flauwekul verkopen
飛ぶ tobu (1) vliegen; [form.] wieken; doorklieven; (als) op vleugels gaan; [fig.;door de lucht enz.] zeilen; de lucht ingaan; het luchtruim kiezen; [i.c.m. ひらひら] fladderen; [m.b.t. water] spatten; [m.b.t. vonken enz.] eraf vliegen; alle kanten op vliegen; (2) vliegen; stuiven; zich snel voortbewegen; schieten; wegschieten; flitsen; snellen; razen; zoeven; ijlen; spoeden; zich haasten; (3) vlieden; vluchten; (4) [m.b.t. zekering] springen; doorslaan; (5) overslaan; [comp.] skippen; [van de hak op de tak enz.] springen; overspringen; [m.b.t. bladzijden in een boek] ontbreken; (6) vervliegen; [m.b.t. kleuren] snel verschieten
騒ぐ sawagu (1) lawaai maken; kabaal maken; lawaaischoppen; lawaaien; donderjagen; kabaal schoppen; rumoer maken; leven maken; poeha maken; tamtam maken; luidruchtig zijn; rumoerig zijn; roezemoezig zijn; tumultueus zijn; lawaaierig zijn; aangaan; luid tekeergaan; opspelen; [uitdr.] op zijn poot spelen; [uitdr.] de brandklok luiden; razen; roezen; [Barg.;volkst.] rauzen; [gew.] tamboeren; [gew.] reren; (2) drukte maken; beweging maken; druk in de weer zijn; erg bezig zijn; jachten; gejaagd heen en weer lopen; jachtig in de weer zijn; [gew.] heisteren; [gew.] zich opjagen; [Barg.] begijne maken; (3) een rel schoppen; een rel trappen; commotie maken; commotie geven; opschudding teweegbrengen; gerucht maken; deining maken; heisa maken; stennis maken; herrie maken; keet schoppen; keet trappen; [uitdr.] de boel op stelten zetten; [schoolt.] keten; ophef maken; spats maken; spektakel maken; omhaal maken; stof doen opwaaien; stampij maken; bombarie maken; bombarie schoppen; [inform.] zooien; (4) misbaar maken; heibel maken; luidkeels protesteren; krakelen; geprikkeld raken; in rep en roer raken; zich opwinden; zich druk maken; zich dik maken; in beroering raken; geagiteerd raken; geënerveerd raken; [fig.] moord en brand schreeuwen; [fig.] in alle staten raken; zijn stem verheffen; [fig.] roepen (om); [fig.] schreeuwen (om); het uitschreeuwen; exclameren; [gew.] heisteren; (5) uitgelaten raken; opgewonden raken; geëxalteerd raken; uitbundig worden; joelen; jolen; pret maken; het ervan nemen; zich amuseren; zich vermaken; feestvieren; fuiven; aan de haal gaan; boemelen; de bloemetjes buiten zetten; aan de haal gaan; zich uitleven; uitspatten; uit de band springen; pierewaaien; zwierbollen; [gew.] heisteren; (6) [m.b.t. gebladerte;papier;zijde] ruisen; ritselen; knisteren; suizen; suizelen; [lit.t.] zwatelen; een ruisend; ritselend geluid maken
Tijd: 1.34 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 16 treffers (zoekopdracht: 'razen').
2005-2026
